Koppelingen:
Vorig artikel: LOOIDAG Volgend artikel: LOOIEN II
Etymologie: EWN
GTB Woordenboeken: MNW

LOOIENI

Woordsoort: ww.(trans.,zw.)

Modern lemma: looien

bedr. zw. ww. Mnl. loyen (waarnaast louwen). Van mnl. lo, run, mnd. , ohd. mhd. , nhd. lohe, waarvan de oorsprong onzeker is.
1.  Eig. Van dierenhuiden: ze, nadat zij zekere voorbereidende bewerkingen hebben ondergaan, met plantaardige, dierlijke of minerale stoffen zoodanig behandelen dat zij in leder overgaan. Ook met leder als object.
Loyen. Holl. Sicamb. j. tanen, tannen,   KIL. [1599].
— Iuchten, Spaans, Turks, en Kamoes-Leer, dat met Run niet geloit of gaar gemaakt is,   Handv. v. Amst. 1282 a [1698].
Terwijl de op alle velden groeijende Kamillen veel looijende stof bezitten,   BERKHEY, N.H. 8, 467 [1810].
Wanneer men de huiden tot zoogenaamde Ruggen wil looijen,   Handw. 4, 7 [1789].
Als de schaapvellen uit de kalkkuip koomen, worden de besten uitgezogt voor Zeemleêr, en de slechtsten worden Wit gelooid,   4, 47.
De looiende stoffen (looizuren, aluinaarde-zouten, vetten), die, door osmose, in de huid dringen, omringen de vezels daarvan, blijven bij het drogen, aan de oppervlakte achter …, en beletten het aaneenkleven,   KRECKE, Chem. Technol. 561 [1881].
Bij de zeemtouwerij worden huiden van groot wild, schapen en kalveren, soms ook ossenhuiden, door middel van vet of traan gelooid, en in zeem- of waschleder … veranderd,   568.
Om … de bloot buigbaar, rekbaar, lenig en bestand tegen water en bederf te maken wordt het looien toegepast,   EVERWIJN, Handel en Nijverh. 452 [1912].
+2.  Bij uitbreiding worden de voorbereidende bewerkingen (weeken, schoonmaken, drijven), en het touwen dat na het eigenlijke looien plaats heeft, onder dien naam mede begrepen.
Alsoo de Steden staende zijn op Neeringen, en de Dorpen op Landt-eylinge, soo versoecken de Remonstranten geoctroyeert te wesen, datmen op de Dorpen ende platte Landen buyten de Steden niet en sal mogen brouwen, weven,drapperyen noch loyen,   Gr. Placaetb. 4, 17 b [1525].
Dat een Gilde-broeders Sone, die in 't Schoen-makers ofte Huyde-koopers Gilde begeert te wesen, sal geven vier gulden, ende indien hy Loyen wil acht gulden daer en boven,   Handv. v. Amst. 1275 a [1603].
Men onderscheidt, bij het looien met run, de volgende bewerkingen: 1°. Het weeken der huiden … 2°. Het schoonmaken. … 3°. Het verwijderen der haren of blooten. … 4°. Het drijven. … 5°. Het eigenlijke looien. … 6°. Het opmaken of touwen,   KRECKE, Chem. Technol. 562 [1881].
Afl. Looier, looiing (zie die woorden).
— Verder: Looi, run (”Loye, louwe. Sicamb. Holl. j. tanne, KIL.; ”Looi, ook Run. Fijngemalen eikenbast, waarmede men leder bereidt”, ZWIERS 2, 38 b [1920]); vandaar: looierig (”Deze, van Amerika afkomstige soort (tabak) …, is meestal zwaarmoedig en looierig, zelden hoppig, rookt zeer scherp en is heet in de keel”, BERTRAM, Sigaren-fabr. 90), en looiafval, afgewerkte run (V. DALE)
ontlooien (”Daar dit leder (zeemleder) door water niet ontlooid wordt en derhalve zonder nadeelig gevolg gewasschen kan worden, noemt men het ook wel waschleder”, Vivat's Encyclop. 4850 a).
Samenst. Looizuur (zie ald.).
— Verder: Looigaar, het eigenlijke looien ondergaan hebbende (”Wurtemberg heeft … fabrijken, die looi- en witgaar leder, saffiaan, enz. … uitvoeren”, Ned. Handelsmag. 676 b [1843])
Looikuil (”Ingezet ossen en koeleder is, zoodanig leder, hetwelk in den looikuil (6—8 weken) gelooid is geworden”, Ned. Handelsmag. 675 b [1843]; ”Kuilen of looikuilen zijn waterdichte bakken van eikenof vurenhout, die in den bodem ingegraven zijn; soms worden zij vervangen door ronde kuipen”, Vivat's Encyclop. 4849 b)
Looikuip (”Dat van nu voortaan niemand … binnen de Stad van Utrecht … eenige vulderyen, verweryen, looykuypen … sal mogen oprechten”, Utr. Placaatb. 3, 776 b [1581]; zie ook een voorbeeld Dl. VIII, 516)
Looimateriaal (”Sterkere looimaterialen als valonea, myrobolanen” enz., EVERWIJN, Handel en Nijverh. 453 [1912])
Looimethode (”Van de drie looimethoden komt die met plantaardige looistoffen het meest voor”, EVERWIJN, Handel en Nijverh. 453 [1912]); vandaar: kuiplooimethode (”De gemengde kuiplooimethode, waarbij sterkere vochten … worden gebruikt”, t. a. p.)
Looimiddel (”Looizuurhoudende houtsoorten en andere looimiddelen”, Versl. Handel, Nijverh. en Scheepv. 1912, 62; zie ook een voorbeeld bij LOOIZUUR)
Looinat (EVERWIJN, Handel en Nijverh. 454 [1912])
Looiproces (”Nadat door het looiproces de bloot in leder is omgezet”, t. a. p.)
Looiput, verachtelijke benaming voor Looikuil of Looikuip (”De schoe, daer ghy uw voet verwaerdigt in te steeken, Was eerst een stinckend vel: ick derf 'er niet van spreecken Hoe lelijck dat het was doe 't eerst te voorschijn quam Als het de loyer uyt sijn vuyle loy-put nam”, WESTERBAEN, Ged. 2, 717 [1665])
Looisap (CORN.-VERVL. 2248)
Looischors
Looistof, 1°. een der stoffen die een huid tot leder doen overgaan, ook looizuur en tannine geheeten (”Dennenschors … bevat minder looistof dan de eikebast”, KRECKE, Chem. Technol. 564 [1881]; zie ook een voorbeeld bij LOOIZUUR); 2°. een stof, materiaal, welke geschikt is om bij het looien te worden gebruikt (”Plantaardige looistoffen”, EVERWIJN, Handel en Nijverh. 453 [1912]; ”Bij de witlooierij gebruikt men in den regel dunne huiden; men maakt daarbij ook wel gebruik van chroom als looistof”, ZWIERS 2, 13 b [1920]); vandaar: Looistofhoudend (”Het looien … geschiedt … a. met run …; b. in aftreksels van looistofhoudende lichamen, en c. door snellooien”, KRECKE, Chem. Technol. 564 [1881]), Looistofoplossing (”De achtereenvolgende bewerkingen, die de huid ondergaat, bestaan in: het zouten …, het weeken …, het doen zwellen (in steeds sterker wordende looistofoplossing)”, ZWIERS 2, 13 a [1920]), en: Looistofzuur, looizuur (”In beide (t.w. in de vruchtschillen en de bladeren van de groote noten) is bitterstof, looistofzuur en scherpe vette olie”, Ned. Apoth. (ed. 1851) 178)
Looitijd (”De meer modern ingerichte kuipbedrijven met korter looitijd”, Versl. Handel, Nijverh. en Scheepv. 1912, 263)
Looivloeistof (KRECKE, Chem. Technol. 565 [1881]); enz.
— Als tweede lid. Aanlooien, beginnen te looien (”Tegenwoordig worden dikwijls beide methoden (het looien in den kuil en het snellooien) gecombineerd; daarbij worden de huiden eerst in runvocht aangelooid en voorts in den kuil uitgelooid; zoodoende verkrijgt men in betrekkelijk korten tijd een goede soort leer, dat het geheel in den kuil gelooide leer dicht nabijkomt”, Vivat's Encyclop. 4850 a)
uitlooien, tot het einde toe looien, gaar looien (zie een voorbeeld bij aanlooien)
uitgelooid, aan 't einde van zijn looiende werking gekomen (”Kif (uitgelooide Run)”, Handw. 4, 9 [1789].
Samenst. afl. Leerlooier, leerlooierij (zie die woorden).
— Verder: Aluinlooierij (”Heeft het (het looien) plaats, door middel van aluinaardezouten, dan heet het wit- of aluinlooierij”, KRECKE, Chem. Technol. 560 [1881])
chroomlooierij (”De mineraallooierij, bij welke minerale looistoffen worden gebruikt, heeft twee methoden die op groote schaal worden gevolgd, n.l. de aluin- of witlooierij en de chroomlooierij”, Vivat's Encyclop. 4850 b)
korduaanlooierij (”De vroeger beroemde … korduaan-looijerij van Spanje levert tegenwoordig niets meer tot den uitvoer”, Ned. Handelsmag. 676 b [1843])
mineraallooierij (zie een voorbeeld bij chroomlooierij)
roodlooierij (”De rood- of runlooierij heeft de bereiding van rood- of rungaar leer ten doel”, Vivat's Encyclop. 4849 b)
runlooierij (”Geschiedt het looien, door middel van looizuurhoudende stoffen, dan noemt men het runlooierij”, KRECKE, Chem. Technol. 560 [1881])
witlooier (”De Witlooijer looit alle de weeke, zagte en lenige Leêrzoorten, welke meerendeels tot kleeding gebruikt worden”, Handw. 4, 39 [1789])
witlooierij, als naam voor de werkzaamheid en voor de inrichting waar deze plaats heeft (”De Witlooijerij is de bereiding des Leêrs, zonder Run, door middel vanAluin, Zout, enz. ”, Handw. 4, 2 [1789]; ”Aluingaar, witgaar, hongaarsch leder. … Deze toebereiding noemt men witlooierij, en er worden daartoe voornamelijk zwakke reevellen, elandsdieren rendierhuiden, schapen-, lams-, kalfsen hondenvellen … genomen”, Ned. Handelsmag. 676 a [1843]; ”Fransche, Hongaarsche witlooierij” (KRECKE, Chem. Technol. 567 e.v. [1881]); — ”In de witlooierijen en marokijnfabrieken”, KUYPER, Technol. 2, 396)
zeemleerlooier (Handw. 4, 39 [1789])
zeemleerlooierij
zeemlooier (Handw. 4, 73 [1789])
zeemlooierij (”Naar gelang een dezer middelen (run, aluin of traan) wordt toegepast, spreekt men van runlooierij, witlooierij of zeemlooierij”, ZWIERS 2, 13 a [1920])
zoolleerlooierij (Versl. Handel, Nijverh. en Scheepv. 1912, 263); enz.
Koppel. Snellooien (”Verschillende wijzen van snellooien zijn in gebruik. … Door … hydrostatische drukking wordt de (looi)vloeistof door de huiden geperst. … De huiden (worden) snel met de looivloeistof doortrokken, door de lucht te verwijderen”, KRECKE, Chem. Technol. 565 [1881]; ”Vooral het snelgelooid leder zou zich zeer goed leenen tot … verzwaring”, Versl. Handel, Nijverh. en Scheepv. 1912, 266); vandaar: snellooierij, het snellooien, en de inrichting waar dit plaats heeft (”Door de invoering der snellooijerij … zijn de engelsche ledersoorten … goedkooper dan de fabrikaten … op het vasteland”, Ned. Handelsmag. 676 b [1843]; — ”Het gewone (looi)proces duurt 12 tot 15 maanden; in snellooierijen wordt op verschillende wijzen de duur bekort”, ZWIERS 2, 13 b [1920]); en: snellooimethode (”Deze methode (t.w. de vatlooiing) is de z.g. snellooimethode, die dit voordeel heeft, dat zij toelaat op grootere schaal te werken dan bij de kuipmethode, die meebrengt, dat een groot kapitaal aan huiden lang onvruchtbaar blijft”, EVERWIJN, Handel en Nijverh. 453 [1912]).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1921.