Koppelingen:
Vorig artikel: MASTBOOM Volgend artikel: MASTDARM

MASTBOSCH

Woordsoort: znw.(o.)

Modern lemma: mastbos

— soms MASTENBOSCH —, znw. onz.
+1.  Eigenlijk: een bosch van mastboomen.
Het steile mastbosch heft zyn' schedel naar den hoogen,   V. WINTER, Jaarg. 161.
Het lommerrijk mastbosch,   COURTM.-BERCHM., Gesch. v.d. J. 13 [1864].
Er werden ploegen … ingericht, om hout uit het mastbosch te halen. … Honderden mannen kwamen ieder met eenen sparreboom naar het bivak gesleurd,   CONSC. 1, 113 b [ed. 1867].
Eens in het mastenbosch, kunt gij u veilig verwijderen,   SLEECKX 9, 102 [1864].
2.  Oneigenlijk gezegd van de in den grond geheide palen waarop b.v. Amsterdam gebouwd is.
Amsterdam (is) … het verkeerd mastenbos van iemand genaamd,   V. WINSCHOOTEN, Seeman 153 [1681].
Dat Amstels Beurs kon wank'len noch vergaan; … Schoon 't mastbosch, dat haar schraagt, in 't hart der aard' moog' beven,   LOOTS, De Beurs 12.
3.  In eene andere gewone beeldspraak: een ”bosch van scheepsmasten”.
Den brant van 't mastbosch (bij een zeeslag),   VONDEL 6, 155 [1653].
't Mastbosch om de stadt (t.w. in de havens van Amsterdam),   VONDEL 6, 684 [1655].
In uwe havens heft een mastbosch zich omhoog,   V. WINTER, Jaarg. 82.
't Mastbosch met zijn breede raas Rees langs de kaden (te Amsterdam),   MEYER, Heemsk. 16 [1848].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1904.