Koppelingen:
Vorig artikel: MELIEVE Volgend artikel: MELIK
Etymologie: EWN
GTB Woordenboeken: MNW

MELIG

Woordsoort: bnw.

Modern lemma: melig

bnw. Van Meel.
1.  Uit meel bestaande.
De melige kern (t.w. (van eene tarwekorrel),   GROTHE, Mechan. Technol. 451 [1879].
+2.  Pulverachtig, niet samenhangend.
Goede boren moeten … gladde, samenhangende, niet brokkelige of melige spaantjes (hout) wegsnijden,   KUYPER, Technol. 1, 749.
3.  Van iemands gezicht: bleekachtig, niet blozend, niet krachtig van voorkomen; verg. meelgezicht, meelbakkes (kol. 376).
Hy had zo iets meeligs, zo bloemzoets, zo flets, dat ik om de maandag niet dulden kan,   WOLFF en DEKEN, Blank. 1, 9 [1787].
4.  Niet frisch, flauw, onwel, b.v. ten gevolge van dronkenschap (in dien zin thans nog wel bekend).
A. Zou ik voor wyn jou water geeven? Het is jou tongs schuld. J. Watte praat, Of meen jy dat die yzer slaat? Ik ben niet meelig, of niet smikkig. A. Neen, vaêr, maar, jy bent vry wat sikkig,   ALEWIJN, J. Los 46 [1721].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1905.