Door gebruik te maken van de GTB gaat u akkoord met de Eindgebruikersovereenkomst.

Koppelingen:
Aanvulling
Vorig artikel: MALEM Volgend artikel: MALEN II
Etymologie: EWA, EWN
GTB Woordenboeken: MNW

MALENI

Woordsoort: ww.(trans.,st.,zw.)

Modern lemma: malen

bedr. ww., vroeger: moel, gemalen. thans: maalde, gemalen. Mnl. malen (VERDAM 4, 1060), got. malan enz. De verschillende verwante vormen behooren tot twee Indogermaansche stammen: mel-, mol-, en melw-, molw- (verg. UHLENBECK, Etym. Wtb. d. got. Spr.² 57 en 105). Verg. verder woorden als Meel, Molen, Molm, Moude, Mul.
+1.  Verbrijzelen, in het algemeen. Thans verouderd.
Een Hamer die de steenen ontstucken maelt,   MARNIX, Byenc. 1, 2  (bl. 21 a).
Ick … stampte 't (zeker voorwerp), malende het wel, tot dat het verdunt wert tot stof,   Statenb., Deut. 9, 21 [ed. 1688].
Als een potscherf … gemaelt,   HONDIUS, Moufe-schans 385 [1621].
De steenen …, gebryselt en gemaelt,   D. HEINSIUS, Lofs. v. J. C. 48.
Dat Kadmus hof Nu instorte …, gemaelt tot gruis en stof,   VONDEL 11, 428 [1671].
Een rots aan gruis te maalen,   SIX V. CHAND. 273 [1657].
De kanonnen …, Dooden en levenden al te gelijk Malend en morzlend tot lillende slijk,   V. BEERS 2, 301 [1868].
+2.  In het bijzonder: fijnmaken door middel van een molen, die met de hand of althans door de lichaamskracht van een mensch wordt bewogen.
Soo moet mijne huysvrouwe met (in de Leidsche Vert. voor) eenen anderen malen (t.w. als zijne slavin),   Statenb., Job 31, 10 [ed. 1688]  (TROMMIUS o.a. heeft deze plaats blijkbaar verkeerd opgevat: verg. VERDAM 4, 1061).
Neemt den meulen, ende maelt meel,   Statenb., Jes. 47, 2 [ed. 1688].
Daer sullen twee vrouwen malen in den meulen,   Statenb., Matth. 24, 41 [ed. 1688].
(De pottenbakkersklei) word … in een daar toe gemaakten Molen gemaalen,   BERKHEY, N.H. 2, 278 [1769].
Zy is als gemaalen peper, Of ik loof nog eens zo fyn (zegsw.),   WOLFF en DEKEN, Econ. L. 2, 243 [1781].
't Malen van de koffieboontjes,   ST. STREUVELS in Vlaanderen 1, 441.
+3.  Fijnmaken door middel van een molen, die hetzij door een paard of een ezel, hetzij door water, wind of stoom wordt bewogen.
4.  In toepassing op het uitslaan van polderwater door middel van watermolens.
Dat zyn Groot Vader die Watermolen aldereerst gemalen hadde,   LEEGHWATER, Chron. 7.
Alle de Polders, die in Zuit Hollant leggen, die op de Schie en Rotte malen enz.,   LEEGHWATER, Haarlemmer-Meerb. § 146.
Sonder dat Rijnlant eenighen anderen boesem heeft, daer op 't Water werd ghemalen,   COLEVELDT, Bedenck. 2.
De Purmerheer bedanckt den wint, en watermolen, Die water maelt tot lant,   VONDEL 9, 401 [1662].
5.  In toepassing op het ronddraaien van de molenwieken, zonder dat aan de eigenlijke bewerking van het malen wordt gedacht.
Ik zie de molens malen, er is dan toch nog een zuchtje (een windje).   poëem WNT
6.  In toepassing op het draaien van de schroef eener boot.
De stoomboot gaat vertrekken, hij begint te malen,   JOOS 420 a [1900-1904].
Afl. Maalbaar (CORN.-VERVL.)
maalder (verg. MULDER), molenaar (”Hoe gaet het toch … Met Pieter de wasser en met Jan de neyer? Met Marckis de schuurder en Luyt de maalder?” BREDERO 1, 258 [c. 1612]); vroeger soms voor maaltand (”De Kiezen of Maalders (worden verdeeld) in voorsten en agtersten” (t.w. bij de paarden), BERKHEY, N.H. 4, 1, 96 [1779]); daarnaast maalster, eene vrouw die maalt (Pred. 12, 3)
maalderij, vroeger o.a. een term voor maalrecht (verg. bij VERDAM malerie en bij STALLAERT malerij en daarnaast malage en andere vormen) (”d'Inninghe … van 't Recht vande Maelderye van 't Graen”, Vl. Placcaertb. 3, 1488 [1683]; ”Den Commys vande Maelderye deser Provincie”, Ald.)
malerij komt ook voor als naam voor dat deel van eene fabriek waar iets (b.v. cacaoboonen) gemalen wordt (Handelsbelangen 1891, 534 a)
maling (zie ook VERDAM), het malen (b.v. met de tanden: Pred. 12, 4); ook in een molen (”Fijne maling” (b.v. van cement); bij DE BO [1873] voor: gemalen of gebroken graan enz. als voeder voor paarden en vee; ook voorkomende voor maalloon (”Men (moet) hem … wachten twee maelinghen van eenen sack te nemen”, DE SMIDT, Winckel 182)
bemalen, zie Dl. II, kol. 1756; in andere opvatting in de volgende plaats (”Een Moolen … tot het breecken en bemalen van haer Graen”, Gr. Placaetb. 4, 1101 a [1681]
gemaal, vermalen, ongemalen (zie die woorden).
Koppel. 1°. Met een znw. Graanmalen (”De werktuigen voor 't graanmalen”, GROTHE, Mechan. Technol. 455 [1879])
grutmalen (zie ald.); evenzoo kan men andere dergelijke verbindingen als koppelingen beschouwen.
2°. Met een bnw. Doodmalen, droogmalen, fijnmalen, hoogmalen, leegmalen, vlakmalen, witmalen: zie bij het eerste lid.
Samenst. In de bet. 1). Maaltand, kies (”De tanden zijn … achter-waerts breeder en plat, om de spijse te maelen: waer van sy oock int Latijne hoeren naem hebben, te weten, molares, maeltanden”, DAVID, Waers. 170; ”Zware en harde maaltanden of kiezen”, Alb. d. Nat. 1862, 1, 324 [1862]; verg. bij V. BEVERW., Schat d. Onges. 2, 24 a [1642]: molentand).
— In de bet. 3). Maalbak, in papierfabrieken benaming der bakken waarin het half- en heelgoed wordt gemalen (zie Gr. Volk. Moolenb. 1, pl. XVI; KUYPER, Technol. 2, 600 en 604)
maalgang (voor de bet. van het tweede lid verg. Gang (I), II, 4), soms voor molensteen (zie b.v. GROTHE, Mechan. Technol. 455 [1879]); bij COOPMAN, Steenb. 44 echter: een ”maaltuig met twee overeind of te lood staande steenen”
maalgast, molenaarsknecht (CORN.-VERVL.)
maalgeld
malegewin, het meel dat molenaars achterhouden als loon voor het malen (W.-Vl.: Loquela 10, 4 [1890])
maalgroef, benaming der groeven op de maalvlakte der molensteenen (GROTHE, Mechan. Technol. 462 [1879])
maalinrichting (451); kanjel, voor Limburg opgegeven in den zin van: bak of lade die het water naar den molen voert, bij door water gedreven molens; het tweede lid is het in het Hd. in verschillende vormen zeer verspreide känel, kennel, kengel, enz. goot, dakgoot, pijp enz. reeds vroeg uit het Rom. ontleend; verg. lat. canalis (zie D. Wtb. 5, 160 en 530)
maalkant, ”de kant van den kerf eens molensteens, die het graan maalt” (CORN.VERVL.); vandaar het ww. maalkanten, de maalkanten scherpen (Ald.)
maalloon (”'t Reglement en taux op het Maalloon voor de Molenaars”, Friesch Placaatb. 3, 1072 (a°. 1567); ”Het Maal-loon van een zak zaad was een oortjen”, LEEGHWATER, Chron. 11; ”'t Maalloon van de Rogge tot 3 stuiv. de zak”, ZORGDRAGER, Groenl. Vissch. 331 [ed. 1727]; ”Reglement op de zetting van het Brood en het Maalloon”, Bijv. Stbl. 1825, 2, 210)
maalpeil, bij door water gedreven molens: de hoogste stand waarop het bovenwater mag worden opgezet (zie voor maalloon en maalpeil ook beneden)
maalrecht
maalsteen, b.v. in grutterijen: de steen waardoor het meel gemalen wordt nadat de grutten in den grutsteen gebroken zijn (”Eene Grutterij te Utrecht … met twee paar Maalsteenen, Builkisten, Breeksteen en Waaijers”, Haarl. Cour. v. 18 Febr. 1857; zie over de maalsteenen in een korenmolen: HARTE, Molenb. 22 [1849])
maalstoel (zie STOEL)
maaltuig (COOPMAN, Steenb. 44)
maalvlak of maalvlakte, benaming der op elkander werkende vlakten der molensteenen (GROTHE, Mechan. Technol. 460 [1879] en GROTHE, Mechan. Technol. 461 [1879])
maalwerk, maaltoestel (a. w. 400 en 463)
maalzolder, waar zich de maalsteenen bevinden. Verg. ook MAALSTEDE.
— In de bet. 4). Maalloon (”Ingeval … de Stad den molen, molenaarshuizing en maalloon zoude moeten blijven onderhouden en bekostigen”, bij V. D. PAAUW, Verversch. 141); ook als naan voor eene soort van polderbelasting
maalpeil (of molenpeil), bij poldermolens: de hoogte van het boezemwater, bij welke het opmalen moet gestaakt worden (”Reglement voor het Maalpeil op den boezem van het Hoog-Heemraadschap van Amstelland”, Bijv. Stbl. 1844, blz. 291; zie b.v. nog G. DE VRIES, Dijksen Mb. 557; BEEKMAN, Ned. a. P. 109 [1884]; N. Rott. Cour. v. 8 Aug. 1903)
maalsluis (zie HARTE, Sluisen Molenb. 7 a)
maaltijd, de tijd gedurende welken gemalen wordt.
— Als tweede lid. Afmalen, doormalen, opmalen, overmalen, uitmalen (zie die woorden of het eerste lid).

Aanvulling bij MALENI

Samenst. Maalboom, in de volgende aanh. wsch.: de zware, verticale as die de draaiende beweging van de horizontale, met de wieken verbonden wentelas overdraagt op het werk (18, b).
Achter mij stond het reuzig gevaarte van den molen …. Deze was een groot houten getrek op een vier-beenigen staander waar in 't midden den maal-boom stak,   V.D. WOESTIJNE, Proza 88 [1908].
Maalgeld.
1°. De prijs voor het malen van zekere hoeveelheid graan.
  V. DALE [1872 ].
Maalgeld, maalloon. …: in vroegere tijden berekend per hoed, later per hectoliter, nu per honderd kilogram,   RONSE, Windm. 164 b [1934].
2°. De prijs voor het droogmalen van een polder.
Voorts wordt voor de droogmakerij geheven f 1560 als maalgeld en f 3950 algemeen poldergeld,   Onderz. Landb. 1886, 27, 6 [1890].
Maalkolk, vaart, sloot, kanaal voor afwatering.
Beide molens zijn vijzelmolens …. De laatste slaat het water uit op de maalkolk van den Binnenpolder,   G. DE VRIES, Zeew. 461 [1864].
Maalrecht, hetz. als maalgeld, maalloon.
  V. DALE [1872 ].
Maalwind, molenwind.
Maalwind, molenwind. Wind van voldoende kracht om den molen behoorlijk in gang te houden,   RONSE, Windm. 164 b [1934].
— De polder kan toch niet boven peil komen te staan terwijl er een goede maalwind is?   OOMS, Watermolen 115 [1940].
Omdat er veel te malen was, bevond zich de mulder bij een goede maalwind vrijwel altijd op de molen, vooral als de nieuwe oogst binnen was,   BICKER CAARTEN, Molen 26 [1958].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1904.