Koppelingen:
Aanvulling
Vorig artikel: *OER- Volgend artikel: OER- II
Etymologie: EWN

OER

Woordsoort: znw.(o.)

Modern lemma: oer

znw. onz., zonder mv., als collectieve stofnaam. Nnd. uur, vr. en onz. (KALTSCHMIDT, Wtb. 1009; Brem. Wtb. 5, 154; STÜRENBURG 303); eng. ore, doch met de gewijzigde beteekenis van erts.
Bij KIL. [1599] ”Oor, oore, mine, fodina, aurifodina, argentifodina, galena, molybdena: plumbi et argenti vena communis, plumbi origo.” De ijzerhoudende aarde, die in sommige streken als een harde ondergrond, voornamelijk onder zandgronden, in lagen of banken van verschillende dikte wordt aangetroffen (lat. ferrum caespitosum); onderscheiden in zandoer, zand door ijzerverzuursel tot eene harde stof aaneengebakken, en ijzeroer, ijzeroxyde-hydraat, ijzererts, nabij de oppervlakte in moerassen voorkomende, hetzelfde als het limoniet in de delfstofkunde. Zie STARING, Bodem v. Ned. 1, 18 vlg.
Het oer is eene zeer onvruchtbare aardsoort, en zeer nadeelig voor den plantengroei.  
Honderd millioenen zandjes,
Fyn geaderd, scherp getakt,
Sluitende in elkanders tandjes,
Op hun broeinest, 't Oer, gezakt,
Lymen zich in stille gronden,
Talryke eeuwen agter één,
Tot een kei, een' groven steen.
  TRIP, Tydw. 211.
Afl. Oerăchtig, oerig (een oerige grond).
Samenst. Oerbank (”ijzeroxide-hydraat, hetwelk, onoplosbaar in water, de oerbanken vormt,” STARING t. a. pl.), oergrond, oerlaag, oerweg (een weg die, in plaats van met grint, met de sintels van uitgebrand oer wordt bestraat)
IJzeroer (”Ook de bruin ijzerertsen zijn, als zij in beddingen voorkomen, gewoonlijk met leem vermengd … Eveneens moet men het ijzeroer, gedeeltelijk eene zeer nieuwe vorming, hiertoe brengen,” WINKLER, Geol. 1, 55)
zandoer. — Vandaar weder ijzeroerbank (STARING, a.w. 1, 20), zandoerbank, enz.

Aanvulling bij OER

Afl. Oerachtig, van den aard van oer, ijzerachtig.
  V. DALE [1872 ].
— Ondertusschen is de klay, gelyk alle andere Aarde, meerendeels met deeze of geene andere stoffe gemengd, naar maate dat zy gevonden word op plaatsen, die meer of min zandagtig, steenagtigt, of oeragtig zyn,   Verh. Holl. Maatsch. Weet. 8, 2, 12 [1765].
Zuiver wit of oerachtig (ijzerhoudend) zand,   Boeren-Goudmijn 7, 1, 169 [1861].
Samenst. Oergrond, grond die veel oer bevat. Zie voor een homoniem bij +OER- (II), Afl.
  V. DALE [1872 ].
— Verder wordt in eene der bovengemelde verklaringen, wegens de Landen onder Oldenbroek aangeraden, om Weilanden, welke een oergrond hebben, te breken,   KOPS, Mag. v. Landb. 2, 218 [1805].
Oerlaag, laag oer.
  V. DALE [1872 ].
— Bij den aanleg van bosch op dien grond is echter een volstrekt vereischte, dat hij hoog boven 't gewoon waterpeil zij gelegen en geen oer- of steenlaag dadelijk onder den bolster zit,   Boeren-Goudmijn 2, 1, 112 [1856].
Men schreef deze slechte ontwikkeling toe aan een oerlaag in den bodem,   EDELMAN, Tiesing 79 [1943].
Oerproductie, productie van oer. Zie voor een homoniem bij +OER- (II), Afl.
Bij Drouwen, Buinen en Exlo is misschien later nog een oerproductie te verwachten,   EDELMAN, Tiesing 64 [1943].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1869.