Koppelingen:
Vorig artikel: NAWEIDE Volgend artikel: NAWIJZEN
GTB Woordenboeken: MNW

NAWERKEN

Woordsoort: ww.(intr.,trans.,zw.)

Modern lemma: nawerken

onz. en bedr. zw. ww.
1.  Iemands bedrijf navolgen; met een persoonsbepaling, die als datief, doch ook wel als accusatief kan worden opgevat, en dan zou nawerken bedrijvend moeten heeten. Thans onbekend.
Om uw Vorstin trouw na te werken,   CRUCIUS, bij WEIL.
2.  Werken, b.v. met de borduurnaald, om een reeds bestaand werk na te maken.
Ik zou dat kleedje wel willen nawerken.   poëem WNT
+3.  Een werking laten blijken, nadat de eigenlijke werking, waarop men vooral heeft gelet, reeds voorbij is; verg. hd. nachwirken.
Afl. Nawerking.
Nawerking der Leidsche flesch,   BOSSCHA § 750.
— Zeer gewoon als afl. van Nawerken in de bet. 3, b), en dan waarschijnlijk ook wel naar het voorbeeld van hd. nachwirkung.
Van het kortstondige krijgsmansleven (t.w. tijdens den veldtocht tegen de Belgen) bleef niets over dan de herinnering aan den wel volbrachten plicht der vaderlandsliefde en de nawerking van de geestdrift, die de sleur van het alledaagsche leven zoo weldadig had afgebroken,   FRUIN, Geschr. 9, 472 [1888].
De nawerking van zijn voorbeeld blijft duren,   9, 496.
Dit koloniaal bezit (verhoogt) ons prestige … door de nawerking van een roemrijk verleden,   KUYPER, Program 976.
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1910.