Koppelingen:
Vorig artikel: NAOOGEN Volgend artikel: NAPALM
GTB Woordenboeken: MNW, MNW

NAP

Woordsoort: znw.(m.)

Modern lemma: nap

znw. m. Mnl. nap (waarnaast ook wel nappe, vr.), mnd. nap, mhd. napf, ohd. hnapf, ags. hnæpp: zie de woordenboeken, en verg. IF. 18, 34.
1.  Beker, drinkschaal, kelk, kroes; in de middeleeuwen gewoon, doch gaandeweg verouderd en thans in een dergelijke opvatting nog slechts bij dichters. Verg. fr. hanap, dat aan het Germ. is ontleend.
Nap, Cyathus, scyphus, patera, carchesium, poculum,   KIL. [1599].
— Dit is die ghene die v can schincken Wijn der wellusticheyt … Al die uyt haeren vergulden napt eens drincken Die en connen haer dan niet meer verlaten,   HOUWAERT, Lusth. d. M. 1, 47 [1582].
Hier zit de Wijse-man, hy laet hem niet meer tappen Tot t' noenmael, dan alleen drye matelijcke nappen,   VONDEL 1, 231 [1613].
Wat is een houte nap in waerde by een koe!   VONDEL 8, 151 [1660]  (VIRG., Ecl. 3, 48: si ad vitulam spectas, nihil est quod pocula laudes; verg. 5, 46; ”wat mogen kroezen by een koe halen?”).
't Voornaemste dat in de Wooningen der Chineesen gevonden wort, zijn Matten, Stoelen, Bancken, Nappen, Kruycken enz.,   SCHOUTEN, Voyagie 1, 26 [1676].
Nog een kleyn napje, dat is ook niet verbooden,   V. HALMAEL 1, 62  (in de hand heeft iemandeen Boutelje en een pints Glas”).
Nappen wijn, die hem gebragt wierden,   VALENTIJN, Ovid. 1, 182  (Art. am. 1, 593: data vina).
Mijnen dronk Uit ongewijde nap,   STARING 3, 44 [1820].
Wij minnen … 't Vlaamsche gerstensap …; Lang leev' de bruin beschuimde nap!   LEDEGANCK 157.
De omkranste nap …, tot den boord met Rhijnwijn volgeschonken,   HASEBROEK, Poëzy 108.
+2.  Een (gewoonlijk houten) kom of diepe schotel, niet juist bestemd om uit te drinken; in dien zin nog thans gewoon.
Nap, vet. j. diepe schotel, Catinus, paropsis, alveus, alveolus,   KIL. [1588].
— De voorsz … Wisselaers sullen voorts gehouden zijn, in 't openbaer voor haren Winckel te houden uytstaende den Schotel ofte Nappe mette Wapenen der voorsz Provincien daer op geschildert …, ten eynde een yegelijck mach weten, dat sy tot sulcx gecommitteert zijn,   Gr. Placaetb. 1, 2683 [1606].
't Melkmeisje schenkt u room, Noch schuimende in der nap,   MOONEN, Poëzy 138.
Dan wort hun de maet, die zy begeren, met een houten lepel toegemeten uit een groote ketel, en in een houten napje overgegeven (verkoop van brandewijn in Rusland),   DE BRUYN, Reizen 2, 76 a [1714].
Zoo neemt zij eene houten nap, kom of teljoor … en schept daarmede voorzigtig den room van de melk af,   BERKHEY, N.H. 9, 339 [1811].
Geringe spys en drank smaakt my beter uit een houte nap of kom …, dan enz.,   Philanthrope 2, 287 [1758].
Een nap met melk,   TOLLENS 5, 174 [1822].
Met een houten nap schepte Wouter de wei over in de goot,   EMANTS, Lina 164.
3.  Als naam voor zekere deelen van planten: verg. kelk, en zie vooral de tweede aanhaling.
De blaeden van mijn' rooze zijn genoeghzaam verwelkt en afgevallen, maer nap en naevel staen er noch (hier oneigenlijk gebruikt),   HOOFT, Br. 3, 299 [1639].
Bij de Cupuliferae, waartoe o.a. de Eik, de Beuk, de tamme Kastanje en de Hazelaar behooren, vindt men rondom de rijpe vrucht of vruchten een zoogenoemd Napje (Cupula), dat … uit … grootere of kleinere, leerachtige schubben bestaat,   OUDEMANS, Leerb. 1, 150.
4.  Volgens KUYPER, Technol. 2, 242, als naam voor de potten van messing, ijzer of staal, waarin de spillen van een spinmachine draaien; hd. näpfchen (dat waarschijnlijk verhollandscht is).
5.  Te Vlaardingen als naam voor een kleine boot, die door de hoekers bij de uitoefening der beugvisscherij wordt meegenomen.
Samenst. Nappendraaier, iemand die houten nappen draait (bij HALMA, en ook bij WEIL.).
Napgat, anders napkruiper, ”iemand, wiens ligchaam, bij gemis van beide beenen, in eenen nap rust, om zich, door dat middel, voord te bewegen” (WEIL.).
Naphoorn, benaming van zeehoorns, met vlak, en. schotel-, schild- of oorvormig huisje; Haliotidei (SCHLEGEL, Dierk. 2, 410 [1858]).
Napjesdragend, in het mv. de napjesdragenden voor: planten van de familie der Cupuliferae (OUDEMANS, Flora² 3, 95; STARING, Huisb. 255 [1862]).
— Als tweede lid. Bedelnap, boternap, bruiloftsnap, drinknap, kaasnap, melknap, roomnap, voetennap, zuignap (zie die woorden of het eerste lid).
Geuzennap.
Het alom zoo berugte Geuse Napje, of de zoogenaamde houte drinknappen der Geusen,   V. ALKEMADE, Displ. 2, 492 [1732].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1909.