Koppelingen:
Vorig artikel: NEREN Volgend artikel: NERF II
Dialect: WVD
Etymologie: EWN, EWA
GTB Woordenboeken: MNW

NERFI

Woordsoort: znw.(v.)

Modern lemma: nerf

— vroeger NERVE —, znw. vr. Mnl. nerwe, nerve (VERDAM 4, 2354); ohd. narwa, mhd. narwe, nhd. narbe, ondd. lîknaro (GALLÉE, Vorstud. 196). De stam narwô- behoort bij het bnw. narwa-, nndl. naar (zie boven kol. 1378). Als de eigenlijke beteekenis neemt men aan: nauwte, vernauwing.
1.  De bet. litteeken, die in het Hd. bij narbe gewoon is, moet ook in het Mnl. hebben bestaan (zie VERDAM), doch KIL. [1599] vermeldt nerve, narve in dien zin als Ger. Sax. Sicamb.; thans onbekend.
2.  Als naam van een ziekte op het hoofd van kleine kinderen, schin; bij KIL. [1599] als zoodanig vermeld, doch in de jongere taal niet voorkomende.
Nerue. Squamulae infantum capitibus, tamquam crustulae quaedam scabiei, adhaerentes,   KIL. [1599].
3.  De oneffenheden aan den buitenkant van een dierenvel, en vandaar de oneffenheden op het daarvan vervaardigde leer. In Z.-N. in den vorm nerft, znw. m. (CORN.-VERVL.).
Nerue van het leder. j. erue. Grana in coriis, squamae: corij superficies squamulis distincta: orbiculi siue squamae tergoris. vulgo oculi coriorum,   KIL. [1599].
Nerf van 't leer. La fleur du cuir, le côté du cuir où a été le poil,   HALMA.
De buitenzijde der lederhuid en de haar bedekkende opperhuid (is) eenigszins ruw of gegroefd, hetgeen door het woord nerf wordt aangeduid,   KRECKE, Chem. Technol. 561 [1881].
— Het Graauwe Leêr is goed, … als de nerf, zich rond vertoonende, wél verdeelt is; als de vleeschzijde overäl effen en glad is enz.,   Handw. 4, 37 [1789].
Meerëndeels (wordt) de nerf, vóór het gaarmaken afgestooten (t.w. bij de zeemleeren),   4, 54.
Om de duurzaamheid (behouden) de hamel- en schaapsvellen de nerf,   4, 43.
De Looijer … stoot of snijdt de nerven doorgaans met het stompe afstootijzer, of stootmes af,   4, 55.
Bij het schrijfperkament wordt de nerf van het vel verwijderd,   KRECKE, Chem. Technol. 569 [1881].
4.  Bij het hout: de eenigszins uitstekende vezels van ongeschaafd hout.
Afgezaagde stukjes (hout), op welker doorgezaagde kanten, de vleug, de erf of de nerf van 't Hout zig opdoet,   BERKHEY, N.H. 2, 1137 [1771].
5.  Als naam voor zekere evenwijdige oneffenheden in papier (verg. het volgende art.).
Papier dat fijn van nerf … is,   Handw. 13, 297 [1796].
De kornen en nerven van het papier,   13, 345.
6.  Begroeide bovengrond, bovenkorst van wei- of hooiland, zoover gras en wortels van het gras zich uitstrekken, grasnerf (zie ald.).
7.  Nerve is in het W.-Vl. een term bij de kantwerksters: ”eene smalle, sikkel- of halvemaanvormige open plaats in het kantwerk” (DE BO [1873]).
Afl. In de bet. 3). Nerven, de nerf afschaven.
Men vergenoegt zich …, met de reeds bereidde Boksvellen, uit Turkijen … te ontbieden; en ze zelf te nerven, te polijsten en te verwen,   Handw. 4, 72 [1789].
Samenst. In de bet. 2). Nerfbrand (ook erfbrand), eene ontsteking der oogleden (in het W.-Vl.: DE BO [1873])
nerfworm (ook erfworm), hetzelfde als nerf (in de bet. 2) (evenzoo in het W.-Vl.).
— In de bet. 3). Nerfkant, nerfzijde: waar de nerf is.
Tot dit einde (t.w. het wegnemen van de nerf) legt de Looijer het vel op den stoot- of schaafboom, zoo dat de nerfkant boven is,   Handw. 4, 55 [1789].
(De vellen) worden … na de looikuipen … gekruit …; en op de nervzijde met eene goede laag maatig fijn gemaalen Run gestrooid,   4, 9.
De huid …, met de nerfzijde naar boven gekeerd,   KRECKE, Chem. Technol. 567 [1881].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1911.