Door gebruik te maken van de GTB gaat u akkoord met de Eindgebruikersovereenkomst.

Koppelingen:
Vorig artikel: MALEN I Volgend artikel: MALEN III
GTB Woordenboeken: MNW

MALENII

Woordsoort: ww.(intr.,trans.)

Modern lemma: malen

onz. ww. (soms bedr. gebruikt). Draaien, en verder mijmeren, zeuren, zaniken. Deze beteekenissen zijn waarschijnlijk uit die van Malen (I) ontstaan, t.w. door vergelijking met de draaiende beweging van een molen. In de algemeene taal is dit begrip draaien vooral toegepast op zaken die ”iemand in het hoofd malen” (zie de bet. 2). Daarmede staat in verband de bet. mijmeren, suffen; en het is niet mogelijk hiervan af te scheiden de bet. revelen, zaniken, zeuren (sommigen willen malen in dezen zin in verband brengen met got. maþljan, onr. mǽla enz.). Een eenigszins anderen overgang van beteekenis vindt men b.v. bij russ. molotĭ, dat behalve verbrijzelen ook draaien aanduidt (b.v. molotĭ chwostom, van een paard gezegd) en bovendien babbelen, kletsen (molotĭ jazykom; molotĭ wzdor).
In Zuid-Nederland is dit woord (behalve gewestelijk in de bet. 1) niet of weinig gebruikelijk.
+1.  Draaien; in de algemeene taal thans weinig of niet gebruikelijk (verg. echter de afl. maling en eenige samenst.).
Heeft d'Arend snel, Een schoone Griexsche Meyd Besind, bemind, Jae, vaeck om haer gedaeld, Van daer de Sonne praelt, En om haer heen gemaeld!   STARTER 216.
Het sij wij seggen, dat de stroom maald, of dat sij draaid of weld, het is al een beteekenis,   V. WINSCHOOTEN, Seeman 150 [1681].
Maelstroom, Een stroom die maeldt of draeit,   Woordenlijst achter MEERMAN, Com. Vet.  (ed. 1718).
Het is te zien hoe dat het zal draaien en malen (fr. quelle tournure prendra l'affaire),   DE BO [1873]
 (verg. bij DOORNK.-KOOLM. 2, 568 a: ”de wind mâld wat herum; 't water, de stof mâld in 't runde; 't mâld all' mit mî in 't runde”) .
2.  Van iets waarover iemand veel mijmert en dat hem niet uit het hoofd raakt, zegt men dat het hem in het hoofd maalt.
My is voor desen eens verhaelt En 't leyt my noch in 't hooft en maelt Hoe enz.,   CATS 1, 246 a [1625].
Ey swijgt dog Roosje, 't is gedwaelt, Wat leyt u in het hooft en maelt?   CATS 1, 271 c [1625].
's Mans deught en dapperheit …, zijn spraeck en wezen maelt En hangt haer in het hooft,   VONDEL 8, 362 [1660].
Dat lag mijn noch inde cop en maelde,   V. SANTEN, Lichte Wigger 12.
Ick hebber te nacht niet af kunnen slapen, soo hettet my inde kop om emaeld,   STARTER 437.
Wanneer iets van gewigt hem maelde door de sinnen,   DROSTE, Overbl. 174.
Uw Brief maalde my zo door 't hoofd, dat ik enz.,   WOLFF en DEKEN, Burg. 286 [1782].
Dan maalt het my door 't hoofd, als had ik iets gehoord,   BILD. 4, 338 [1821].
Die grillen, die je … door 't hoofd malen,   V. LENNEP, K. Zev. 4, 359 [1865].
Op het oogenblik, dat haar die muizenesten … door het hoofd maalden,   POTGIETER 1, 43 [1845].
3.  Ook de gedachten, de zinnen, het brein, het hoofd kunnen onderwerp zijn.
In 't holste van de nacht, als vee en menschen slapen …, Dan leyt mijn besig hert, mijn deusig hooft en maelt,   CATS 2, 57 b [1635].
Soo maalen, en dwaalen, Myn sinnen, door 't minnen,   V. HEEMSKERK, Arc. 125.
Eer des Vorsten brein noch aflaet van te malen,   DE DECKER 1, 54 [1656].
't Runnend bloed ontvloeit uw' schedelwonden, Uw malend brein bezweek,   BILD. 9, 43 [1807].
+4.  Vandaar de beteekenis: overdenken, mijmeren, nare gedachten of muizennesten in 't hoofd hebben enz., met een persoon als onderwerp.
Waer op de jonge Vorst stont langen tijt en maelde,   CATS 2, 204 b [1635].
(Hij) sit en peynst met een inwendigh malen, Hoe hy enz.,   BREDERO 3, 336 [161.].
Hy leit het vast by zich zelven over, dan dus, dan zoo, en maelt en hermaelt al wat hem voor komt, dat hem het hooft omzwindelt,   VONDEL 5, 212 [1646].
Sextus leyd en maelt by dagen en by nachten,   PERS, Lucretia 11.
So maeld' hy in sich self: is Christus een Propheet?   PERS, Jonas enz. 89.
Woelende en malende met een boose genegentheydt,   ERASMIUS, Op. Posth. 2, 21.
'k Lig uren lang te draaien en te malen Tot 'k inslaap,   BEETS 1, 395 [na 1836].
5.  Absoluut gebruikt: suffen, niet goed bij zijn verstand zijn.
Fy toch! alle menschen dolen. 'k Wedje nergens umment haalt, Of hy malt, of mordt, of maalt,   V.D. VENNE, Taf. v.d. B.W. 65 [1635].
Dampen … Die in het herssen-huys door warmten opgesteegen Den menschen maelen doen, en mallen,   WESTERBAEN, Ock. 154 [1653].
Den miskenden vaderlander, schier malend op het punt dat een ieder … het er op toelegde hem te … grieven,   BUSKEN HUET, Rembr. 2, 2, 165 [1884].
Meneer zei … dat ze van tijd tot tijd malende was,   DAUM, Raad v. I. 278 [1888].
+6.  Vandaar: revelen, zaniken, zeuren (niet altijd duidelijk te onderscheiden van de bet. 4 of 5).
Hoort sy my boerdelick couten by wylen, Soo seyt sy dat ick male buyten der mylen,   Dboeck d. Amoreush. 105.
Men prijst haer leden …, Haer aensicht blanck en klaer …; Ey! waer toe dus gemaeld? Sijnse mooy, dat weten sy Selver, ruym soo wel als wy,   STARTER 68.
Gaet heen, niet lang te malen,   DULLAART, Orat. en Mask. 29.
Zy (t.w. mijne vrouw) (maalt) my met het schoonmaken aan men kop,   WOLFF en DEKEN, Leev. 1, 194 [1784].
Men rijdt reeds met narren op het Y. Koo maalt alle dagen, dat ik toch eens mee moet,   LOOSJES, Bronkh. 1, 226 [1806].
Wat maal je toch?   V. ZEGGELEN 1, 59 [1838].
Ach, malle vent, leg niet te malen,   V. ZEGGELEN 1, 59 [1838].
7.  Zich op eene leuterende, zeurige manier met iets bezighouden, het niet met rust laten.
Maal toch niet zoo aan dat ding, je zult het breken. Hij maalde aldoor aan zijn horlogeketting.   poëem WNT
— De min … begint zoo wat met het kind te malen, zoo als de vrouwen wel meer doen,   FOKKE, B.R. 3, 218 [1805].
Hij maalde aan mijn beste penselen zoo, met ze bijna haartje voor haartje schoon te maken, dat de penselen … geheel leeg ruiden,   LOOSJES, Bronkh. 1, 53 [1806].
Afl. Maling (zie ald.)
maalachtig, tot malen of zeuren gestemd, gemelijk, landerig (”Ik ben, zedert gisteren, ongemaklyk, onrustig, maalagtig, ziek”, WOLFF en DEKEN, Burg. 112 [1782]; ”Niet meer … in de Koffyhuizen verkeerende …, en evenwel nog te maalagtig, om by zich zelf te kunnen blyven”, WOLFF en DEKEN, Leev. 5, 138 [1785])
malerij (”Stokebrand van malerijen! Leugengeest!” V. ALPHEN 1, 116 [1772]).
Samenst. In de bet. 1). Maalkringloop (BILD. 12, 350 [1827])
maalsteen, bij KRECKE, Nat. Aardrijksk. 479: zekere steenen (in gletschers) die eene draaiende beweging hebben
maalwiel, ronddraaiend wiel (”Dat dat maalwiel, eens aan 't gaan, Niet meer weet van stille staan, Maar zich omdraait rad, en radder”, OUDAAN, Poëzy 3, 497)
maalzand, welzand, loopzand (zie bij die woorden) (”De dijk … is op verscheidene plaatsen uit te veel maal- of welzand zamengesteld, liggende de grond, als met den kruiwagen zamengekruid zijnde, … tevens zeer los op elkander”, Vaderl. Letteroef. 1837, 2, 500); verg. ook Maaldrift, naam van een boezemland te Voorschoten (V. DISSEL, Reg. v. Plaatsnamen in Rijnl. 37).
— In de bet. 3). Maalziek (een) ”suf en maelziek brein”, DE DECKER 1, 192 [1666]).
— Als tweede lid. Ommalen (zie ald.).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1904.