Koppelingen:
Vorig artikel: MISMAAKT Volgend artikel: MISMAS
GTB Woordenboeken: MNW

MISMAKEN

Woordsoort: ww.(trans.,zw.)

Modern lemma: mismaken

(klemt. op -maken), bedr. zw. ww. Mnl. mismaken.
1.  Misvormen, leelijk maken, ontsieren.
De geveynsde … mismaken hare aengesichten, op dat sy van de menschen mogen gesien worden,   Statenb., Matth. 6, 16 [ed. 1688].
Smetten die my mismaken,   DE SMIDT, Wonderh. 254.
Onwaarschynlyk … is ('t), dat de Batavieren zig door eene geheele Beestenkleeding mismaakt zouden hebben,   BERKHEY, N.H. 3, 461 [1773].
Leelijke gebreken, waardoor … het paard (t.w. van zeker ruiterstandbeeld) … mismaakt wordt,   FRUIN, Geschr. 2, 7 [1867].
+2.  Mishandelen, verminken, toetakelen; thans verouderd.
God … Ten cruce gheoffert …, Mesmaeckt, ghestoruen de schandelicke doot,   Gentsche Ref. 142.
Aldus mismaeckt, most hy (t.w. Jezus) … 'T hout dragen daermen hem … aen zou hangen,   VONDEL 1, 748 [1620]
 (zie nog VONDEL 2, 46 [1620]).
Ghy zult … Die lieffelycke kaken Zien schenden en mismaken,   DE DECKER 1, 217 [1656].
't Werdt alles door hun macht mishandeldt en mismaakt,   ASSELIJN, Kurieen 77.
Hebbende de beeltenissen met … stokken mismaakt, of ze 't eenemaal uit gedaan, met 'er kalk over te stryken,   DE BRUYN, Reizen 1, 82 a [1698].
Afl. Mismaakt (zie ald.)
mismaking (zie b.v. TEN KATE, Par. Verl. 85 [1878], waar sprake is van de gevallen engelen).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1906.