Koppelingen:
Vorig artikel: MAAR I Volgend artikel: MAAR III
GTB Woordenboeken: MNW

MAARII

Woordsoort: znw.(v.,o.)

Modern lemma: maar

znw. vr. en onz. Mnl. mare (VERDAM), ofri. mar (RICHTHOFEN), oostfri. maar (BERGHAUS en DOORNK.-KOOLM.); verg. fr. mare (dat wellicht aan het Germ. ontleend is); volgens KLUGE (in PAUL, Grundr.² 1, 340) uit lat. mare; volgens anderen verwant met meer (zie ald.).
Eene benaming voor verschillende soorten van wateren: in het Friesch en in de Noordelijke provinciën beteekent het woord gracht of afvoerkanaal (zie b.v. STRATINGH en VENEMA, Dollard 20, waar van het Hondshalstermaar sprake is, en NOORDEWIER, Hoofdst. u. h. Lev. o. V. 13); in den Eifel als naam voor kleine ronde meren in de kraters van uitgedoofde vulkanen (zie KRECKE, Natuurk. Aardrijksk. 386); meer algemeen, doch thans verouderd, is de beteekenis moeras, stilstaand water (zie Teuthon. 166 en KIL.). Verg. ook plaatsnamen als Maerlant en Alkmaar.
Ick (kan) met niet bedencken wat die 800 (soldaten) in Clausenburg sullen maken, daerom maer een maer is, sonder flanque ofte iet anders,   V.D. GOES, Briefw. 1, 144 [1661].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1904.