Door gebruik te maken van de GTB gaat u akkoord met de Eindgebruikersovereenkomst.

Koppelingen:
Vorig artikel: MATSCHUDDING Volgend artikel: MATSFOTS

MATSEN

Woordsoort: ww.(trans.,zw.)

Modern lemma: matsen

bedr. zw. ww.
Een woord dat in de 17de eeuw zeer gewoon is in den zin van doodslaan, dooden, en dat door FRANCK wordt afgeleid van mnl. matse (dat bij VERDAM éénmaal voorkomt, in den vorm maetche), ontleend aan fr. mace, later masse, strijdhamer (KIL. [1642] geeft masse en massue als Nederlandsche woorden); verg. de volgende plaats.
So dat sy door tsteken van lancen, slaghen van maertsen ende hameren elcanderen gruwelick vermoordden,   V. VAERNEWIJCK, Hist. v. Belgis 49 d [1566].
—  Daarnaast bestond matshamer, dat KIL. [1588] met martse gelijkstelt, en dat eene samenst. is met het znw. matse of met het ww. matsen.
Twee geleeden van rondassiers met matshaamers,   HOOFT, N.H. 822 [1642].
—  Volgens Loquela 11, 60 [1891] wordt matsen ook gebruikt voor: iemand slaan, hem klappen geven (”Hij matste hem dat het jammer om zien was”), en daarvan is afgeleid het znw. mats, een klap (zie ook SCHUERM. [1865-1870]). In Oost-Vlaanderen wordt afmatsen gebruikt voor afrossen.
—  Bij DE BO [1873] is matsen hetzelfde als metsen, metselen, en dit doet weer denken aan hd. metzen en metzeln, doodslaan, dat volgens D. Wtb. etymologisch hetzelfde woord is als metzen, hakken (van den steenhouwer of metselaar gezegd). Dit zou doen twijfelen aan de afleiding van matsen uit matse, fr. masse. In het Mnl. zijn twee voorbeelden van metsen, maetsen aangewezen, waar het misschien doodslaan beteekent (verg. VERDAM 4, 1522). Zie verder METSELEN.
De Griecken binnen geraeckt, smijten om verre al wat hun in den wegh staet: matsen wat hun eerst bejegent, en bezetten het overal met soldaten,   VONDEL 5, 172 [1646].
Cysseus … en Gyas, die met hun knodsen geheele troepen matsten,   VONDEL 5, 350 [1646].
De Walen, die aldaer in besettinge laghen …, die zy (t.w. de aanvallers) meest alle matsten,   PERS, Ontst. Leeuw 456 b.
Dat de Bengaelen … de stadt geplundert en wel 1560: Portugeesen gematst … hebben,   Daghreg. Bat. 2, 145 [1633].
Dat … d'onse … tot 14 a 15 int getal gematst wierden,   3, 135.
Daer was … Genoegh … Gematst, gemoort, geklopt, geschooten,   WESTERBAEN, Ged. 1, 469 [1656]
 (zie ook WESTERBAEN, Ged. 1, 158 [c. 1650] en WESTERBAEN, Ged. 1, 303 [1647]; WESTERBAEN, Ged. 3, 338 [1662] en WESTERBAEN, Ged. 3, 460 [1662]).
En mannelijk op dese Schelmen los rukkende, matsten syse alle drie,   STRUYS, Reysen 250 [1676].
Geen …, die niet werde in het zand gematst,   V. DROOGENBROECK, Mak. 45.
Samenst. Neermatsen (”neêr te matzen groot en kleen”, V. FOCQUENBROCH 1, 165).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1905.