Koppelingen:
Aanvulling
Vorig artikel: NAAKTHEID Volgend artikel: NAAM I
Dialect: WVD
Afbeeldingen: Dodoens1554
Etymologie: EWN, EWA
GTB Woordenboeken: MNW

NAALD

Woordsoort: znw.(v.)

Modern lemma: naald

znw. vr. Mnl. naelde, mnd. nâlde, mhd. nâlde, ohd. nâlda, ofri. nêlde: in ouderen vorm ohd. nâdla, mhd. nâdele, nâdel, nhd. nadel; ags. nǽdl, eng. needle, os. nâdla (verg. IF. 3, 295), ofri. nêdle, onr. nól, got. nêþla. Eene afleiding van den stam die voorkomt in het ww. naaien. Zie verder de etymologische woordenboeken.
+1.  Eigenlijk. Metalen stift met een scherpe punt aan het eene einde, en een oog aan het andere waardoor een draad wordt gestoken; aldus dienende om mede te naaien.
Dat Naaldens en Messen onder gemaakt Yser begreepen werden (t.w. bij de bepaling der invoerrechten),   Gr. Placaetb. 6, 1381 b [1725].
De naalden … worden van ijzer of staal gemaakt, dog die van staal zijn de beste in 't gebruik, mits dat niet alte veel gehard zijn,   CHOMEL 2243 a [1771].
Men maakt de naalden deels van ijzer-, deels van staaldraad,   GROTHE, Mechan. Technol. 128 [1879].
Ter verpakking worden de naalden … bij 't honderd in papieren omslagen of brieven besloten,   KUYPER, Technol. 1, 537.
— Huer handtghewerck vander naelde,   EVERAERT 306 [1529].
Als iemant sit en naeyt, hy schijnt het doek te breken, Maer schoon de naelde quetst, het garen heelt de steken,   CATS 1, 77 a [1618].
Men namp 'er (gelyk zulx behendelyk geschieden kan met een' gloeyende naalde) het zeeghelken af,   HOOFT, N.H. 529 [1642].
De spelle mis-trouwt de naeld' het steken,   DE BRUNE, Bank. 2, 308 [1658]  (zegsw.: men gelooft niet dat door een ander iets goed kan worden gedaan).
Deze grillen …, Die 't spinwiel rusten doen, de nutte naelde roesten,   DE DECKER 1, 360 [1656].
Als zy met den bril op den neus … met de naald werkte,   Philanthrope 2, 78 [1758].
(Zij) was … eene groote slons. Zy stak nooit een naald aan haare kleederen,   5, 198.
Ik heb er onder mijn pensionnaires, die keurig met de naald omgaan en u een winkelhaak weten aan te hechten, dat enz.,   V. LENNEP, K. Zev. 3, 203 [1865].
2.  In den zin van haarnaald, haarpriem, speld, waarmede het hoofdhaar wordt vastgestoken; niet zelden kostbaar en met een versierden knop.
Het haer zit hun agter als een tuit te samen gevlogten. … Zy steken 'er eene lange naelt door,   DE BRUYN, Reizen 2, 393 b [1714].
(Hare) losse haren (werden) … gevlochten en met gouden naalden op het hoofd bevestigd,   CONSC. 2, 13 a [ed. 1868].
De Paltzgravin Elizabeth … ontving … van wegen de algemeene staten … twee groote parelen om in het oor te hangen en een naald met een diamant, ter waarde van f 10,000,   SCHOTEL, Oud-Holl. Huisg. 51.
Grootmoeder was boos, omdat ik heur naalde uit heur haar getrokken hadde,   Loquela 11, 70 [1891].
+3.  In verschillende andere toepassingen, waarbij naald altijd een puntig voorwerp is, dienende om te steken.
+4.  In den zin van magneetnaald.
5.  Wijzer van een uurwerk (fr. aiguille). In N.-N. thans niet meer in gebruik.
(Ik) liet hem een sonnewijzer maecken van die daer de naelde de ueren wijst,   C. HUYGENS Jr., Journ. 1, 386 [1691].
Aller oogen (waren) op de naald van het uurwerk gevestigd,   CONSC. 1, 179 b [ed. 1867]
 (zie ook CONSC. 1, 354 a [ed. 1867]).
Op de uurplaat liepen verschillige naalden,   3, 386 a.
6.  Evenaar, tongetje van een weegschaal; in dien zin vooral in Z.-N. (V. HOUCKE, Loodg. 232 [1901]).
+7.  Pyramide; niet zoozeer in toepassing op meetkunstige lichamen als wel op de pyramiden in Egypte en zuilen of torens van min of meer pyramidalen vorm.
Paleizen, naelden (te Memphis),   VONDEL 3, 813 [1640].
Op het omstorten van de naelde op den kant van de brugh te Blois opgerecht,   VONDEL 9, 646 [1662].
'T Boutsel dat sijn naalde slaat Naar den Hemel,   Z. Nacht. 3, 33 a.
Wie kent de Naelden niet aen zijn beroemde baren (t.w. van den Nijl)?   ANTONIDES 1, 82 [1671].
Een Frontespies ofte op-staende Gevel …, tusschen twee Piramyden ofte Naelden,   V. BLEYSWIJCK, Beschr. v. Delft 118.
Iets in de gedaante van een Naald, of Pyramide,   DE BRUYN, Reizen 1, 6 a [1698].
Memfis naelden,   POOT 1, 319 [c. 1715].
8.  In de nijverheid nog in verschillende andere toepassingen, zoo b.v. bij weeftoestellen: zie GROTHE, Mechan. Technol. 364 [1879] en GROTHE, Mechan. Technol. 372 [1879]; ook bij het zeefmakersraam, zie KUYPER, Technol. 2, 579, enz.
9.  Als naam voor de bladeren van pijnboomen.
Grove dennen …, voorzien van goede eindknoppen, forsche naalden enz.,   Alg. Voorschr. 1901, § 445.
Zij reden … onder de pijnboomen den heuvelachtigen weg op, glad van naalden,   COUPERUS, E. Vere 3, 94 [1889].
10.  Als naam voor een plantendeel bij vele Grassen.
De naald (arista) aan de rugzijde van het onderst kroonkafje bij vele Gramineeën vertegenwoordigt de middelnerf der niet tot ontwikkeling gekomen bladschijf,   OUDEMANS en DE VRIES, Leerb. 2, 74.
11.  Bij bestratingen.
Bij de bestrating gebruikt men een mal, waarop een waterpas; zuiver naar deze mal worden vooruit, van afstand tot afstand, eenige steenen geplaatst die men naalden noemt: de bestrating wordt iets hooger dan deze naalden aangelegd, opdat de weg na de zetting nog de bepaalde tonrondte zoude kunnen behouden,   STORM BUYSING, Waterbouwk. 1³, 59.
12.  In de bouwkunde. Aanslaglijst bij deuren of ramen; inzonderheid bij dubbele deuren of ramen: lijst op of tegen de eene deur bevestigd en met het overstekende deel tegen de andere deur slaande, waardoor dus de naad tusschen beide deuren bedekt wordt (zie BERGHUIS, Betimm. 132).
De aanslag die boven op het houtwerk eener deur of venster is vastgemaakt, heet opgelegde naald,   V. KEIRSBILCK, Timm. 5 [1898].
13.  In den scheepsbouw. Rondgeschaafde eikenhouten lijst, die van buiten tegen de rusten aangespijkerd, de rustijzers belet uit de gaten of inkepingen te vallen (verg. MOSSEL, Schip 196 [1859]).
Afl. Naalden, met de naald werken, borduren: een enkele maal voorkomende.
Gund my g'laurierde faem, Met goud en zilver draed wilt die op 't kunstichst naelden, Op bed gordijnen meest,   RODENBURGH, Tr. Bat. in Nav. 40, 177.
Koppel.
Hy (gaf) hun ten antwoordt, dat schryven alleen een ambacht, maer naeldemaeken een kunst was,   BRANDT, De Groot 7. 't Naeldeslieren  (bij HOOFT, Ged. 1, 345 [1636], in den zin van: het werken met de naald, het borduren).
Samenst. In de bet. 1). Naaldenboekje, boekje, bestaande uit lapjes flanel, waarop men de naalden kan steken die men in gebruik heeft; ook wel boekje waarin pakjes naalden zijn gestoken om ze aldus in den handel te brengen.
Naaldbroeder, in den zin van medekleermaker voorkomende in Ned. Spect. 12, 71.
Naaldenkoker, koker van hout, been of metaal, waarin de vrouwen haar naalden bewaren.
Zilveren Ketentjes, aan een Zilveren Haak gehegt; waar aan ze een Schaartje, Mesje, Naaldenkoker, en ander Vrouwentuig hingen,   BERKHEY, N.H. 3, 572 [1773].
Naaldenoog en naaldoog, oog van een naald.
Wie stapt 'er over heen (t.w. over bergen van bezwaren)? Wie dringt door 't naeldenoogh met krencken van zijn leên?   VONDEL 4, 349 [1642].
— Afl. Naaldoogen, gewestelijk bekend voor ”insteken” (t.w. een draad door het oog van een naald halen).
Naaldeprik, vooral bij vergelijking gebruikt, wanneer sprake is van stekelige, schampere opmerkingen.
Hij … zeide met een' schamperen lach: ”Een naaldenprikje schaadt niet”,   LOOSJES, Bronkh. 5, 177 [1807].
Dat laatste werkte als een naaldeprik in Annekes vel,   STIJN STREUVELS, Minneh. 1, 104 [1903].
Naaldeschilderij, bij CATS 2, 196 a [1635] in den zin van: het borduren (evenzoo bij DE WREE, Oorloghst. 8 (a°. 1625).
Naaldspel, in Z.-N., bij kantwerksters: ”speld die zeer groot is en dient om de bouten op te steken” (JOOS [1900-1904]).
Naaldesteek, hetzelfde als naaldprik.
(Hij) had nimmer doen blijken, dat hij de speldeprikken of de naaldesteken … voelde; hij was voortgegaan zwijgend neer te zitten,   SCHIMMEL 2, 245 b [1860].
Naaldwerk, naaldewerk, het werken met de naald, en ook hetgeen daarbij wordt voortgebracht.
Ick neme mijn vermaeck in priem, of naelde-werck: Ick ben schier noyt op straet,   CATS 1, 514 a [1632].
Priem- en naelde-werk, een hantspel van de vrouwen,   CATS 2, 119 a [1635].
Heur dochters … konden treffelik zingen, de luit slaan, op de clavesim spelen, en verstonden allerlei naaldewerk,   DE BRUNE, Wetst. 1, 318 [1644].
Zodanig een Hoofddeksel … van ongemeen konstige Kant- en Naaldewerk,   BERKHEY, N.H. 3, 563 [1773].
Ik zag … hoe onbekwaam ik was, om … door borduur- en naalden-werk voor mij zelve te zorgen,   WOLFF en DEKEN, Wildsch. 5, 194 [1796]
 (zie nog WOLFF en DEKEN, Wildsch. 3, 79 [1793]) .
— Samenst. Kunstnaaldwerk.
Naaldwijs, naaldewijs, met de naald kunnende omgaan, eigenlijk van een snijdersleerling; ook in ruimer toepassing: eenigszins bekend met een vak, een onderwerp, letterwijs.
Gy zyt er zo wat naaldewys in (t.w. in de liefde),   WOLFF en DEKEN, Leev. 7, 145 [1785].
Laat den meester daar voorschriften uit geeven (t.w. uit zeker boek met spreuken), op dat de kinderen zo wat naaldewys in de schrift zouden worden,   WOLFF en DEKEN, Blank. 3, 314 [1789].
— Als tweede lid. Borduurnaald, breinaald, haaknaald, kardoesnaald, lijknaald, maasnaald, naainaald, paknaald, stopnaald, tapisserienaald, zeilnaald (zie die woorden of het eerste lid).
— In de bet. 2). Haarnaald, voornaald, zijnaald (zie die woorden of het eerste lid).
— In de bet. 3). Naaldgeweer.
Het Pruisische naaldgeweer, dat in 1831 door Dreyse … werd voorgesteld,   LANDOLT 1, 288 [1861].
Krom gedwee uw hoofd … voor de tromp van 't naaldgeweer,   TER HAAR, Ged. 3, 317 [1866].
— Als tweede lid. Etsnaald (zie ald.).
Ruimnaald, stalen of koperen naald tot het reinigen van het zundgat der handvuurwapens en van het geschut (LANDOLT 2, 151 [1862]).
(De Constapels) sullen hen ter aanbestelder Plaatse … laaten vinden, … voorsien synde met Tal-stok, Lond-stok, Kruyd-hooren, Ruym-naalde en Passer,   bij DIBBETZ, Milit. Wdb. 145 b [1599].
— In de bet. 4). Naaldwijzing.
Seker … Tractaetgen, belangende de wetenschap der Naeltwysinge, om daerdoor te onderschejden des Werelts lenghde,   in Nav. 21, 516 [1610].
— Als tweede lid. Kompasnaald, magneetnaald (zie het eerste lid).
— In de bet. 7). Naaldepunt, punt van een torenspits.
Dat prachtigh hof, Wiens naeldepunt Godts hof beschiet,   VONDEL 3, 779 [1640].
— Als tweede lid. Torennaald, torenspits (zie b.v. WILLEMS, Nalat. 113).
— In de bet. 8). Naaldkast, naaldplankje, namen van onderdeelen aan weefmachines (zie GROTHE, Mechan. Technol. 364 [1879]).
Naaldproef: zie hieronder.
— Als tweede lid. Proefnaald, een voorwerp waarmede de hoedanigheid van tras wordt beproefd: deze proef heet naaldproef (verg. b.v. KRECKE, Chem. Technol. 276 [1881]).
(Het mengsel) moet na 48 uren, bij behoud eener gladde oppervlakte, zonder merkbaren indruk een proefnaald van 1.2 mM. middellijn, belast met 300 gram, kunnen dragen,   Alg. Voorschr. 1901, § 352.
Toetsnaald, tot het keuren van goud of zilver.
Diversche partijen (goud hadden wij) per manquement van een touts naelden moeten ontseggen,   Daghreg. Bat. 5, 144 [1642].
— Verder, als weverstermen: fluweelnaald, fulpnaald, pluchenaald, tapijtnaald
snijnaald, treknaald: zie KUYPER, Technol. 2, 187.
— In de bet. 9). Naaldboom, naaldhout, de boomen wier bladeren naalden heeten, t.w. de Coniferae, waartoe o.a. behooren de pijnboomen, de taxis, de jeneverbes (verg. V. HALL, Landh. Flora 211 [1854]).
De Naaldboomen … behooren … tot de zoogenaamde altijd groene gewassen,   OUDEMANS, Flora¹ 3, 85.
Binnen de grenzen onzer flora komen een zevental Naaldboomen voor, behoorende tot de drie geslachten Taxus,   Juniperus en Pinus, 3, 86.
— In namen van dieren: Naaldvisschen, naam van een groep van visschen met een langwerpig, veelal zelfs steelvormig lichaam (zie SCHLEGEL, Visschen 176): onder de naaldvisschen vindt men verschillende soorten die zeenaalden heeten.
— Onder de namen van planten b. v.: Naaldaar (lat. Setaria), inzonder is bekend de groene naaldaar (S. viridis), een onkruid op zandige bouwlanden (OUDEMANS, Flora² 3, 448); Ned. Plantenn. 53 wordt ook vermeld kransnaaldaar (S. verticillata).
Naaldekervel, ook wel naaldekenskruid genoemd (HEUKELS 229 [1907]), ook kranebek of ooievaarsbek; lat. Scandix Pecten Veneris (OUDEMANS, Flora² 2, 192).
Naaldenkoker komt voor als naam voor verschillende planten (zie HEUKELS 91 [1907], HEUKELS 92 [1907], HEUKELS 263 [1907]).
Naaldenkruid komt voor als synoniem met Robertskruid (HEUKELS 111 [1907]).
— In Ned. Plantenn. (45, 27, 44) worden ook opgegeven de namen naaldvaren, naaldwaterbies, naaldweegbree.
— Een term in de plantkunde is ook naaldkristal.
Een bizondere vorm van vaten zijn de zoogenoemde kristalbuizen, die men in vele monocotyle planten … in de stengels en de bladen vindt, en die met een kleverig vocht gevuld zijn, waarin uiterst talrijke naaldkristallen (raphiden) liggen,   OUDEMANS en DE VRIES, Leerb. 1, 58.
— In de bet. 12). Als tweede lid. Tongnaald.
Tongnaalden worden tegen de dikte der deur met houtschroeven vastgezet en zijn veel sterker dan opgelegde naalden,   BERGHUIS, Betimm. 133.

Aanvulling bij NAALD

Samenst. Naaldenbed, deel van een breimachine waarop zich de haakvormige breinaalden bevinden.
Slechts lichtelijk beeft op de cottonmachine de groeiende, gazige kous in zijn spanning als, bij de maatgang van slag en weerslag van het felle geluid, het naaldenbed den draad tot de voor het oog onzichtbare steken legt in de weer toegevoegde toer,   COOLEN, Breischei 138 [1955].
Tur-mix breimachines breien op één naaldenbed rechts-averechts en patentsteek zonder ophaken,   uit een advert. [1958].
Naaldhak, zeer dunne hooge hak aan damesschoenen.
  V. DALE [1976].
— Of deze wisseling van hakhoogte goed is voor de voet? … Breng het eens een meisje aan het verstand, dat beurtelings droomt van bééélderige platte schoentjes en nog mooiere met naaldhakken,   CANTER CREMERS-V.D. DOES, Schoenen 137  (ed. 1960).
Er wiegen twee meisjes, met kapsels die Marie Antoinette wat aan de hoge kant gevonden zou hebben, heen en weer, een beetje moeilijk in evenwicht op de naaldhakken en ritselend met het frou frou van zeer orthodoxe pettycoats,   CARMIGGELT, Later 25 [1964].
Naaldhout, hierbij: Naaldhoutsoort, variëteit van naaldhout.
Aangezien er, wat de vertaling der namen van enkele Hebreeuwse boomsoorten betreft, nog al verschil van mening is, blijkt het hier noodzakelijk bij de naaldhoutsoorten tevens even over enkele loofhoutsoorten te spreken,   Hout in alle T. 1, 610 [1949].
Hoewel er in de wereldhandel (slechts) ca. 200 houtsoorten voorkomen en we in Nederland in de practijk (slechts) ca. 100 soorten gebruiken, stelt de aarde toch ruim 45 000 verschillende Loofhoutsoorten en ruim 5000 verschillende Naaldhoutsoorten aan de mens ter beschikking,   Hout in alle T. 6, 4* [1955].
Naaldvak.
1°. Onderdeel van een weefmachine waarin zich de naalden bevinden.
In ieder grond-vak wordt met de schiet-spoel een inslag-draad ingeschoten, in ieder naald-vak daarentegen eene naald of roede … overdwars ingeschoven,   KUIJPER, Technol. 2, 187 [1862].
2°. Leervak in het nijverheidsonderwijs, waar met de naald wordt gewerkt (zooals naaien, borduren, stofversieren e.d.), tgov. huishoudvakken. Meestal in het mv.
  V. DALE [1950 ].
— Daar kwam nog bij dat de arbeid die in de confectie-industrie moest worden verricht ook nauwelijks aansloot bij de naaldvakken die in het lager huishoud- en nijverheidsonderwijs gegeven werden,   Uitleg 378, 11 a [1974].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1908.