Koppelingen:
Vorig artikel: LOODZWAAR Volgend artikel: LOOF II
Etymologie: EWN
GTB Woordenboeken: MNW

LOOFI

Woordsoort: znw.(o.)

Modern lemma: loof

znw. onz., mv. looveren, looven. Mnl. loof; ofri. lâf, nfri. leaf; os., mnd. nnd. lôf; ags. léaf, meng. lef, neng. leaf; ohd. loub (m. en onz.), mhd. loup, nhd. laub; on. lauf; got. laufs (m., blad; misschien ook lauf, onz., gebladerte). Gewoonlijk verwant geacht o.a. met osl. lupiti, lit. lùpti, schillen, czech. lupen, blad; zie verder de etymol. wdbb. — Verg. LOOVER.
+1.  Blad. In een deel van Z.-Nederl. nog bekend.
De leden van 't gilde van Maria t'eeren zullen moghen draghen eenen lelyentac up de mouwe van huerlieder kerels, staende ende sprutende met zijnen loveren uut eender herte, up d'een zijde van den tacke een M ende an d'ander zijde een scelpe, met eene stocke van S. Jacop, hanghende an een loofkin, t'samen dweers ghecoppelt met eenen rollekene, daerinne gescreven staende Maria t'eeren, den zelven toe met zijnen loveren boven met twee lelyebotten,   in Belg. Mus. 1, 439 [1510].
Wie sal een loof … Of bloemken derven plocken?   HONDIUS, Moufe-schans 163 [1621].
't Lant daer men bijnaer niet een looffjen siet, off ten waer men steene voor gras tellen wilde,   SPEELMAN, Journ. 43.
+2.  Collectief. Gebladerte, bladeren, groen. Met name voor bladeren van den gewonen, platten, vorm (verg. beneden onder b) en loofhout onder de Samenst.). — De collectieve toepassing wordt ook aangetroffen bij os. lôf, hd. laub en got. laufs (of lauf).
3.  Als term van plantkundigen. Het weefsel van lagere Cryptogamen, waarbij zich geen verdeeling in wortel, stengel en blad voordoet; thallus.
Mossen, met geschubd Loof en Huikjes op 't hoofd,   HOUTTUYN, Nat. Hist. II, 1, 237 [1773].
Een vliezig, gaffelig-takkig, gekruld loof, met verlengde takken, welke aan den voet dunner, naar de punt breeder zijn, met midden in het loof ingezonken … knobbeltjes (t.w. van zeker wier),   Ned. Apoth. (ed. 1851) 60.
Een regtstandig, gootachtig, vliezig of bijna kraakbeenig, groevig …, geslipt, tandig behaard loof (t.w. van het IJslandsche mos),   61.
Thallophyta (… bladerlooze Cryptogamen of Loofplanten). Planten bij welke geene tegenstelling tusschen een stengel en bladen is waar te nemen, maar die uit een celachtig lichaam — Loof (Thallus) — bestaan, dat, onmiddellijk uit de kiemende spore voor den dag gekomen, op een gegeven tijd, aan geslachts- of voortplantingswerktuigen, of aan beide het aanzijn geeft,   OUDEMANS, Leerb. 2, 32.
Het loof (der wieren) bestaat uit cellen met eene groene, roode of purperen kleurstof,   Ald.
Het loof of thallus der Korstmossen verschilt zeer in vorm, in anatomischen bouw en in kleur, 2, 66.  
Het aantal oorspronkelijke deelen, waaruit alle anderen der plant kunnen worden afgeleid, … bedraagt slechts vijf. Zij heeten Wortel, Stam, Blad, Haar en Loof. De hoogst ontwikkelde planten … zijn in het bezit van de eerste drie (of vier), de laagst ontwikkelde (Wieren, Zwammen en Korstmossen) alleen van het vijfde,   OUDEMANS en DE VRIES, Leerb. 2, 1.
4.  In oneig. toepassingen van de bett. 1) en 2) komt loof in 't Mnl. en later nog op enkele plaatsen voor, t.w. voor een blaadje van metaal, een loovertje, en voor lofwerk. In 't Hageland wordt 't nog voor een velletje gebruikt (TUERL.).
Loof. Bractea; lamella metalli instar folij tenuis; bracteola,   KIL. [1599].
Loofje. Loofwerkje. … Dat is een aardig loofje,   HALMA.
— Het adelicke Bloed, dat van der Princen gonst Schild, Loof en Helm verkreegh voor vrije wapen-konst,   HUYGENS l, 138 [1623].
Afl. Geloofd, loof dragende (”Hier door is't dat hy (de abeel) oock, al schijnt hy dun ghelooft, Boven al ander hout is swierende zijn hooft”, DE HARDUYN, Godd. Lofs. 5 [1620])
loofachtig, 1°. rijk aan loof (KIL.); 2°. gesteld op loof in den zin van raapzaad (”Al de koeë' zij' loofachteg”, TEIRL., ZOVl. Idiot. 218 b); 3°. op loof in de bet. 3) gelijkende (”Hepaticae (Levermossen). Stengel loofachtig en zonder bladen, of niet loofachtig en bebladerd”, OUDEMANS, Leerb. 2, 162); looven, bladeren ontwikkelen; ongewoon (”Slaet uw gezichte op de gewassen van het veld: een greyntjen herschept zich eerst, in een botjen; 'twelck daer naer looft en bloemt”, DE BRUNE, Bank. 2, 290 [1658])
ontloofd, van loof beroofd (”Helaas, hef vrij het hoofd, Daar alles staat ontloofd; Zie neêr, ô Denne, op die vergane blâren”, ESSER, Licht en Sch. 118 [1874]).
Samenst., samenst. afl. en koppel. Loofhout, Loofhut, Loofwerk (zie die woorden).
— Verder (ten deele dichterlijk of ongewoon):Loofbeladen (”Terwijl de boomen loofbelaan Ruischten en rilden”, GORTER, Mei 159)
loofboom, boom die loof, bladeren, draagt; gebezigd in tegenstelling met naaldboom: verg. Loofhout; vandaar: Loofboomsoort (”Moet er schaduw wezen, dan neme men andere loofboomsoorten”, Onderz. Landb. 1886, 92, 13 [1890])
Loofbosch (”De wouden tusschen 't bouwland (op de Alpen) zijn zoowel loof- (vooral beuken-) als naaldbosschen”, BOS-NIERMEYER, Bekn. Leerb. d. Aardr.¹ 25)
Loofbot, in Z.-Nederl.: bot waaruit zich een tak zal ontwikkelen (”Loofbot. Door sommige boomteeltkundigen houtbot genaamd; uit deze botten kunnen de scheuten zich gemakkelijk ontwikkelen”, Tijdschr. Antw. Kruidk. Gen. 1866, 123); vandaar: Loofbottwijg (”Loofbottwijg. Ook door sommige schrijvers ondertakje genaamd. Het zijn korte zetels van 1/2 tot 2 centimeters lengte, van goed ontwikkelde loofbotten voorzien”, a. w. 1866, 122)
Loofdak (”Het zonlicht Wemelde, en wiegelde, en loeg, dwars door 't zachtschommelend loofdak”, V. BEERS, Rijz. Bl. 81 [1881]; ”Een loofkoepel …, gevormd door boomen waarvan de takken tot een loofdak zijn ineengegroeid”, V. SIJPESTEYN, Ned. Tuinkunst 186)
Loofdragend, in de eerste aanhaling als vert. van een vreemden wetenschappelijken term (”Tot de Frondiporæ of Loofdraagende Zee-Gewassen … behoort … die Steenagtige Eschara, als een Kluwen groeijende, welke” enz., HOUTTUYN, Nat. Hist. I, 17, 195 [1772]; ”Tot de loof-, d. i. bladdragende boomen behooren de Eik, de Iep” enz., ZWIERS 1, 160 b [1917])
Looffestoen (”'t Vlagt all' wat vlaggen voert; men ziet met looffestoenen Des Veldheers roeigalei bevallig opgetooid”, V. MERKEN, Germ. 261 [1779]; ”Een bladverwulfsel van lauwrier en mirt, gemengeld Met ander hechtend en welriekend looffestoen”, TEN KATE, Par. Verl. 102 [1878])
Loofgalerij (”Daarentegen verstond men in geen ander land zoo uitnemend de kunst van het aanleggen en onderhouden van loofgangen. Hadden deze in den eersten tijd dichte wanden, spoedig werden het loofgalerijen, waarbij de stammen de pilaren vormden en de kronen tot een dicht looverdak ineengegroeid waren. Later werden beide vormen, geheel ten onrechte ”berceaux” genoemd, met welken naam men in Frankrijk een wandelprieel betitelde. Dit bestond echter uit ijzerdraad of latwerk, waarlangs men klimplanten liet opgroeien”, SCHAUM, Gesch. d. Tuinkunst 77)
Loofgang (”Ofschoon de laatste stralen der zonne nog op de eene zijde van dezen loofgang vielen …, was het er echter zeer donker in”, CONSC. 3, 348 a [ed. 1868]; zie ook een voorbeeld bij Loofgalerij)
Loofgeruisch (BILD. 1, 318 [1822]); vandaar: klaterloofgeruisch (Dl. IV, 1694)
Loofgeschommel (”De olmboom schudt zijn kruin met ritslend loofgeschommel”, BILD. 2, 237 [1805])
Loofgespeel (”Loofgespeel of golfgedans”, POTGIETER 4, 287 [1840])
Loofgesuis (”Waar Maroos lijkcypressen En klaatrend lauwerbosch Vezevus kolkgebruisch Doen samensmelten met hun murmlend loofgezuis”, BILD. 7, 101 [1811])
Loofgewaad (”'t Olmbosch laat zijn dorre takken, zijn breedgetopt en grijzend hoofd, Van 't groenend loofgewaad beroofd, Als moedloos en mistroostig zakken”, BILD. 8, 339 [1781])
Loofgewelf (”Een loofgewelf in 't woud”, TER HAAR, Ioann. en Theag. 9; zie ook CONSC. 3, 348 a [ed. 1868])
Loofgewemel (Dl. IV, 2057)
Loofgewiegel (POTGIETER 4, 109 [1840])
Loofgordijn (Dl. V, 437)
Loofgroen (”Onder den naam van Chromaatgroen (ook Rijtuiggroen … Olie-, Loof-, Dek- en Resedagroen) worden allerlei mengsels van chromaatgeel, Berlijnsch blauw en zwaarspaat in den handel gebracht”, V.D. KLOES, Verver 13 [1908]; ”Loofgroen. Benaming zoowel voor groene zinnober als voor chroomgroen”, ZWIERS 2, 38 b [1920])
Loofharken (zie Dl. V, 2231; in denzelfden fig. zin: ”Daar is er één aan 't loofharken”)
Loofkever (”Loofkeuer. Melolontha: scarabæi viridis genus”, KIL.)
Loofkoepel (zie een voorbeeld bij Loofdak)
Loofkoraal (HOUTTUYN, Nat. Hist. I, 17, 195 [1772])
Loofkrans (”Eene groote herberg, welker gevel met bloemen en loofkransen is gesierd”, CONSC. 1, 326 a [ed. 1867])
Loofmos, nagenoeg verouderd voor: bladmos (”Korst- en loofmossen”, Ned. Apoth. (ed. 1851) 61; ”De klasse der Loofmossen (Musci frondosi) met een bebladerden stengel”, WINKLER PRINS, Encyclop.² 11, 221 a)
Loofontwikkeling (”De verschillende loofontwikkeling van het hoofdgewas, de aardappelen”, Versl. Landb. 1919, 1, 26)
Loofperk (”Nu naken zij 't geboomt' …, zij (staan) hopend stil bij 't loofperk”, BOGAERS 1, 55 [1835])
Loofpluimage (”De boomnimf juicht, als 't vocht heur wortels drenkt, En schreit, als 't winterweêr heur loofpluimaadje krenkt”, BILD. 3, 11 [1793])
Loofpriëel (”'t Loofpriëel, van bloemengeur doortrokken”, V. LIMB. BROUWER Jr., Akbar 11 [1871]; ”Hoe de allengs grooter wordende loofpriëelen geplaatst dienden te worden”, SCHAUM, Gesch. d. Tuinkunst 81)
Loofrijk (”Hier ryzen heilige eiken, … Wier loofryke armen … Zich streng'len met hun kroon”, SCHERMER 247 [c. 1710]; ”Een loofrijk bosch”, NIEUWLAND, Nag. Ged. 104; ”Haarlems loofrijk hout”, HELMERS, Holl. N. 45 [ed. 1814]; ”Allen stapten de arduinen trap af en wendden zich naar het loofrijkste gedeelte des tuins”, CONSC. 3, 349 a [ed. 1868]); vandaar: Loofrijkheid (”Te groote loofrijkheid …, waardoor de knolaanzetting werd benadeeld”, Versl. Landb. 1914, 3, 72)
Loofrijkdom
Loofrol (”Loofrol. Een rol met loofwerk, (die de boekvergulders gebruiken)”, HALMA)
Loofsmal (”D'eel loof-smal Rosmarein”, SPIEGHEL 68)
Loofstil, bladstil; in Brab. nog bekend (”Loofstil. Tranquillus omnino: cùm ne frons quidem aut folium ab aëre ventóve mouetur”, KIL. [1588]. — ”'T werdt toen zoo loof stil dat men zich genoodtzaakt vondt het anker in den grondt te smyten”, BRANDT, De Ruiter 424 [ed. 1687]; ”De boomen stonden loofstil te droomen langs den weg”, VERSCHOREN, in Vlaanderen 2, 216; zie ook OUDAAN, Toneelp. 167; C. HUYGENS Jr., Journ. 1, 509 [1691])
Loofstrooien (KIL.: ”Frondare”)
Loofstrooper (”Loofstrooper. Qui oste les foeuilles, & esmonde les branches”, PLANT. [1573])
Loofstrooping (”Loofstroopinge, oft kuysschinge des loofs”, PLANT. [1573])
Looftent, loofhut; verg. loovertent bij LOOVER, Samenst. (STAMMETZ-LA BORDUS, Wisk. Wdb. 273 a [1740]; NIEUWBARN, Kerk. Hand-Wdb. 295)
Loofverdek (”Door 't loofverdek (kan) geen zon ons hier verrassen”, BILD. 3, 90 [1829]; ”Waar 't oog, omhoog, de sombre loofverdekken Doorglinstren ziet van 't heldre blaauw”, BOGAERS 2, 17 [1856]; ”Weldra zoeken vogels donkre plekjes, Waar een veilig nestje dient gesticht; Viert men bruiloft onder loofverdekjes”, BEETS 5, 2, 178 [1892])
Loofvernieuwend (”'t Bloemtjen heft zich op zijn stengel Onder 't loofvernieuwend hout”, BILD. 10, 202 [1827])
Loofvlek, bladvormige vlek (?) of vlek die tegelijk met 't loof zich vertoont, zomersproet (?) (KIL.: ”Lentigo”)
Loofvorming (”De stikstofhoudende kunstmestsoorten die door loof- en bladvorming te bevorderen, optreden met het meeste uiterlijk vertoon”, Onderz. Landb. 1886, 17, 17 [1890]; ”Planten met afwijkende loofvorming”, Versl. Landb. 1919, 1, 66)
Loofvorsch, waarschijnlijk een germanisme (mhd. loupvrosch, nhd. laubfrosch; verg. achterstaande aanhaling uit KIL.) voor: boomkikvorsch (”Loo-vorsch. j. loof-vorsch. Rubeta”, KIL. [1599]; ”Loof-vorsch. Germ. Sax. j. loockvorsch. Calamita: rana minima & viridissima”, KIL. [1599]; — ”De wortel van water wegbree … is seer goet den genen die … ghebeten zijn van den Loof-Vorsch”, DODON. 1041 b [ed. 1608]; ”Om nv van buyten daer op te leggen (t.w. op zeker gezwel) …, soo neempt … de olye van groene Loofvorschen”, BATTUS, Handb. d. Chirurg. 69 [1595])
Loofwinde, in een deel van Z.-Nederl. een naam voor de Akkerwinde, Convolvulus arvensis (PAQUE, Vl. Volksn. 237); enz.
— In de onder 2) genoemde bet. raapzaad. Loofbladeren (TEIRL., Z O Vl. Idiot. 218 b)
Loofbloem, in sommige streken van Z.-Nederl. een naam voor 't Barbarakruid, Barbarea vulgaris, waarvan de bloemen op die van rapen gelijken; verg. de bet. 2, c) (PAQUE, Volksn. 237)
Loofbocht, veld met rapen (”Loof-bucht. Fland. Napina, rapina”, KIL.)
Loofbot, bloemknop van raapzaad (DE BO [1873])
Loofboter, boter uit den tijd dat de koeien met raapzaad gevoederd worden (SCHUERM. 349 a [1865-1870]; TEIRL., Z O Vl. Idiot. 218 b)
Loofgroeze, de bladeren van raapzaad (DE BO [1873])
Loofgrond: die geschikt is voor rapenteelt (TEIRL., Z O Vl. Idiot. 218 b)
Loofjaar, jaar dat veel raapzaad oplevert (t. a. p.)
Loofland, hetzelfde als Loofgrond (t. a. p.)
Looflijster, een soort van lijster die 's winters raapzaad eet (t. a. p.)
Loofmande, een mand voor loof of raapzaad, en vervolgens ook voor andere gewassen; zulk een mand heeft een bepaalden inhoud: zoo gaan er volgens SCHUERM. [1865-1870] in 't Meetjesland vier loofmanden in een zak (”Hij zelf sleurde de zoogenoemde ”loofmande” met de aardappelen … naar het voor hen bestemde plekje in den tuin”, LOVELING, Idon. 54 [1891])
Loofmelk, melk uit den tijd dat de koeien met raapzaad gevoederd worden (SCHUERM. 349 a [1865-1870])
Loofmolen (SCHUERM. [1865-1870])
Loofspruit, uitspruitsel van raapzaad (DE BO [1873])
Loofstaal, Loofstabel, hoofdstengel van raapzaad (DE BO [1873])
Looftijd, tijd van het jaar dat er raapzaad is (TEIRL., Z O Vl. Idiot. 218 b)
Looftop (DE BO [1873])
Loofveld (TEIRL., Z O Vl. Idiot. 218 b)
Loofvore, zeer ondiepe vore voor raapzaad (t. a. p.); vandaar: Loofvoren, ww.
Loofweer, goed weer voor raapzaad (t. a. p.)
Loofzaad (b.v. STIJN STREUVELS, Minneh. 2, 61 [1903]); enz.
— In de bet. 3). Loofplant (”Loofplanten (Thallophyta), de eerste groote afdeeling in het stelsel van Endlicher. Het zijn gewassen die uit niets anders bestaan dan uit een celachtig loof, en bij welke men dus nog geene tegenstelling waarneemt tusschen wortel-, stengelen bladachtige organen”, C. DE JONG, Handwdb. 267 a [1869]; ”Daar men het bezit van een ”loof” slechts aan zulke gewassen toekent, bij welke stam en bladeren morphologisch niet te onderscheiden zijn, zoo worden de Wieren, Zwammen en Korstmossen te zamen wel eens Loofplanten geheeten, in tegenstelling … met … Stamplanten”, OUDEMANS en DE VRIES, Leerb. 2, 1 volg.).
— Als tweede lid. Berkenloof, bitterloof, boschloof, dakloof, dennenloof, donderloof, dubbelloof, eiloof, lenteloof, lindeloof, Parnasloof (zie die woorden of het eerste lid).
— Verder: Adderloof, in oost-Drenthe een naam voor de Adelaarsvaren, Pteris aquilina (HEUKELS 204 a [1907])
beetloof, beetwortels (DE BO [1873])
beukenloof
braakloof, raaploof dat in een koolzaadbraak en derg. gezaaid is (”Men zaait ook rapen na rapen, en dit wordt genaamd braak-loof”, V. AELBROECK, Landb. 207 [1823]; zie ook DE BO, Kruidwdb.)
breedloof, in zuid-Limburg een naam voor de Prei, Allium Porrum (HEUKELS 13 a [1907])
cichoreiloof, soort van raapzaad met bladeren welke op die van de cichorei gelijken (DE BO [1873])
cypressenloof (”De … met zwarte écharpes … versierde jonge meisjes, (bestrooiden) met palmtakken of eiken- en cipressenloof de kistjes”, PERK, Reünie en Uitv. 91)
harenloof (”De teêre gevoeligheid van het benedendeel van het, omgeven door de weelde van het haren-loof, vrucht-schoone menschenhoofd”, V. DEYSSEL, Verz. Opst. 9, 233)
huisloof, in verschillende streken een naam voor het Wit vetkruid, Sedum album, en het Huislook, Sempervivum tectorum (HEUKELS 232 b [1907]; HEUKELS 234 b [1907]; PAQUE, Vl. Volksn. 159)
kleenloof, hetzelfde als schietloof (Loquela (Wdb.) [1907])
kortloof, een soort van witte aardappelen (DE BO [1873])
kraailoof, op Z.-Bevel. en in ZeeuwschVlaand. een naam voor het Kraailook, Allium vineale (HEUKELS 14 a [1907])
lederloof, lederachtig loof (”Het tenger lederloof der teedere olijven”, SCHARTEN, in Gids 1918, 3, 400)
raaploof, raapzaad (”o Raaploof, dat, te winterwaard, zoo mooi, zoo malsch van blâren, den dooden stoppel groene dekt der milde koorenaren!” GEZELLE 6, 233)
schietloof, loof dat, laat in 't jaar gezaaid, overwintert en zonder rapen opgeleverd te hebben aan 't vee wordt gevoerd (Loquela (Wdb.) [1907])
selderieloof (”De stalen van 't duistergroene silderloof”, GEZELLE 6, 233)
stoppelloof, raapzaad dat onmiddellijk na den graanoogst op den akker gezaaid is (DE BO [1873])
tuinloof (”Tuinloof, dat voorts dort”, SIX V. CHAND. 556 [1657])
wijngaardloof, wingerdloof (”Wijngaerts loof afbreken”, PLANT. [1573]; ”Bacchus word met een krans van Wyngaard-loof geschilderd”, MARIN; ”Het gelende wingerdloof”, SCHARTEN, in Gids 1918, 3, 17)
winterloof, door N. BEETS als titel voor dichtbundels gebezigd
witloof, in Vlaand. een naam voor het loof van cichorei, witlof, brusselsch lof (PAQUE, Vl. Volksn. 420)
zegeloof (”In eeuwig onveranderd groenen, Verachten zy (dennen) de jaarsaizoenen, Met statig zegeloof omkranst”, BILD. 8, 77 [1800])
zetloof, raapzaad dat men zet of plant voor zaad (PAQUE, Vl. Volksn. 429); enz.
— In de bet. 4). Goudloof, zilverloof (”Goldtloof, oft siluerloof. Foeuille d'or ou d'argent &c.”, PLANT. [1573]).
Samenst. afl. Omloofd (zie ald.).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1921.