Door gebruik te maken van de GTB gaat u akkoord met de Eindgebruikersovereenkomst.

Koppelingen:
Vorig artikel: MOON Volgend artikel: MOOR II
Dialect: EWND
Afbeeldingen: Dodoens1554
Etymologie: EWA
GTB Woordenboeken: MNW, MNW

MOORI

Woordsoort: znw.(m.,v.)

Modern lemma: Moor, moor

znw. m. (eene enkele maal vr.). Mnl. moor, mhd. môr, ook môre, ohd. môr. Uit lat. maurus.
+A.  Als naam van menschen.
+B.  Bij vergelijking.
Afl. Moorsch (zie ald.)
Moorin, Moorsche vrouw, meest: zwarte vrouw; thans niet meer in gebruik (”Dat ghi een moorinne tot een slaue begheerde”, V. GHISTELE, Terent., Eun. 10 [1555]; ”Ondertusschen singen … de reyen der Moorinnen … Iosephs loflijcke kuysheyd”, VONDEL 3, 218 [1635] (verg. ook HOOFT, Ged. 1, 306 [1629]); ”Men zegt …, dat gy zelfs een Morin zoud konnen veranderen, en maaken ze heel Wit”, V. D. HOEVEN, Waarzegster 69; ”Dat dese Saba (t.w. de Koningin van Saba) was een moorinneken”, POIRTERS, Mask. 153 [ed. 1688])
mooriaan (zie MORIAAN)
moorsdom (zie MOORSCH)
mooris, moorisch (zie MORESK); een zonderlinge vorm in den zin van moorsch is mooravisch of moravisch (”12 ghevangen Mooren (t.w. in een optocht) …, wiens Koningh in een Littier op de Mooravise wijse aerdigh tot een triumph ghedraghen wierdt”, Holl. Merc. 1652, 30 b [1659]; ”Een Moriaen … (quam) aen-rijden, meldend, dat een Moravische Bende voor handen was, die” enz., Ald).
Samenst. en samenst. afl.
Moorenboog, bij V. HOUCKE en SLEYPEN, Mets. 233 [1897], opgegeven naast hoefijzerboog, en naast fr. arc mauresque, een cirkelvormige boog, waarbij het middelpunt ligt boven de lijn die de uiteinden verbindt.
Moorenbroed, in toepassing op de roofzieke Algerijnen (STARING 1, 157 [1816]).
Moorendans: zie MORESK.
Moorgeel, zoo geel als een Moor (zie boven).
De moor-geel Castilianen,   Vlaerd. Redenr.-bergh 124.
Orangien … Die … den Moorgeelen Maraen Sijn hoogmoet hebt gedempt,   139.
Moorkenshaar, bij CORN.-VERVL.: ”zwart peerdshaar, waarmede men kussens enz. opvult”, ook: ”donkergekleurde, zeer fijn gesneden tabak”, evenzoo: ”afgevallen bloeisel der lindeboomen”.
Moorenhart, bij LUYKEN, Bykorf 327, in toepassing op een ”zwart”, een zondig gemoed
Moorenheir, leger van de Mooren in NoordAfrika (BERKHEY, Zeetriumph 183).
Moorenhoofd (JUNIUS, Herald.): zie -kop.
Moorejong, neger; in Z.-N.
Wasch u, jongen, gij zijt alzoo zwart als een moorejong,   DE BO [1873].
Moorkop, een paard met zwart grondhaar, vermengd met witte haren, en waarbij hoofd, beenen, manen en staart zwart zijn.
Hier onder (t.w. onder de paarden met verschillend gekleurd haar) behooren de Getygerde, de Extergevlakte of bonte, de Porceleinverwige, de Moorkoppen en de Auberen,   BERKHEY, N.H. 4, 1, 35 [1779].
Hij … liet zijn moorkop … zaâlen,   STARING 2, 80 [1832].
— Samenst. Moorkopmerrie (genoemd in eene advertentie).
Moorenkop.
Daer na volghden … 4 Romeynen te Paerdt (t.w. in een optocht) …; Dese Droeghen … Mooren koppen op hunne Lancien,   Holl. Merc. 1652, 30 b [1659].
— Ook als term in de wapenkunde: zwarte menschenhoofden, meestal met een hoofdband omwonden (fr. tortillé), altijd van ter zijde gezien en naar rechts gekeerd (zie RIETSTAP, Handb. 168)
Moorkruid: zie boven in het artikel.
Moorenland (zie VERDAM), in het O.T. zooveel als Aethiopië; later in gemeenzame taal ongeveer het ”apenland”, de Oost.
Etiopie, Mooren-landt,   MEURIER, Mag. de Planté A 6 a.
De Stadthouders … der lantschappen, die van India af tot aen Moorenlant strecken,   Statenb., Esther 8, 9 [ed. 1688]
Egypten, Moorenlant ende Seba,   Statenb., Jes. 43, 3 [ed. 1688].
Weest … dankbaar aan myn beleid …, Zonder dat waren wy lang met onze kind'ren in 't Moorenland,   V. HALMAEL, Fyne Bedr. ontd. 8.
Afl. Moorenlandsch.
De beschrijvinghe Heliodori vande Moorenlandtsche gheschiedenissen enz.,   Titel in Tijdschr. 9, 135 [1610].
Moorman, Aethiopiër, zwarte, neger; thans nog bekend als familienaam.
Daer in bliven, als die moerman in sinen swarten velle, hoe veel dat men oec wascht,   DIRC V. DELF (omstr. 1400), aangeh. in Tijdschr. 22, 19.
Sal oock een moorman sijne huyt veranderen? ofte een luypaert sijne vlecken?   Statenb., Jer. 13, 23 [ed. 1688].
Een Moorman, een Kamerling,   Statenb., Hand. 8, 27 [ed. 1688].
Al ging de Moor in 't wit Satyn, Hy zouw nochtans een Moorman zyn,   LUYKEN, Bykorf 327.
Moorpaard, hetzelfde als moor, zwart paard.
't Was nacht, soo dat … de silver-witte maene Met heur moor-peerden … door-rende 's hemels baene,   DE HARDUYN, Uitgel. Dichtst. 29.
Moorenrak, de streek waar de Mooren wonen; ongemeen.
De landen Van Gangis rijken stroom tot aen de dorre stranden Van 't heete Moren-rack,   CATS 1, 218 a [1622].
Moorentronie.
Een onyx …, daerop aende eene zijde een buste stondt van een man in Romeynsche kleeren, en aende andere een moorentronie,   C. HUYGENS Jr., Journ. 2, 132 [1692].
Moorvervig, zwart.
Des volcks verwe (is) bruyn, niet recht Moorverwich (t.w. in Aethiopië),   FRANCK, Wereltb. 7 d [1595].
Moorzwart: bedoeld is waarschijnlijk ongeveer even zwart als gitzwart.
Als … de peck-doncker nacht … Haer mooren-swarte jacht … gaet drijven,   Z. Nacht. 1, 35.
Onder de eenkoleurige Hairen (t.w. bij de paarden) heeft men de zwarte, die men of vaalzwart, muisvaal, gitzwart of moorzwart noemt,   BERKHEY, N.H. 4, 1, 34 [1779].
In de' Congo weunen moorzwarte menschen,   CORN. VERVL.
— Als tweede lid. Basterdmoor, bij V. VLOTEN, Kluchtsp. 2, 201, naar het schijnt, een term om Spanjaarden aan te duiden, misschien echter zijn Morisco's bedoeld.
— In de 17de E. komt voor Capitein-Moor: verg. Capitein-Chinees (Daghreg. Bat. 5, 269 [1642]).
Theemoor, in Z.-N.: hetzelfde als moor in de bet. 4), de ketel met het koffiewater (zie het woord genoemd bij LOVELING, Idon. 17 [1891]).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1907.