Koppelingen:
Aanvulling
Vorig artikel: NA Volgend artikel: NAADJE
Etymologie: EWA, EWN
GTB Woordenboeken: MNW

NAAD

Woordsoort: znw.(m.)

Modern lemma: naad

znw. m. Mnl. naet, vr. en m.; ohd. en mhd. nât, nhd. naht. Een met het suffix -ti- gevormde afleiding naast het ww. naaien.
+A.  In Z.-N. heeft het woord naad nog o.a. een zuiver verbale beteekenis: het naaien, de kunst van naaien.
Den naad leeren,   DE BO [1873].
+B.  Daarnaast bestaat de meer gewone beteekenis, waaruit vele andere zijn ontstaan: de met naald en draad bewerkte verbinding van twee stukken goed.
Afl. Ontnaden, uit den naad gaan, losraken (”De vrientschap … can seer qualijck ghescheurt worden: sy mach ontnaden, maar sy can haar weder vereenigen door weldaden en soete woorden”, BREDERO 3, 159 [161.]).
Samenst. Als tweede lid. In de bet. A). Breinaad (zie boven).
— In de bet. B, 1). Bevestigingsnaad, als term voor een zoom (”Een zoom dient om de omgevouwen rafelkanten op de stof te bevestigen en heet daarom bevestigingsnaad”, TEUNISSE en V. D. VELDEN, Nutt. Handw. 3, 9)
rolnaad: deze wordt aan één kant eenigszins bol (a. w. 3, 12)
stiknaad: deze wordt gewerkt met den stiksteek (a. w. 3, 7)
verbindingsnaad (a. w. 3, 10)
achternaad, voornaad, zijnaad, schoudernaad, overnaad (zie die woorden of het eerste lid)
binnennaad, buitennaad (zie Dl. II, kol. 2720, en Dl. III, kol. 1816)
opnaad.
— In de bet. B, 3). Klinknaad (”De stoomketels worden meestal uit smeedijzeren platen … samengesteld, die in den vereischten vorm gebogen en aan elkander geklonken worden, waarna de klinknaden worden dicht gezet”, VERDAM, Machin. 43).
— In de bet. B, 5—7). Achterhoofdsnaad, gevormd door de verbinding van den achterrand der wandbeenderen met den rand der achterhoofdsschelp (V. BRAAM HOUCKG., Ontleedk. 1, 143)
bilnaad, kransnaad, kroonnaad, pijlnaad, schedelnaad, schubnaad, tepelnaad (zie bij het eerste lid).
— Als eerste lid. In de bet. B, 1). Naadgaren, in de zegsw. Iemand in het naadgaren komen (HARREB. 1, 202 a [1858]), blijkbaar zooveel als: iemand te na komen.
Aanm. Naadzak (als Overijselsch wordt opgegeven naaszak, naastzak, nazak (zie b.v. Taalk. Mag. 2, 410), hier en daar voorkomende in den zin van: zijzak, b.v. zak dien de vrouwen op zij dragen; doch in de oudere taal in een andere opvatting: spijszak, knapzak, ook goocheltasch. Blijkbaar heeft men hier gewijzigde vormen van aaszak (zie Dl. I, kol. 601).
(Zekere bedriegers) moeten weer na 't warme land, de lucht valt hier niet klaer, De naetzak is niet dicht,   bij V. VLOTEN, Kluchtsp. 3, 89.
Sy konden met geen luisen uit den naadsak spelen: of enige handelinge so vertonen, als of sy die daar komen deden, daar sy te voren niet en waren,   BEKKER, Betov. W. 3, 136 [1693].
ô Hekate, die ieder deel Der naatzak naar de kunst kunt speelen,   LANGENDIJK 1, 487.
— In de bet. B, 2). Naadhaak, haak waarmede men het werk, dat vernieuwd moet worden, uit de naden der planken haalt. Verg. PLUKHAAK (”Gereetschap 't geen de Scheeps-timmer-knechts gehouden zijn zelve mede te brengen. … Een Mos-kuil. Een Naet-haeckjen. Clavaets-hamer” enz., WITSEN, Scheepsb. 186 a [1671])
naadpresennings, ”lange smalle zeildoeks zomen, die men gepikt en geteert, gebruikt om de scheeps voege te decken”, WITSEN, Scheepsb. 501 a [1671].
— In andere bet. Naadbedekking, in toepassing op de looden bedekking van de naden van een dak: zie V. HOUCKE, Loodg. 497 [1902].
— In de bet. B, 5). Naadbeenderen (”In de naden — maar vooral in den achterhoofdsnaad — treft men vaak zelfstandige beenderen aan, die den naam van naadbeenderen, ossicula suturarum … dragen”, V. BRAAM HOUCKG., Ontleedk. 1, 143)
naadkraakbeen, benaming voor zeker bindweefsel bij de naadverbinding (zie a. w. 1, 282)
naadverbinding (”Van alle naadverbindingen geldt, dat het beenvlies continueel doorloopt over de door den naad vereenigde beenderen”, a. w. 1, 282).

Aanvulling bij NAAD

Afl.Naadloos, zonder naad gehecht of geproduceerd.
  V. DALE [1914 ].
— De vloer is van blokjes, zoogenaamd parquet. — Ei, niet naadloos? vraagt men. Neen niet naadloos. Waarom niet?   Onze Kunst 9, 17, 96 [1910].
Naadloze buizen,   V. DALE [1914].
De brandstofleiding moet van uitgegloeid naadloos koperen of getrokken naadloos stalen pijp zijn vervaardigd,   Schepenbesl. 1932, blz. 209, a. 16.
In die heldere geluiddoorgonsde ruimten staan de tientallen en tientallen enkelvoudige rondbreimachines, die de naadloze kous breien uit den spinragdunnen draad,   COOLEN, Breischei 9 [1955].
Naadloze vloeren,   V. DALE [1976].
Naadlooze weefsels, weefsels waarvan de kanten wegvallen doordat de schietspoel beurtelings door den boven- en onderketting gaat.
  V. DALE [1976].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1908.