Koppelingen:
Aanvulling
Vorig artikel: NOODLIJDEND Volgend artikel: NOODLOTTIG

NOODLOT

Woordsoort: znw.(o.)

Modern lemma: noodlot

znw. onz. In de oudere taal nog niet voorkomende.
+1.  Eigenlijk. Het lot dat, naar het geloof der Grieken en Romeinen, een mensch noodzakelijk ten deel valt; hetzij als gevolg van een onherroepelijk besluit van hoogere macht, hetzij opgevat als een onontkombaar gevolg van voorafgaande oorzaken; het fatum.
't Noodlot (is gebonden) aen de woorden Jupijns,   HOOFT, Br. 1, 204 [1621].
't Web Geweven van oorsaecken t'saem, Het welcke heeft Noodlot tot sijn naem,   HOOFT, Ged. 2, 379 [1617].
Het nootlot van Jupijn (t.w. dat door hem is bepaald),   VONDEL 5, 221 [1646].
Dit 's noodlot, en een onherroepelijck besluit,   VONDEL 6, 229 [1654].
+2.  De bovenmenschelijke macht die het noodlot (in de bet. 1) bepaalt, hetzij als persoonlijk gedacht, hetzij opgevat als een aaneenschakeling van oorzaken.
Hy (heeft) den raadt, daar hy niet door en zagh, op het noodtlot laaten staan,   HOOFT, Tac. 161 [c. 1635]  (Ann. 6, 46: consilium cui impar erat fato permisit).
(Ik zal) dwinghen 't Noodlot oock, jndien 'er Noodlot is,   HOOFT, Ged. 2, 342 [1617].
De dubbele taak, die het noodlot haar op de schouders legde,   LOVELING, Idon. 195 [1891].
Zij zijn de blinde werktuigen in de handen van het Noodlot,   KLOOS, N. Lit.Gesch. 2, 263.
Het … kunstwerk dat den natuurwil zelf, het noodlot, bezong,   VERMEYLEN, Opst. 1, 26.
3.  Ongelukkig lot dat iemand bedreigt of treft, en waaraan men niet kan ontkomen; verg. in onze tegenwoordige taal een dergelijk gebruik van fatum en van fataliteit. Inzonderheid in min of meer vaste uitdrukkingen.
Verzekerd van haar noodlot, staart ze in 't ronde,   HELMERS, Holl. N. 32 [ed. 1814].
Met opgeheven hoofde ging hij (t.w. Johan de Witt op 20 Aug. 1672) zijn noodlot te gemoet,   VEEGENS, Hist. Stud. 2, 121 [1849].
Ieder … weet hoe soms over die vergaderingen een noodlot hangen kan, dat haar volstrekt machteloos maakt,   BUYS, Stud. 1, 85 [1866].
Er ligt een noodlot op de politiek, dat haar bij tijden doet ontaarden in kleine intrigues,   VOSMAER, Amaz. 80.
Het was de vervulling van haar noodlot,   COUPERUS, E. Vere 1, 237 [1889].
Zijn besluit van opstand tegen de gebeurtenis, tegen hetgeen hij zijn Noodlot noemde,   BUYSSE, Mea Culpa 27 [1896].
4.  Vroeger ook wel gebruikt in den zin van: lot dat iemand ten deel valt, niet zoozeer gedacht als streng noodzakelijk (verg. fr. destinée).
Overwegende de miserabele toestant, en het droevigh noodtlot daer in sy tegenwoordigh mochten zijn,   SCHOUTEN, Voyagie 2, 239 [1676].
De rampen en onghevallen die dit oude Gebouw door het nood-lot van de fortuyn … is onderworpen gheweest,   V. BLEYSWIJCK, Beschr. v. Delft 188
 (zie nog 274).
Dusdanig (t.w. voor de kroon te moeten vechten) is … het nood-lot met de meeste Zoonen van de Indoustansche Keizers,   V. EFFEN, Spect. 12, 157 [1735].
De menschelijkheid laat niet toe dien ongelukkigen aan zijn noodlot over te laten,   in J. V. LENNEP, Lev. v. C. v. L. 205 [1788].
De In-enting deelt in het zelfde noodlot, dat alle nieuwe vindingen gemeen hebben,   Denker 1, 210 [1764].
Een noodlot (hier een gelukkig lot), dat van … millioenen zekerlyk niet één ten deele valt,   1, 270.
Oplettenheid om een dergelyk noodlot voor te komen (t.w. het ongeluk te ontgaan),   2, 188.
Hoe hard is 't noodlot des getrouwen, Die zich aan plicht en eeden hiel!   BEETS 2, 214 [1839].
5.  Vroeger ook wel: het lot, het toeval, de fortuin die de wereldsche zaken laat gebeuren.
Hadt het noodlot my in eene nederige hut doen geboren worden, nimmer had ik enz.,   Denker 3, 281 [1766].
Afl. Noodlottig (zie ald.).
Noodlottelijk, door het noodlot bepaald, voor iemand bestemd; lat. fatalis. Thans verouderd.
Een noodlotlijcke schoonheid,   HUYGENS 2, 567 [1623].
— Adverbiaal: ingevolge de beschikking van het noodlot.
Wyl 't (t.w. Numantia) noodlottelyk moest buygen,   OUDAAN, Poëzy 4, 34.
Noodlotsch, in die zelfde opvatting. Thans verouderd.
Twee noodelotsche lieven (t.w. voor elkaar bestemd door het noodlot),   HUYGENS 2, 567 [1623].
Een noodlotze noodzakelijkheid,   OUDAAN, Agrippa 129  (lat. fatali necessitate).
Samenst. en samenst. afl. Noodlotslagen, mv. slagen van het noodlot (V. EEDEN, Stud. 4, 63 [1900])
noodlotspeller, voorspeller van het lot (VONDEL 11, 798 [1671])
noodlotspinsters, mv., de Parcae (VONDEL 5, 246 [1646])
noodlotwikker (B. VOLLENHOVE, Broederm. 28).

Aanvulling bij NOODLOT

Samenst. Noodlotsdrama, tooneelstuk waarin het noodlot of de strijd daarmee het hoofdmotief is.
  V. DALE [1976].
— Al vroeg begon Van der Hoop voor het toneel te werken. Bekoord door het Duitse noodlotsdrama bewerkt hij Hugo en Elvire (1831) naar Müllner's Die Schuld,   DE VOOYS in Gesch. Letterk. d. Ned. 7, 150 [1948].
Noodlotsgedachte, gedachte dat het noodlot bepalend is voor den levensloop.
  V. DALE [1976].
— Vooral waar die dweperijen zich alleen in woorden uiten, is het spoedig duidelijk dat de noodlotsgedachte overbodig wordt. De toch al sterke hartstocht, in vlam geblazen door de leer van de kluizenaar dat nemen van het begeerde nooit kwaad kan zijn, behoeft nauwelijks door de hem verlangende Ermgarde te worden aangewakkerd om verterend te zijn,   VERWEY 3, 54 [1905].
Noodlotstragedie, noodlotsdrama.
  V. DALE [1976].
— Men spreekt … van karakter- en van situatie-tragedies, zooals van noodlots-tragedies gesproken wordt,   BIERENS DE HAAN, Het Tragische 72 [1933].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1913.