Koppelingen:
Vorig artikel: NEPPEN II Volgend artikel: NEREN

NEPTUNUS

Woordsoort: znw.

Modern lemma: Neptunus

— ook wel vernederlandscht tot NEPTUIN —,
bij de Romeinen naam van den god van de zeeën en andere wateren; dikwijls genoemd bij de Nederlandsche dichters, ook wel ter aanduiding van een beeld van dien god.
Trompetter van Neptuin, heb jck op u een beê? … Te wercke legt de longen; Op dat te stijver aem … Doe luistren weêr en windt,   HOOFT, Ged. 1, 183 [1621].
Op het midden dezer plaets zagh men eenen grooten Neptunus, zittende op eenen dolfyn,   DE BRUYN, Reizen 2, 25 a [1714].
Afl. Neptunisch.
De afzetting van in lagen liggende gesteenten, van zoogenoemd neptunische of watervormingen,   WINKLER, in De Gids 1864, 3, 221.
Neptunist, niet onbekend als naam voor de aanhangers van zeker stelsel in de geologie, bekend als neptunisme.
Samenst.
Neptunusbeker, bij het zeevolk de naam voor een soort van sponsen uit de zee van Achter-Indië, de gedaante hebbende van een trechter    (SCHLEGEL, Dierk. 2, 542 [1858]); neptunusfeest, bij het zeevolk vroeger de naam voor het onderdompelen (”doopen”) van nieuwelingen die voor het eerst de linie overgaan; neptunusmuts, benaming voor een soort van koraaldieren; Madrepora Pileus (HOUTTUYN, Nat. Hist. I, 17, 118 [1772]); neptunusvork, benaming voor een soort van raderdiertjes: Actinurus Neptunius (HERKLOTS, Weekd. 266).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1911.