Koppelingen:
Vorig artikel: NAGEL I Volgend artikel: NAGELAG
Etymologie: EWN
GTB Woordenboeken: MNW

NAGELII

Woordsoort: znw.(m.)

Modern lemma: nagel

znw. m. Etymologisch hetzelfde woord als het in het voorgaande art. behandelde: zie verder ald.
+A.  Benaming voor sommige metalen of houten pennen.
+B.  Als naam in de plantkunde.
C.  Als term in de bouwkunde o.a. in den zin van fr. patère, een soort van roset als versiering: zie ROSE, Orn. 75.
Afl. Nagelen, nichelen (zie die woorden).
Benageld, met nagels bezet, gezegd van een poort aan een vesting, t.w. om het openhakken moeilijk te maken (”Hem (sluiten) buiten, Met grendel en boom, Benagelde poorten”, STARING 3, 30 [1820]).
Nagelloos, niet met nagels bevestigd (verg. NAGELVAST); thans verouderd.
Se (knopen) haer vast, plunderende alles wat nageloos was, en gaen met den buyt deur,   PERS, Ontst. Leeuw 562 a.
Samenst. Nagelbloem, nagelhout, nagelijzer, nagelkruid, nagelvast (zie die woorden).
— Verder een aantal andere, als b. v.:
Nagelbak, bij CORN.-VERVL. 2254 ongeveer hetzelfde als het in N.-N. gewone spijkerbak, ”houten bak waar timmerman, schrijnwerker enz. zijne nagels in bewaart”.
Nagelbank, voorkomende als scheepsterm: houten plaat binnenboord tegen de vertuining, met gaten om daarin de karveelnagels te steken waaraan het loopend touwwerk wordt belegd.
Nagelbanken, die langscheeps varende, eene ligging tegen boord bekomen,   MOSSEL, Schip 254 [1859].
Nagelbast, ook nagelhout, nagelkassie, benamingen voor den bast van een boom in West-Indië, waarvan de reuk en smaak die van de kruidnagelen nabij komt; Cassia caryophyllata (CHOMEL 355 a [1768]).
Nagelbeentjes bij CHOMEL, Verv. 5083 b [1792] benaming voor traanbeentjes, omdat zij eenigszins de gedaante van een nagel hebben.
Nagelblad, blad van den nagelboom; vandaar
— Samenst. Nagelbladenolie.
De Nederlanders in Amboina komender Nagel-bladen-olie van te disteleeren,   SCHOUTEN, Voyagie 1, 44 [1676].
Nagelboom: waarvan de nagels of kruidnagels komen; Caryophyllus aromaticus; thans niet gewoon meer.
'T landt is meest woest, ende men souder ghenoech Nagel-boomen mogen planten, dan daer moesten Slaven wesen diese pluckten,   Begin e. Voortg. 13, 58 b [ed. 1646].
Wy … konden het heerlijck gewas der Nagel-boomen en Vrugten besien,   SCHOUTEN, Voyagie 1, 43 [1676].
De Nagelboomen wassen omtrent een Musquetschoot weghs van de Zee, ongeplant en onwaergenoomen,   S. DE VRIES, Cur. Aenm. 1, 119.
Machian, dat voor de Moederplaats der Nagelboomen gehouden werdt,   HOUTTUYN, Nat. Hist. II, 3, 45 [1774].
— Bij CHOMEL 3586 a [1775] ook als naam voor de Sering: verg. hierboven onder B).
Nagelboor, hetzelfde als spijkerboor, waarmede het ook bij KIL. [1588] wordt gelijkgesteld: timmermansgereedschap tot het maken van gaten voor de spijkers.
De kleine welbekende handboor (fretboor) is een vereeniging van lepel- en slingerboor; en dient alleen om kleine gaten (nagelboor) en in hoeken te boren,   GROTHE, Mechan. Technol. 223 [1879].
Nagelbosch: van nagelboomen.
Om te destrueeren seecker nagelbosch,   Daghreg. Bat. 3, 136 [1636].
Nageldraaibank, in den scheepsbouw: draaibank waarop houten nagels vervaardigd worden.
Nagelfabriek, hetzelfde als spijkerfabriek, fr. clouterie, bij V. HOUCKE, Loodg. 500 [1902].
Nagelgat, in verschillende toepassingen van het begrip: gat waarin een nagel wordt gestoken.
Nagelgat, … opening, die aan de oppervlakte van het hout is gevormd, door het verdrinken van eenen nagel,   V. KEIRSBILCK, Timm. 291 [1898].
De uit de schijf stekende einden of tappen (t.w. bij een katrol) worden in ronde gaten, nagelgaten, ondersteund,   GROTHE, Kennis v. Werkt. 32  (de bout die door het midden der schijf gaat heet pin, nagel, bloknagel).
De nagel is eene ronde pen van paardenvleeschhout; hij wordt door de nagelgaten van blok en schijf gestoken,   PILAAR-MOSSEL, Tuig 80 [1858].
Nagelgruis, in het algemeene Ndl. minder gewoon dan b.v. in het Fri. nagelgrûs, ”gebroken of gemalen kruidnagelen” (Fri. Wdb. 2, 185); bij verkorting gruis, ”fijngemalen kruidnagelen of piment” (BOEKENOOGEN 270).
Nagelhamer, in den scheepsbouw: zie de aanhaling.
Ter beider einde met ysere Ringen, beslaagene Nagelhamers, om de houte Nagels in de Scheepen te slaan,   V. YK, Scheepsb. 29 [1697].
De nagelhamer … heeft op elk einde een' zwaren ijzeren band …, en een langen steel,   MOSSEL, Schip 126 [1859].
Nagelhandel, t.w. in kruidnagelen.
Ambon, Oma, Anemo en Nasselau, welke een genoegzaame veelheid (t.w. kruidnagelen) … tot den Nagel-Handel … in Europa uitleveren,   HOUTTUYN, Nat. Hist. II, 3, 46 [1774].
Nagelhyacint, in Friesland voor Scilla bifolia, elders sterhyacint (HEUKELS 229 [1907]).
Nagelkaas: met kruidnagelen gekruid.
De ondermelk … wordt verwerkt tot kaas, natuurlijk magere, meestal nagel- of kruidkaas (in Friesland),   Onderz. Landb. 1886, 26, 16 [1890].
Nagelkassie: zie -bast.
Nagelkop.
1°. Spijkerkop; bij V. HOUCKE, Loodg. 500 [1902].
2°. Nagelkoppen of ronde nagels wordt bij CHOMEL 2247 a [1771] vermeld in den zin van peper van Jamaica of piment (de boom heet lat. Pimenta officinalis, waarvan de bast soms Cassia caryophyllata heet: zie boven Nagelbast).
Nagellos wordt in Arch. v. Ned. Taalk. 1, 337 voor Drente opgegeven als ”het tegengestelde van nagelvast”: zie ook Nagelloos onder Afl.
Nagelmaker, nagelsmid, spijkermaker (VUYLSTEKE, Smid 101;) (V. HOUCKE, Loodg. 500 [1902]).
Nagelmal of klouwiere, ijzeren plaat met gaten waarin de nagels worden gestoken om er met de nagelstamp koppen aan te slaan (V. HOUCKE, Loodg. 500 [1902]): verg. NAGELIJZER.
Nagelmelk: met kruidnagelen gekookt.
Nagelmes: zie VERDAM. Ags. nœglseax wordt gelijkgesteld met ”novaculum” (verg. MURRAY 6, 6 c); in de middeleeuwen is nagelmes (bij KIL. [1588] gelijkgesteld met ”naeghelsweerd”) een soort van lang mes.
Soo wie yemandt vreest in euvelen wille, met lange messen, of nagel-messen, daer de lemmer langer af is dan twaelf duymen, bylen enz.   Gr. Placaetb. 4, 995 a [1495].
— In de jongere taal vermeld als naam voor een mesje om de nagels te besnijden: zie b.v. V. DALE, en verg. eng. nailknife (bij MURRAY).
Nagelnieuw, splinternieuw, een woord dat in de ondere taal niet voorkomt, en nooit zeer gewoon is geweest; in de Hollandsche spreektaal is het onbekend. In het Hd. is nagelneu reeds vrij oud: zie D. Wtb. 7, 268, en ald. de verklaring ”neu wie ein eben aus der schmiede kommender nagel”. Bij ons is nagelnieuw wellicht een germanisme.
Onder welke schepen er ten minsten 1/2 dousijn gantsch nieuw nagel (sic) sig bevonden,   V. HARDENBROEK, Gedenkschr. 2, 353 [1781].
Een nagelnieuwe Wet,   STARING 2, 145 [1832].
Een nagelnieuw pak (t.w. kleeren),   SLEECKX 1, 80 [1861].
Romans of modejournalen, … regelregt en nagelnieuw uit Parijs toegezonden,   in Tijdsp. 1854, 1, 175 a.
Twee nagelnieuwe wandelparken,   BUSKEN HUET, Bub. 28.
Nagelnoot, bij CHOMEL 2247 b [1771] als naam voor de ”Noot van Madagascar; in 't latijn Nux carijophijllata; is een Noot van groote als een Muscaate-noot, maar wat ronder en bruiner, die een reuk en smaak heeft als kruid-nagels”.
Nagelolie: van kruidnagelen.
Een watje met nagelolie tegen de kiespijn. Het gezicht met nagelolie insmeren om geen last te hebben van de muggen.   poëem WNT
Nagelplantage: van nagelboomen.
Soo hem dat verdestrueert wierde, dan (souden) weijnich off geen nagelplantagien daer omtrent meer … resteren,   Daghreg. Bat. 3, 137 [1636].
Nagelplug, plug waarmede een houten scheepsnagel aan het achtereinde wordt voorzien: verg. MOSSEL, Schip 92 [1859].
Nagelpoeder of nagelpoer, kruiderij, bestaande uit fijngemaakte nagelen of wel uit fijngemaakt piment (als zoodanig ook vermeld bij DE BO [1873], en voor Zeeuwsch Vlaanderen door V. DALE in Taal- en Letterb. 3, 228): verg. boven Nagelgruis en Nagelkop. Thans in N.-N. niet gewoon.
Ende off ghy wilt, stroyter Cubeben ende Naghelpoeder op,   Koockb. 16 [1599].
Dan breng ick oock wafelen …; Daer is nagelpoêr in en caneel,   bij V. VLOTEN, Kluchtsp. 1, 213.
Genoffel, of eenverwigh, of gemengelt, Gezegent met een lucht Van nagelpoêr,   OUDAAN bij VONDEL 8, 124 [1679].
Nagelprop, een prop om de spijkergaten aan de buitenhuid van een schip dicht te maken, V. DALE.
Nagelrijk, veel kruidnagelen opleverende.
De nagelrijcke plaetsen van het trouwloos Ceeram,   Daghreg. Bat. 2, 246 [1634].
Het Nagel-rijck Amboina,   SCHOUTEN, Voyagie 1, 41 [1676].
De Nagel-rijcke Eylanden Amboina, Onymo enz.,   1, 46.
Nagelsmid, spijkermaker, fr. cloutier, bij MARIN; evenzoo genoemd bij KUYPER, Technol. 1, 498; bij VUYLSTEKE en bij V. HOUCKE.
Nagelspecerij, ongemeen: de specerij die kruidnagel heet.
(Kruidnagelboomen) welckers bladeren …, in de handen gewreven zijnde, vol aengename geur der Nagel-speceryen bevonden worden,   SCHOUTEN, Voyagie 1, 44 [1676].
Nagelstamp, in Z.-N. bekend in den zin van nagelijzer: zie CORN.-VERVL. 1913, VUYLSTEKE en V. HOUCKE.
Nageltakken gewestelijke naam voor de hyacint; Hyacinthus orientalis (HEUKELS 122 [1907]); ook voor de sering; Syringa vulgaris (HEUKELS 249 [1907]).
Nageltrekker, werktuig om spijkers uit te trekken (KUYPER, Technol. 1, 779; V. HOUCKE, Loodg. 501 [1902]).
Nageltuin: hetzelfde als -plantage.
Het destrueren van de negrijs van de Erang, Houlong …, ende het vernielen vander selver nageltuijnen,   Daghreg. Bat. 2, 197 [1633].
Nagelvat: waarin kruidnagelen worden verzonden: zie een lijst van tolgelden in Gr. Placaetb. 4, 632 b [1518].
Nagelvervoerder.
Den affbreuck die (wij) dagelijcx aende nagelvervoerderen met dootslaen ende verbranden van haer vaertuijch deden,   Daghreg. Bat. 3, 136 [1636].
— ”Naeghelverwe”, bij KIL. [1599] verklaard met ”color badius, phoenicius”: dit woord kan niet wel met nagel, unguis, samengesteld zijn. Ook in D. Wtb. 7, 266 wordt nägelfarbe vermeld: volgens STIELERcolor rufus, nigaster”, de kleur is bruin. KIL. [1574] zegt: ”à naghel, i. clavus.”.
Nagelvorm: hetzelfde als -ijzer (KUYPER, Technol. 1, 498).
Nagelvrucht: van den nagelboom.
Waerdoor … (zij) meerder waerdije voor hunne nagelvruchten (zouden) becomen,   Daghreg. Bat. 2, 374 [1634]
 (zie ook Daghreg. Bat. 5, 2 [1642]) .
Nagelwerk, bij STAMMETZ-LA BORDUS, Wisk. Wdb. 312 b [1740] vermeld als naam voor latwerk dat met nagels in elkaar wordt getimmerd en dat dient voor priëelen, bogen enz.
Nagelwortel: zie NAGELKRUID.
Nagelzwaard: zie -mes.
— Als tweede lid. In de bet. A). Ankernagel, bandnagel, bannagel), bloknagel, damnagel, draadnagel, draainagel, glasnagel, heknagel, hoefnagel, karveelnagel, keernagel, klinknagel, kruisnagel, laschnagel, latnagel, lijstnagel, loodnagel, platpuntnagel, scheepsnagel, schoenmakersnagel, schroefnagel, sloopnagel, slotnagel, sluitnagel, spitspuntnagel, sponnagel, tengnagel, toognagel, treknagel, vensternagel, zaknagel, zoldernagel, zoomnagel (zie die woorden of het eerste lid, en zie nog verschillende andere soorten genoemd b.v. bij KUYPER, Technol. 1, 501—506).
— Verder nog b.v. behangersnagel, bepaaldelijk die nagels ”welke tot het beslaan van opgevulde meubelen dienen en groote ronde … van onderen holle koppen bezitten” (KUYPER, Technol. 1, 509; zie ook V. HOUCKE, Loodg. 499 [1902])
bekleednagel, dienende tot het bevestigen van koperen of zinken bekleedingen van schepen (V. HOUCKE, Loodg. 498 [1902])
haknagels: voor hakken van schoenen (KUYPER, Technol. 1, 502)
oornagel, gebogen koperen kram voor elk der beide punten van de weversspoel (BOEKENOOGEN), enz.
— In de bet. B). Kruidnagel (zie ald.)
geroffelnagel, groffelnagel, hetzelfde als kruidnagel (”geroffelnaeghels cuerlic”, EVERAERT 459 [1530]; ”De wortel (t.w. van deCaryoffyllate”) is … van reucke de Gyroffelnagelen wat ghelijkende”, DODON. 212 b [ed. 1608] (213 a: Gyroffels nagelen); ”Groffels-nagelen, (soo genoemt na het Griecx Karuophullon, ende om dat sy een nagel ofte spijcker ghelijcken)”, V. BEVERW., Schat d. Onges. 1, 38 b [1642])
hopnagel, gewestelijk voor de wilde hyacint (HEUKELS 90 [1907])
moernagel: zie kol. 931.
— Als persoonsnamen: taainagel, iemand die zich taai en kras houdt, ook wel iemand die op zijn stuk blijft staan of die erg afdingt
plaagnagel, bij BOEKENOOGEN in den zin van plaaggeest.
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1909.