Koppelingen:
Vorig artikel: NIEMAND Volgend artikel: NIER

NIEMENDAL

Woordsoort: telw.(onbep.), bw.

Modern lemma: niemendal

onbep. telw. en bijw. Ontstaan uit mnl. niet met allen (naast met allen niet), volstrekt niets of volstrekt niet (zie boven kol. 615, en VERDAM 1, 319). In Z.-N. wordt nog heden gezegd niemendalle, in N.-N. is nu alleen niemendal in gebruik. Doordat de etymologie vrij algemeen bekend bleef, heeft men ook in later tijd niet zelden niemendal weer vervormd tot niet met al (zie beneden), en ook wel gebruikt niets met al.
+A.  Volstrekt niets, in het geheel niets.
B.  In het geheel niet, volstrekt niet; thans in de algemeene taal verouderd.
(Hij) ons buetenlien liet beroeven, ende en bescudde ons nietmedallen,   DE POTTRE, Dagb. 77 [1577].
Dat behaagt mijn niemendal,   BREDERO 2, 158 [1617].
Jy bint op eschoten als rype garst. Jy kont wel ier van arrigheyt schier niemendalle groeyen,   W. D. HOOFT, A. de Piere 6. T.
Je word meê al goed Ouwers …, en doed men dan wat, het valt dadelyk zuur. D. Nietmedal, Tjerk Heindrikse,   ASSELIJN, Jan Klaasz 9 [ed. 1709]
L.Ik ben wat vies, ik laat my niet graag bedotten. B. Ik niemendal!   V. HALMAEL 3, 32.
”Het was niemendal goed met meheer!”   BEETS, C.O. 137 [1840]
 (zie nog BEETS, C.O. 114 [1839]) .
Afl. Nietmetallig, zonder degelijken inhoud, ijdel.
Hoewel hunne … Predikatien my veel te laf, te bloemzoet, te niet met-allig in de ooren klinken,   WOLFF en DEKEN, Blank. 1, 309 [1787].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1911.