Koppelingen:
Vorig artikel: NOTORITEIT Volgend artikel: NOTTEN

NOTSLOOT

Woordsoort: znw.(v.)

Modern lemma: notsloot

NOOTSLOOT —, znw. vr. Uit Not, note en Sloot. Alleen in N.-Holland.
+1.  Eene sloot, waarlangs een of meer der aangelanden het recht hebben vee (of andere tot het landbouwbedrijf behoorende zaken) te vervoeren en die dus voor de daartoe gebruikelijke schuiten bevaarbaar moet worden gehouden; vaarsloot.
Alle de slooten, rontom de Landen … gelegen, zullen moeten werden Geklaart en Gehalmert, de Vaar ofte de Nootslooten uytgesondert,   Keuren v. Waterl. 59 [1690].
Om de tochten, vaarten en notslooten … op te schieten en te verdiepen,   DE VRIES, Dijks- en Molenb. 594.
De sloot tusschen Jaap Heinen land en mijnes is gien notsloot,   BOEKENOOGEN.
2.  Vaarsloot langs de binnenzijde van een dijk; dijksloot, bermsloot.
Het beste zal wezen … datmen den agter-dyk van binnen van de kruin af, 5 a 6 Roeden breeder maakt als de Beemster …, en den Not-sloot op halve diepte en op half water keerende, voor 't doorlekken en aauperssen van de Ring-dyk en Ring-sloots water,   LEEGHWATER, Haerlemmer-Meerb. § 121.
Een binnen ofte not-sloot tot afscheydinge van den Dijk,   Chron. v. Medembl. 264.
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1913.