Koppelingen:
Vorig artikel: NURKEN Volgend artikel: NUSSELEN
Etymologie: EWN

NURKSCH

Woordsoort: bnw.

Modern lemma: nurks

bnw. Van Nurk met -sch.
—  Gemelijk, op lompe wijze onvriendelijk.
Jaapie blijft stom. Jaapie is nurks, en als Jaapie eens nurks is, dan blijft Jaapie nurks,   KNEPPELH. 1, 149 [1841].
En soms — als ik spreek van een duivelsche smart — Dan … knort hij, dan blaast hij, Dan grinnikt en raast hij (”een duiveltje”) En maakt dat ik nurksch en wreeder dan wreed, Al plaag wat ik lief heb en lach met hun leed!   DE GÉNESTET 1, 241 [1849].
Dat het, karakteristieke, op de een of andere wijze onvoldane (het hoogmoedige, nurksche, toornige) er in (t.w. in een portret), staat weergegeven,   V. DEYSSEL, Verz. Opst. 9, 45.
Haar ouders waren erg met hem ingenomen …, en bemerkend dat Annie hem ook graag lijden mocht, werden ze wat minder nurksch tegen haar,   ROBBERS, A. de Boogh 122.
Afl. Nurkschheid.
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1913.