Koppelingen:
Vorig artikel: MOERZEE Volgend artikel: MOES II
Etymologie: EWN
GTB Woordenboeken: MNW

MOESI

Woordsoort: znw.(o.)

Modern lemma: moes

znw. onz. Mnl. moes, ags. en osaks. môs, ohd. muos enz. Waarschijnlijk in verband staande met germ. mati- (got. mats enz.). Over de verwantschap van deze woorden met nog andere is men het niet eens: verg. JOHANSSON in IF. 2, 35 en 14, 335; SOMMER in IF. 11, 265. Volgens dezen laatste is got. mats te vergelijken met lat. caro, in zooverre als dit eigenlijk portie, deel moet beteekenen, en is mats afgeleid van een stam die hakken beteekent (verg. ook met, gehakt vleesch, in metworst). Is dit de waarheid, dan zou men ook mnl. moes dat moot beteekent, en door KIL. [1588] als een Friesch woord vermeld wordt, er wellicht mede in verband kunnen brengen: verg. VERDAM 4, 1808, en bij KIL. [1588] de vertaling segmen salmonis (eene geheel andere verklaring van metworst geeft HOLTHAUSEN in IF. 11, Anz. 122).
1.  Een of ander gerecht, gekookt of gestoofd van fijngehakte groente met verschillende toevoegsels.
De cruyden, wortelen ende vruchten,diemen in spijse ende moes gebruyct,   DODON. 1045 [ed. 1608].
Set den grooten pot aen, ende ziedt moes,   Statenb., 2 Kon. 4, 38 [ed. 1688].
Ick rade u blaest Eer ghy dit heete moes wilt proeven met der haest,   VONDEL 1, 91 [1612].
Salaet daer wy Moes af coockten, dat de Siecken seer verquicktede,   N. Werelt 3, 34 a.
Groente, die der alle dagen beschaft sal worden sooveel sij eeten cunnen, met 8 a 10 rijst en swaer moes,   V. RIEBEECK, Dagverh. 3, 215 [1659].
Men noemt in de kookerij ook Moes of groen Moes, ook war-Moes, een gestoof van deze of geene Moes- of keuken-gewassen; 't zij van een alleen of van verscheide onder malkander …, die klein gesneeden of gehakt en met versch vleesch, … enz. of ook zonder vleesch, alleen met goed vleesch-nat en booter, kort afgestoofd worden,   CHOMEL 2167 b [1771].
Een Drentsche boer (besluit) het jaar met het eten van een schotel moes, d. i. fijngehakte boerekool met rijst en schijfjes worst gekookt,   TER GOUW, Volksverm. 114 [1871].
+2.  Ook in toepassing op eene spijs van gekookte vruchten, dus ongeveer: marmelade; in ouder tijd in toepassing op andere papachtige spijzen, en dan later ook wel: papachtige massa in ruimeren zin.
Alreley moes van meel; toute sorte de boullie ou potage, pulmentum,   PLANT. [1573].
— Marmelaade of Moes van Appelen,   CHOMEL 99 b [1768].
Moes, beteekent in de geneeskunde en pharmacie zo veel als Rob; dat uit zappen van vrugten, als bij voorbeeld van jenever-besiën, vlier-besiën, kersen, moerbesiën enz. bereid word, door middel van dezelve met of zonder zuiker, tot de consistentie van een dikke sijroop te kooken, waar van de Rob door zijn meerder dikte onderscheiden is,   CHOMEL 2167 a [1771].
De huishoudelijke Vrouwtjes maaken ook … veelerlei aangenaame robben, moesen, of geleijen uit 't zap van veellerlei geurige vrugten, als van aalbesiën, kersen, framboosen enz.,   CHOMEL 2167 a [1771].
Als een appel goed braadt, het moes pruist er uit,   DE BO [1873].
De aardappelen tot moes laten koken.   poëem WNT
+3.  Groente, in collectieve opvatting; verg. hd. gemüse. Deze beteekenis is waarschijnlijk de jongste; in Z.-N. in dien zin niet in gebruik.
Ik treck dit wiedt op heden uyt, Vermits het, door het gansche bedt, Den aenwas van het moes belet,   CATS 2, 364 a [1655].
Smalle tienden, als van moes, hout, gras, hoy, rapen, radijs, kool, appelen, peeren, noten,   DE GROOT, Inl. 2, 45, § 4 [1631].
Te sien … Hoe de moesen mals en groen, Haeren schoot wijt open doen,   HONDIUS, Moufe-schans 61 [1621].
Alle de kleyne schuytjens, komende uyt Abstede … met moes, melck ende anders, om haar waar … te verkopen,   Utr. Placaatb. 3, 684 a [1621].
De groote schaersheyt van Vis, Moes, Kruyt als anders voor de Vasten (t.w. te Parijs),   Holl. Merc. 1670, 33 [1671].
Een leeven … op 't eenzaam lant …, Daar ons een tuintje kan met kost'loos moes verzaân,   SCHERMER 44 [1711].
Allerhande Moes, Wortelen, Raapen …, en andere zoorten van Groentens, Kruyden, en Gewassen te Velde,   Gr. Placaetb. 9, 1218 a [1771].
Hun tuin is naauwlijks groot genoeg om hen hun moes en vruchten te bezorgen,   WOLFF en DEKEN, Wildsch. 5, 383 [1796].
Hooge en schaduwende boomen zijn er niet (t.w. in zekeren tuin), maar … moes, en eenige vruchtboomen,   BILD., Br. 4, 312 [1828].
Afl. Moezen (I), moezerij (zie die woorden).
Koppel. Gerstenmoes, thans ook als samenst. opgevat (”Haer gersten moes datse … in eenen pot ghesoden hadde”, FLORIAN., Ovid. Hersch. 156; lat. polenta)
groenmoes (zie ald.); verg. ook in de volgende plaats de bet. groene kool, boerenkool of iets dergelijks (”Wij (hebben) haer … beloofft dagelijckx soo veel cool ende ander groenmoes … te beschicken, dat se voor haer volcq daervan 2 mael des daeghs souden cunnen schaffen”, V. RIEBEECK, Dagverh. 1, 420 [1654])
lankmoes, vermeld als een Geldersche naam voor boerenkool (Taalk. Mag. 3, 61); verg. ook WARMOES.
Samenst. Appelmoes, boerenmoes, eendenmoes, hakmoes, heermoes, koolmoes, mengelmoes (zie die woorden)
bladmoes, ”het teedere weefsel dat de mazen van het bladskelet opvult, en buitendien de ruimte tusschen dit laatste en de opperhuid inneemt” (OUDEMANS, Leerb. 1, 465)
melkmoes, naam van eene spijs, o.a. op de Veluwe (zie Geld. Volksalm. 1851, 113)
keukenmoes (zie MOESKRUID).
— Als eerste lid. Moesgroente, moeshof, moeskruid, moespot, moestuin (zie die woorden).
— Verder. Moesakker.
De koorn en moesakkers,   BERKHEY, N.H. 9, 135 [1811].
Moesbed: waarin groente geteeld wordt (V. LENNEP, Rom. 5, 72 [1836]).
Moesgerecht: zie Dl. IV, kol. 1630, en zie bij STARING 1, 45 [1820] den vorm moesgericht.
Moesgewas.
(De) Moes- of Keuken-Gewassen,   KNOOP, Moest. 1 b.
Moesgracht, als topographische naam voorkomende.
Regeerders der Stad Utrecht … verbieden … eenige … beesten te weyden tusschen de plantagien langs de moesgrachten, Leydse ende andere vaarten enz.,   Utr. Placaatb. 3, 398 a [1670].
Moesgrond: waarop moeskruiden geteeld worden.
Moesketel: zie MOESPOT.
Moeskom (?).
Een Moeskommeken Waters,   Koockb. 114 [1599].
Moesland, land waarop groente wordt geteeld.
Dat deselve Wercken (niet) sullen mogen werden … gebruyckt tot Saey, Moes-Landen, Tuynen of Boomgaerden,   Gr. Placaetb. 4, 155 b [1700]
 (zie b.v. ook TOLLENS 11, 15 [c. 1850]; V. LENNEP, Poët. 1, 42 [1828] enz.) .
Moeslook, lat. allium oleraceum, eene soort die als moesgroente wordt gegeten (zie OUDEMANS, Flora² 3, 191).
Moesmaker, een landbouwwerktuig.
Knolen wortelsnijders: hierbij geven wij de voorkeur aan eenen moesmaker, het bekend werktuig van Bentall,   Meded. en Ber. d. Geld. Maatsch. v. Landb. 1869, blz. 213.
Moesman, bij KIL. [1588] vertaald met olitor, evenals moesmenger en moesverkooper.
Moesmarkt, o.a. bij HOOFT, Tac. 57 [c. 1635], als vertaling van lat. forum holitorium (Annal. 2, 49).
Moesmelkdistel, eene soort van melkdistel (zie kol. 429), een onkruid in moestuinen, lat. Sonchus oleraceus: V. HALL, Landh. Flora 112 [1854]; waarschijnlijk dezelfde plant als die bij HOUTTUYN, Nat. Hist. II, 10, 490 [1779], moesdistel of moezige distel wordt genoemd.
Moespap, pap, brij, van moeskruiden gemaakt; KIL. [1588] vertaalt moespappe met puls, pulmentarius cibus.
Men neme dan Lookwortel …; groen Keulkruid …; Kattekruid, stampt dit tot een moespap enz.   (als geneesmiddel voor rundvee), BERKHEY, N.H. 8, 109 [1810].
Moesplant, moeskruid.
Zij (t.w. de slakken) (zijn) verscholen onder de groote bladeren der moesplanten, onder afgevallen boombladeren enz.,   HERKLOTS, Weekd. 47.
Moespruim, soort van pruim, t.w. de Bamispruim (DE BO [1873]); wellicht zoo geheeten omdat men er moes van pleegt te koken (?).
Moesschotel: zie Koockb. 107 [1599].
Moesveld.
De moes- en knolvelden (hebben) … veel te verduren van de hazen (prov. Groningen),   Onderz. Landb. 1886, 18, 41 [1890].
Moesverkoopster, groentevrouw (HOOFT, Rampz. 13).
Moesvrucht.
Moes-, Aard-, of Boom-vrugten uyt de Tuynen steelen: Dat is verbooden,   DIBBETZ, Milit. Wdb. 415 a [1740].
Dat hij, schoon in het vleesch eetend Engeland geboren en opgevoed, sedert zijne eerste jeugd niets dan moesvruchten in melk genuttigd had,   WOLFF en DEKEN, Wildsch. 6, 175 [1796].
Moeswrijver, bij CATS 1, 310 a [1625] als scheldnaam voor een ”Jan Hen”.
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1907.