Koppelingen:
Vorig artikel: NE Volgend artikel: NEBAAL
GTB Woordenboeken: MNW

NEB

Woordsoort: znw.(v.)

Modern lemma: neb

— in de oudere taal ook NEBBE —, znw. vr. Mnl. nebbe is niet zeer gewoon, althans niet in het Zuiden; KIL. [1588] vermeldt nebbe als Sax. Fris. Holl.Ags. nebb, onz., eng. neb, mnd. nebbe, vr., onr. nef, onz.; men vindt in het Oudgerm. ook de bet. neus. Verg. ook snavel en sneb (zie vormen met sn- bij NOREEN, Urgerm. Lautl. 208, en Altisl. Gramm.³ § 312). Men vindt ook mnd. nibbe, Teuth. nyb.
+1.  Snavel van een vogel.
Eenen witten Voghel …, eenen tandachtighen nebbe hebbende,   FRANCK, Wereltb. 13 d [1595].
'k Zie een vogeltjen … mij de neb biên,   HOOFT, Ged. 1, 344 [1636].
Gevoghelt ister veel met dicke platte nebben,   v. d. VEEN, Zinneb. enz. 310.
De vliegende visschen … met lange nebben of bekken als vogels,   EGEDE, Groenl. 65 [1746].
Zijn bek (van den pijlvisch) gelijkt naar de nebbe van eenen vogel,   HAAFNER, Ceilon 46 [1810].
De … musch draegt, in haere nebbe, het voedzel voor haere Jongen,   STOPPENDAAL, Lusiade 330.
Cycnus wordt een zwaan, En neemt een breede neb, en flaauwen treurtoon aan,   BILD. 3, 103 [1829].
Ja, gij zult het nebje reppen, Schaatren in 't ontluikend groen (Aan een Vogel),   TOLLENS 6, 192 [1828].
Het oor (verneemt) … 't krassen uit haar kromme neb (t.w. eener raaf),   BEETS 1, 441 [1836].
Watervogelen van alle neb en veêren,   TEN KATE 7, 77 [1860].
2.  In toepassing op den mond en zelfs op het gelaat van een mensch: verg. bek, snavel, lat. rostrum enz.; in scherts of met minachting gezegd.
De geveinsde, met haar gefronste nebben,   V. HALMAEL 2, 11.
Terwijl zij (zeker juffertje), regts en links, heur naaldscherp nebje wendde,   STARING 2, 73 [1827].
3.  In toepassing op den ”bek” van een veeren pen, of, nauwkeuriger genomen, op een onderdeel daarvan.
De nebben des beks liggen regts en links van de spleet onder aan den rug tegen de holle snede,   V. D. WILLIGEN e. a., Verstandsoefeningen 56.
— Wat Rijmer door de Neb sijns Pen schreef in 't Latijn Uyt hoogh begaeft verstandt enz.,   Orang. Lely-Hof x.
't Is tijd, o witte pen! dat ghy in swarten inckt … u treurighlijck verdrinckt, En dat ghy uyt u neb een swarten stroom laet dalen, Daer ghy enz.,   STARTER 312.
4.  In toepassing op de ”vooruitstekende punten van de halzen der schaatsen” bij MOLEMA.
Over de neb stappen, dronken zijn (t.w. niet rechtuit kunnen loopen),   Ald.
— In 't welck de nebbe van sijn schaats sloech onder de slee aan stucken,   V. ROONHUYSE, Heelk. Aanm. 198.
5.  In toepassing op een soort van ram aan den voorsteven van een oorlogsschip; waarschijnlijk alleen als vertaling van lat. rostrum in een dergelijke beteekenis.
6.  Bij kromhout als naam voor dat gedeelte waar de beide armen een stompen hoek maken. Zulk een stuk hout heet knie, en de armen heeten ook de tak en het lijf; knieën worden gebruikt in den scheepsbouw (zie KNIE, en verg. MOSSEL, Schip 77 [1859]).
Nebben, De boven-enden van de knies, tegen de balken aen,   WITSEN, Scheepsb. 501 a [1671].
Het ligter Kromhout werd alhier op 't Land tegens Schuttingen …, met de Naarssen, en het nog Ligter, met de Neusen, of Nebben om laag geset,   V. YK, Scheepsb. 38 [1697].
Afl. Als afl. is te beschouwen nebben, vanwaar het frequentatieve nebbelen, in het samengest. ww. nebbelnebben, trekkebekken, gebruikt in de volgende plaats.
't Duyffje en Doffer nebbel-nebt,   G. JACOBS, in Klioos Kraam 1, 346.
Samenst. Nebbout, in den scheepsbouw: bout die in de neb van een knie en door het boord geslagen en op de knie geklonken wordt.
Nebgat, het neusgat in de neb der watervogels.
De kop tot onder de oogen en nebgaten,   Jagerstaal 121.
Nebijzer, bij HALMA en ook in de latere woordenboeken (zie b.v. V. DALE) vermeld als naam voor een deel van een ploeg.
Nebschuit, ”een schuit met een neb: gelijk de warmoesiers hebben ens.”, V. WINSCHOOTEN, Seeman 163 [1681]; ook in de latere woordenboeken vermeld, tot heden toe.
— Als tweede lid b.v. Gansneb, bij V. WINSCHOOTEN, Seeman 163 [1681] ganse neb.
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1910.