Koppelingen:
Aanvulling
Vorig artikel: MEEKRAP Volgend artikel: MEELACHTIG
Etymologie: EWN
GTB Woordenboeken: MNW

MEEL

Woordsoort: znw.(o.)

Modern lemma: meel

znw. onz. Mnl. mele (VERDAM 4, 1359), ook in andere Germaansche talen: de stam is melwa- (volgens G. MEYER komt dezelfde stam ook voor in alb. mjeλ, maar zijn de Slavische woorden die op meel gelijken, niet oorspronkelijk Slavisch: verg. daarentegen MIKLOSICH, Etym. Wtb. 186). Zie ook MALEN (I). In Vl. thans weinig in gebruik, men zegt bloem.
+1.  Het poeder dat men verkrijgt bij het malen van graan, en waaruit de zemelen al of niet zijn verwijderd; in het eerste geval wordt de fijnste soort bloem geheeten.
Pappe van Meel gemaect,   DODON. 878 a [ed. 1608].
Van 't Meel van Bockweydt met water wort Brij ghemaect, ende Coecken ghebacken,   899 b.
Neemt den meulen, ende maelt meel,   Statenb., Jes. 47, 2 [ed. 1688].
't Lekkre meel, Daer men toertjes … Af gaet bakken,   HOOFT, Ged. 1, 344 [1636].
Broodt, Meel oft Zemelen,   Vl. Placcaertb. 4, 807 [1709].
Meil ende Bloem,   Vl. Placcaertb. 4, 2094 [1739].
De Broodbakkers … zullen het gemaalen Meel gehouden zyn te buylen naar den eysch,   Keuren v. Haerlem 2, 93 b [1738].
Meel van rijst,   CHOMEL 2007 a [1771].
Stuivend meel,   V. DROOGENBROECK, Zonnestr. 3
(De Molen). Zakken meel,   ST. STREUVELS in Vlaanderen 1, 449.
2.  Het poeder dat men verkrijgt bij het malen of verbrijzelen van andere zaden; ook wel van aardappelen.
Droocht nieuwe mostaert-zaet …, ende stoot dat in eenen Vijsele tot cleynen mele,   Koockb. 73 [1599].
Er worden in de Apotheeken ook meelen uit deeze en geene andere zaaden dan graanen gemaakt,   CHOMEL 2007 b [1771].
Alle meelen bevatten veele olie- … deelen in zich,   CHOMEL 2007 b [1771].
Er (kan) van aardappelen een zoort van meel bereid worden,   CHOMEL 2007 b [1771].
+3.  Fijn, dikwijls witachtig poeder of stof in verschillende andere toepassingen, zoo b. v.:
Afl. Meelachtig, melen, melig (zie die woorden)
meelaard, melige, bloemende aardappel (”den berg ”meelaards”, waarover … peper- en zoutbus rondgaan”, RAMBOUX, Ged. 102)
meelde, in W.-Vl. voor melig (zie DE BO [1873] en Loquela 7, 45 [1887])
meelloos (”Waarheydt is der zielen broodt: Loghen meel-loos kaf ende draf”, COORNHERT 1, 10 b [1589]).
Koppel. Meelmalen (”'t Grutten ende meelmalen”, V. RIEBEECK, Dagverh. 2, 470 [1658])
grofmeel (zie ald.).
Samenst. en samenst. afl. In de bet. 1). Meelbaal (zie b.v. V. LENNEP en TER GOUW, Uithangt. 2, 186)
meelbak (CORN.-VERVL.; JOOS [1900-1904])
meelbereiding (GROTHE, Mechan. Technol. 450 [1879])
meelbeslag (STARING 2, 39 [1827])
meelbloem, hetzelfde als bloem (”Tarwe meelbloeme”, Statenb., Exod. 29, 2 [ed. 1688]; ”Ongesuerde koecken, van meelbloeme met olie gemengt”, Statenb., Lev. 2, 4 [ed. 1688]; ”Jou asinght, soo wit as met meelbloem 'ewreven”, bij V. VLOTEN, Kluchtsp. 2, 126; ”Bloem van Meel of Meel-bloem”, CHOMEL 2008 a [1771]; zie nog V. ALPHEN 1, 122 [1772]; BILD. 6, 387 [1806]; V.D. PALM, Sal. 4, 278 [1811])
meelbuidel of meelbuil (”De Meel-builen zijn … fijn of grof”, CHOMEL 2008 b [1771]; zie oudere voorbeelden Dl. II, kol. 2185, waar over de uitdrukking met den meelbuidel bestoven gehandeld wordt)
meeldeeg
meelfabriek (GROTHE, Mechan. Technol. 451 [1879])
meelgat, in meelmolens, opening in den legger ter ontlasting van meel
meelgod, bij COORNHERT (COORNHERT 1, 358 c [c. 1580]) smadelijke benaming voor de heilige hostie; verg. God Melis (Dl. V, kol. 187) en Broodgod (Dl. III, kol. 1566)
meelgoot, in meelmolens, ”soort van houten kanaal of trechter, waar langs het meel van tusschen de steenen neervalt in den meelbak” (DE BO [1873] en CORN.-VERVL.; verg. meelkoker)
meelhal, voorheen te Amsterdam (WAGEN., Amst. 2, 416 b)
meelhandel
meelkamer, in eene bakkerij (ST. STREUVELS in Vlaanderen 1, 448 en 529)
meelkas (CHOMEL 2007 b [1771])
meelkever, soms voor meeltor
meelkist (KIL.; TEIRL.-STIJNS, Arm Vl. 1, 41)
meelklomp (”Het discours, laatst door u … gehouden, … ligt my, als zo een onverteerbaare meelklomp, in de maag”, WOLFF en DEKEN, Leev. 3, 36 [1784])
meelklonter
meelkoek (V. LENNEP, O. en N. Ged. 87; DE COCK, Volksgeneesk. 238 [1891])
meelkoker, houten of metalen buis in een meelmolen, waardoor het gemalen graan valt (GROTHE, Mechan. Technol. 456 [1879])
meelkooper, in samenst. (”Requesten van P. … om zyn Meelkoopers Affaire … te mogen blyven exerceeren”, Gr. Placaetb. 9, 1013 a [1791]
meelkop, in eene bakkerij gebruikt om het meel uit den meelbak te scheppen
meelkorrel, t.w. van korrelig meel dat nog niet fijngemalen is (GROTHE, Mechan. Technol. 463 [1879])
meelkost (”meel- en gruttenkost”, V. ZEGGELEN 5, 173 [1849])
meelkuip (Handw. 16, 32 [1799] en Handw. 16, 73 [1799]; JOOS [1900-1904])
meellijm
meelmaat
meelmade, meelworm (JOOS [1900-1904])
meelmagazijn
meelmijt, eene mijt die in oud meel leeft (verg. BURGERSDIJK, Dieren 3, 522 [1873])
meelmoes (”Melck Moes oft Meel Moes, … van … Terwen Meel met Melck vermengt zijnde”, DODON. 877 b [ed. 1608])
meelmolen, korenmolen (POTGIETER 2, 6 [1842]; GROTHE, Mechan. Technol. 451 [1879]); vandaar meelmolenaar (Keuren v. Haerlem, Reg. [1755]; BOEKENOOGEN)
meelmuis, gezegd van iemand die veel in het meel werkt, b.v. een bakker
meelpakhuis
meelpap (”Meel pappe met Melck, Bier, wijn, water ende ander sap oft nat”, DODON. 878 a [ed. 1608]; ”Veelderhande soorten van Meel pappen”, 877 b; ”De dikke meelpap”, CONSC. 6, 226 a [ed. 1869]; ”Dat ze krek zooveul van hum hieuw as van 'en slek ien de kool, of en hoar ien de mêlpap”, CREMER 12, 16 [1856])
meelpelder of meelpeller (SLEECKX 14, 178 [1869]; CONSC. 3, 14 a [ed. 1868])
meelpot (V. MOOCK); in de volgende plaats blijkbaar voor pappot (”Daer leyt de meelpot … om veer, Wie zal de pap oprapen”, V. LUMMEL, N. Geuzenliedb. 530)
meelschepper
meelslijter (”Grutters en Meelslyters”, WAGEN., Amst. 2, 437 b)
meelsoort (GROTHE, Mechan. Technol. 463 [1879])
meelspecie (”Het stoken van sterken drank uit meelspeciën”, V. LENNEP, Rom. 21, 314 [1854])
meelspijs (”Broot …, meelspijse, stucken vijgen” enz., Statenb., 1 Kron. 12, 40 [ed. 1688]; ”Het brood … (is) het voedzaamste … van alle meel-spijzen”, CHOMEL 2010 a [1771])
meelsteen, de steen die het meel maalt (HARTE, Molenb. 9 a [1849])
meelton (”Een meel-tonne”, Cost. v. Antw. 2, 290 [1582]; ook in de zegsw. loopen als eene muis in eene meelton, onrustig, ongedurig heen- en weerloopen)
meeltor, een kever waarvan het masker meelworm heet en in meel, graan en brood leeft, tenebrio molitor (zie CHOMEL 2008 b [1771]; SCHLEGEL, Dierk. 2, 268 [1858]; SNELLEN V. VOLLENH., Gel. Dieren 243)
meeltrog
meelvat
meelverkooper (”Bakkers, Grutters en Meelverkoopers”, Keuren v. Haerlem 1, 42 a [1749]; vandaar meelverkooperij (”De Meelverkooperyen van Boekwyten Meel”, Gr. Placaetb. 9, 1014 a [1791]
meelworm: zie onder meeltor
meelzak (zie ald.)
meelzeef
meelzetter: verg. Zetten (”Als Meelzetters … aan de Meelverkoopers … te doen geworden de nodige Zettingbriefjes van het Meel”, Keuren v. Haerlem 2, 145 b [1751]
meelzolder.
— In andere beteekenissen. Meelboom, eene benaming die aan verschillende boomen wordt gegeven (”Indiaenschen Meelboom, in Latijn Arbor farinifera van Clusius geheeten, in het eylant Ternate … wassende …, in sijn tsop eenen ronden cop als een Sluytcoole hebbende: in wiens middelste een wit Meel gevonden wort”, DODON. 1508 a [ed. 1608])
meeldraad, meestal in het meerv. meeldraden, ”de mannelijke deelen der bloem, waarin zich … stuifmeel … ontwikkelt” (V. HALL, Landh. Flora 296 [1854]), bij DODON. (7 b [ed. 1608]) ”Draykens” geheeten (”Naar dat onder de Meeldraadjes meer of minder voorkomen, die geen Meelknopjes hebben”, HOUTTUYN, Nat. Hist. II, 5, 368 [1775]; ”De Meeldraden doen zich … doorgaans voor als een geknopt steeltje”, OUDEMANS, Leerb. 1, 93; over ”valsche meeldraden” zie OUDEMANS en DE VRIES, Leerb. 2, 120)
meelgezicht, in de volkstaal ook wel meelbakkes (”Hij was blij dat hij hem niet meer zien zou, die akelige, bleeke tronie, dat dom-zoetige meelgezicht”, ROBBERS, B. Bandt 246)
meelkalk, fijn gestooten kalk (V. KEIRSBILCK, Mets. 179) (”De gebrande kalk wordt gedeeltelijk in groote brokken (stukkalk), gedeeltelijk in kleine stukken (meelkalk) in den handel gebracht”, KRECKE, Chem. Technol. 266 [1881])
meelknopje, het knopje van een meeldraadje (”Dezelve Meelknopjes, die men Helmpjes (Antherae) noemt”, HOUTTUYN, Nat. Hist. II, 1, 74 [1773])
meelkruit: zie meelpulver (”Polver wasser niet te bekomen dan ontrent voor 10 Tayel …, zijnde daerenboven noch meel-kruydt, dat niet veel en deucht”, Begin e. Voortg. 13, 30 a [ed. 1646])
meelmees, voorkomende voor pimpelmees (bij KIL. [1599] en V. MOOCK), waarschijnlijk wegens de kleur der pluimen
meelpeer, droge, meelachtige peer, zonder sap (CORN.-VERVL.), bij KIL. [1599] gelijkgesteld met suyp-peere en verklaard als sorbum: fructus cuius farina polentae loco sumpta alvum sistit
meelpulver, fijn gewreven of geslagen buskruit (zie LANDOLT 1, 84 [1861])
meelraai, in Groningen benaming van het gewold zorggras, ook witbol geheeten, naar de witachtige kleur van de zeer fijne, zachte, witte haartjes, Holcus lanatus (V. HALL, Landh. Flora 263 [1854])
meelstof, in de volgende plaats: het stuifmeel van bloemen (”Goudgeel meelstof”, ST. STREUVELS, Minneh. 2, 62)
meelsuiker, ongeveer hetzelfde als poedersuiker (”Meel-suycker, j. poeyer-suycker”, KIL.; ”In saussen volstaet schoon ende reyn meelzuycker, … maer in blanc-mangier … ist van noode fijn Zuycker te zijne”, Koockb. 10 [1599]; ”Root zuycker is Pot-zuycker, ende Pot-zuycker is geloopen zuycker, ende geloopen Zuycker is Meel-zuycker”, 71; ”Suycker …, Meelsuycker …, Pot-suycker” enz., Gr. Placaetb. 4, 634 a [1518]; zie ook DE BO [1873] op potsuiker en Loquela 8, 22 [1888], waar ook keukensuiker en zandsuiker als synoniemen worden gegeven: niet volkomen geraffineerde suiker, fr. cassonade).
— Als tweede lid. Aardappelmeel, beendermeel, bloemmeel, boekweitmeel, boonenmeel, breekmeel, dopmeel, gerstemeel, gortemeel, griesmeel, gruttenmeel, havermeel, houtmeel, keizermeel, kunstmeel, lijnmeel, maïsmeel, mouwermeel, parelmeel, pelmeel, relmeel, rijstemeel, roggemeel, schepmeel, speltemeel, stofmeel, stuifmeel, tarwemeel, voedermeel, zetmeel (zie die woorden of het eerste lid)
brikkenmeel (zie KUYPER, Technol. 1, 411)
glutenmeel enz.
Bilmeel, grappige naam voor slechte waar: eigenlijk het gruis dat bij het billen van een molensteen afspringt (HARREB. 2, 70 b [1861]).

Aanvulling bij MEEL

Samenst. Meeltrog, langwerpige bak met meel of graan.
  V. DALE [1872 ].
— In den molen staat ook de meelbach, meeltroch, voor 't meel en de molchterkist die graan of meel bevatte,   Verz. Opst. Studiekring Hasselt 5, 140 [aangeh. woord 1630].
Meelvat, vat met, of voor het meel. In de 2de litt. aanh. in een spreekw.
  KRAMER [1719].
  V. DALE [1872 ].
— Stamp het meelvat nog wat uit!   WEIL. 5, 308 [1810].
Als de kat uit is, dan dansen de muizen rondom het boter- (of: meel-)vat,   HARREB. 1, 83 a [1858].
Meelzeef.
  V. DALE [1872 ].
Meelzeef,   Reclamebl. [1963].
Meelzift.
Meelsifte, meelbuydel. Vn sas, ou crible. Cribrum, incerniculum farinarium,   PLANT. [1573].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1905.