Koppelingen:
Aanvulling
Vorig artikel: NEFFENS Volgend artikel: NEG II

NEGI

Woordsoort: znw.(v.)

Modern lemma: neg

— in verschillende streken NEGGE, EGGE, hier endaar ook wel NEK —, znw. vr. Mnl. egge (zie VERDAM); thans nog in verschillende toepassingen bewaard, in de algemeen gebruikelijke taal vooral in de bet. 3).
1.  Scherpe kant, van een mes enz. (DE BO [1873]).
2.  Scherpe kant van een stuk hout, van een steen, van een muur (DE BO [1873]); te Gent is in dien zin bekend de vorm egger.
3.  Zelfkant, b.v. aan zeildoek.
De neggen worden niet gezoomd,   DE BO [1873].
— De kant of zelfkant van het doek wordt neg genoemd,   PILAAR-MOSSEL, Tuig 307 [1858].
Gewoonlijk is de eene neg van het zeildoek stijver dan de andere; daarom onderscheidt men de beide neggen in stijve en slappe neg,   PILAAR-MOSSEL, Tuig 307 [1858].
4.  In de tapijtweverij: de lat die den ketting vastlegt op den boom.
Een … inslag …, waarop het tweede roedje komt te rusten, gelijk het eerste roedje op de zoogenaamde negge rust,   Leeskab. 1895, 1, 169.
5.  In de volgende plaats is het begrip rand toegepast op de kim.
De groote zonne … duikt heur aangezicht beneên des werelds neggen,   GEZELLE 6, 252.
6.  DE BO [1873] geeft negge ook in den zin van: aard, inborst.
Afl. Neggen, bij naaisters: overnaaien, met eenen overhandschen naad naaien (DE BO [1873]).
Samenst. Neggelat, kalklat, lat die in de buitenzijde van den stijl van een deurkozijn vastgenageld is om de dichtheid der aansluiting van kozijn en muur te verbeteren (V. KEIRSBILCK, Timm. 206 [1898]).

Aanvulling bij NEGI

Samenst. Negblok, (bouwk.) blok dat een neg (terugspringenden kant van een muur bij de kozijnen) vormt.
  V. DALE [1976].
— De baksteenen gevel van het hoofdgebouw uit het midden der 15e eeuw vertoont aan de binnenplaats ellipsvormig getoogde vensters met zandsteenen lateien en negblokken en een waterlijst,   Oudh. Jaarb. 1926, 66.
De gloed van de te voorschijn gekomen baksteen, verlevendigd door den toon van de zandsteenen kolonetten en negblokken, leverde zulk een aantrekkelijk gezicht, dat besloten werd op deze wijze voort te gaan,   Oudh. Jaarb. 1939, 56 a.
Negkant, (bouwk.) terugspringende kant van een muur bij de kozijnen; neg.
In den West- en Oostgevel van den onderbouw vindt men de thans min of meer gehavende natuursteenen negkanten van wat eens zeer hooge open bogen waren,   V.D. KLOOT MEIJB., N. Kerk 27 [1941].
De nissen van het blinde triforium onder de hooge ramen van het middenschip, die daar ter plaatse dichtgemetseld waren, konden bij deze gelegenheid wederom in hun zuiveren ouden vorm worden hersteld, dank zij de nog aanwezige fragmenten van negkanten, traceering en tusschenstijlen,   V.D. KLOOT MEIJB., N. Kerk 180 [1941].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1911.