Koppelingen:
Aanvulling
Vorig artikel: OLYMPIËR Volgend artikel: OM II
Etymologie: EWN
GTB Woordenboeken: MNW

OMI

Woordsoort: vz., bw.

Modern lemma: om

voorz. en bijw. In het Gothisch niet voorkomende; ohd. umbi, umpi (GRAFF 1, 257); mhd. umbe, umb, um (BEN. 3, 178); nhd. um; ags. ymbe, ymb (ETTM. 48); oud-eng. umbe, um (HALLIWELL 899), later verouderd en door round en about vervangen; onrd. umb, um (JONSSON 628); deensch en zw. om; ofri. umbe, ombe, umme, omme, um, om (RICHTH. 1099); nfri. om (EPKEMA 324); osaks. umbi (HEYNE, Hêl. 344); onl. umbi, umbe (HEYNE, Andd. Denkm. 179); mnl. ombe, doch meestal omme, om; lat. amb- (in ambages, ambire enz.); gr. μφγιγρα;; skr. abhi, uit welk laatste blijkt, dat de m eene ingeschoven letter is: verg. gr. μφω, lat. ambo, met skr. ubhau (BOPP, Gloss. 15, Vergl. Gramm. 3, 490). De oudere vorm heeft ook in de verwante talen sporen nagelaten: verg. lat. ob nevens amb-, en onrd. of, in dichterlijken stijl, nevens um (EGILSSON 611). — De oorspronkelijke Nederl. vorm was ombe (Lanc. 2, 18506, 18579; MAERL. Sp. 1, 57, 13 (var.); 60, 38, 43 (var.), VELTH. 1, 41, 100, enz.), waaruit door assimilatie omme ontstond, dat vervolgens tot om verkort werd. Een dergelijk wegvallen der b na de onvolkomen a en o is een gewoon verschijnsel: verg. dom, goth. dumb-s; krom, ags. crumb; lam (znw.), goth. lamb, enz. Ook in 't Latijn wisselde amb- reeds met am- af (am-icio, am-plector; verg. an-fractus, an-quiro, enz.).
—  De thans op zich zelf verouderde vorm omme is nog bekend in de uitdrukking omme en bij (zie § 16) en in het ouderwetsche Omme den Heer N. N., op adressen van brieven (zie § 30). In samenstellingen komt die vorm nog voor in de znw. ommekant, ommezijde, (in een) ommezien, in de dichterlijke woorden ommekreits en ommering, in Ommelanden, als eigennaam, en in het bnw. ommestaand. In den hoogeren stijl was omme in de 17de eeuw niet ongewoon in een aantal samengestelde ww. en verbalia. Ook in onzen tijd wordt het in die soort van woorden nog wel bij dichters gebruikt, als b.v. ommezwerven, ommezweven, ommegang, ommezwaai enz. Ommekeer nevens omkeer is ook in proza bekend.
+I.  Als voorzetsel.
+II.  Als bijwoord.
+III.  In samenstellingen.

Aanvulling bij OMI

Afl. Ommetje (zie ald.).
Samenst. Ombouw. 1°. (German.) Verbouwing.
  V. DALE [1950 ].
— De scheepsmeter controleert intusschen het schip alleen, wanneer het ter meting word aangeboden en na belangrijken ombouw,   V. DRIEL, Scheepsm. 124 [1924].
Een grote ombouw van de briketfabriek kwam gereed,   Mijn en Spoor 15 b [1952].
2°. Omsluitend bouwsel, kast.
  V. DALE [1950 ].
— Indien deze kapel, door een vroom kunstenaar ter eere van zijnen Verlosser gesticht, eens ware ontdaan van den ombouw en het bijwerk waarmede een latere tijd haar heeft ontsierd, dan enz.,   KALFF 1, 137 [1906].
Om een vaste waschtafel in een zit-slaapkamer wordt vaak een ombouw gemaakt,   Vrouw en h. Huis 34, 249 [1939].
3°. Gestel van hout dat een opgeklapt opklapbed aan weerszijden en van boven omsluit en waaraan doorgaans een gordijn is bevestigd om het bed aan het oog te onttrekken.
Te koop wegens vertrek groote Badkuip als nieuw, met marmeren ombouw,   uit een advert. [1940].
Opklapbedden. Alle maten. Alles voorradig. Ook 1- en 2-pers. verticaal, 40 modellen ombouwen met boven- en zijkasten,   uit een advert. [1941].
Omdoopen, in de verb. omdoopen tot (in), den nieuwen naam geven van.
De Wetgevende Raad werd omgedoopt in ”College van Gedelegeerden”,   KRANENBURG, Staatsr.3 2, 162 [1930].
Kleine schelvisch die als ”kleingoed” bij den verkoop hoopsgewijs wordt verhandeld is in een nabij verleden, toen het woord nog in de volkstaal bezig was in te burgeren, nog níeuw was, omgedoopt tot ”raedio”,   OVERDIEP, Stil. Gramm. 184 [1937].
Vandaar: omdooping.
Inmiddels had in 1404 een omdooping van het kerkgebouw plaats gehad, waardoor St. Ursula in stede van Maria voortaan de beschermheilige was geworden,   V.D. KLOOT MEIJB., N. Kerk 28 [1941].
Omgrachten, met een gracht omringen.
Hij vertelde ons van der guesen onversaechtheyt, waermede sij haer hoe langer hoe meerder toochden tlant in rumoer te brengen. Ende dat sij dit nu sonderling an den Haach vertoochden, denwelck sij seer sochten te verstercken met die te doen omgraften ende bewallen,   WOUTER JACOBSZ., Dagb. 307 [1573].
Het kasteel ligt met zijn bijgebouwen op een omgracht vierkant terrein,   Ned. Mon. 5, 2, 7 [1937].
Een profiel tegen de woontoren toonde aan, dat dit bouwdeel aanvankelijk ook aan de voorzijde omgracht is geweest,   O.K.W. Med. 25, 319 b [1961].
Vandaar: omgrachting.
Men heeft het in die eeuw vol strijd en vol gevaar niet, zoals vroeger, bij een omgrachting gelaten; Amsterdam is in de vijftiende eeuw voor het eerst op moderne wijze versterkt,   Cat. Hist. Tentoonst. Amst. 1925, 1, 27.
Huizen van riddermatige allure, dank zij mede de omgrachting en het voorplein met schathuizen,   Ned. Mon. 6, 1, XX [1940].
Omkaderen.
1°. (Eig.) Met een kader omgeven, omlijsten.
  V. DALE [1976].
— De leerling leert …: a. het omkaderen en het afsnijden van autotypieën; b. het retoucheeren en het omdekken van lijncliché's,   S. en J. 97a6, blz. 220 [1942].
2°. (Fig.) Als met een lijst omgeven.
  V. DALE [1976].
— Kleine voorwerpen en wandversieringen, die het leven van zijn gezin karakteristiek omkaderden,   V. DEYSSEL, J.A. Alberdingk Thijm 32 [1893].
Omkiepen.
1°. (Bedr.) Omgooien, omwerpen, om doen vallen.
  V. DALE [1976].
— Toen de vrouw van Rienus uit het viskeldertje zich een bos van vijfentwintig cent had aangeschaft, vielen alle chrysanten er onder het lopen af, zodat ze alleen met wat stelen thuis kwam, wat niet de bedoeling was, waarom ze een grote mond opzette, tegen de bloemenman, die ook een grote mond opzette waardoor de buurt de ramen openschoof en naar buiten kwam en de kar omkiepte over de wallekant,   V. EYK, V. h. t. h. 62 [1949].
Het vullen geschiedt vaak door een elevator of een jacobsladder, het ledigen door het leegschuiven of omkiepen van de mengtrommel,   Bouwk. Encyclop. 1, 193 a [1954].
2°. (Onz.) Omslaan, omvallen, omduikelen.
  V. DALE [1976].
(Om)kîpen, omslaan. De vlieger kîpt (ook wel kpt) om,   Hs. Lett. 1756, n° 16, 5 [Bergen op Zoom, 1897].
Omkieperen.
1°. (Bedr.) Omgooien, omwerpen, om doen vallen.
  V. DALE [1914 ].
— Honderd keer had Stijn hem in 't jolletje gewaarschuwd, dat hij zijn manden stuktrapte, zijn bakken aal omkieperde, den rommel vernielde,   QUERIDO, Jordaan 1, 49 [1912].
2°. (Onz.) Omslaan, omvallen, omduikelen.
  V. DALE [1914 ].
— Jongen, wat 'n zwaai maakte de vlet daar; bijna omgekieperd, Thijs' schuld,   QUERIDO, Jordaan 1, 170 [1912].
Een joejoe …. Lang. Smal. Je moest er natuurlijk goed mee kunnen omgaan. Dat hij niet omkieperde,   COR BRUIJN, Koentje v. K. 221 [1937].
De kinderwagen kieperde om,   V. DALE [1976].
Omkippen.
1°. (Bedr.) Omgooien, omwerpen, om doen vallen.
  V. DALE [1914 ].
2°. (Onz.) Omslaan, omvallen, omduikelen.
  V. DALE [1914 ].
— Wordt aan de mobiliteit veel gewicht gehecht, dan dient men het hefvermogen niet te laag te kiezen, daar bij grote lasten de kraan meestal door steunen op de grond tegen omkippen moet worden verzekerd,   Bouwk. Encyclop. 1, 351 b [1954].
De beide andere offerkuilen bevonden zich onder twee omgekipte randstenen,   O.K.W. Med. 24, 510 a [1960].
Omklappen (I), (Vl.-België) tot een andere meening overhalen, ompraten.
  V. DALE [1950 ].
— Pastoor Bonnefooie laat zich omklappen om Nelleke opnieuw te doopen,   CLAES, Kobeke 30 [1933].
Omklappen (II).
1°. (Bedr.) M. betr. t. een voorwerp als geheel of een voorwerp dat uit twee deelen bestaat, waarvan er minstens een beweegbaar is, m.n. een bank, een leuning, een raam: in een anderen, soms tegenovergestelden stand brengen, veelal om te bewerkstelligen dat er minder plaats wordt ingenomen.
Zoodra op de rollen een voldoende lengte streng is voortgeschoven, wordt het raam, met op nauwkeurig geregelden afstand gespannen draden, omgeklapt,   V. ROYEN en DE VOOYS, Mechan. Technol. 2, 1, 73 [1926].
We moesten de stuurbank omklappen en duiken. Ook passeerden we de bruggetjes wel, doordat één onzer deze opendraaide,   Roeien 4, 62 b [1942].
2°. (Onz.) Van een voorwerp als geheel of een voorwerp dat uit twee deelen bestaat, waarvan er minstens een beweegbaar is, m.n. een bank, een leuning, een raam: in een anderen, soms tegenovergestelden stand komen.
  V. DALE [1976].
Vandaar: omklapbaar, omgeklapt (1°) kunnende worden.
De omklapbare rugleuningen, zoals we die vinden in onze moderne tramwagens,   Hout in alle T. 2, 382 [1949].
Cardaraam is een in Zweden ontwikkeld, geheel omklapbaar dubbel stel tuimelramen,   Bouwk. Encyclop. 1, 282 b [1954].
Omlazeren, (informeel) omvallen.
Goed, we staan even later bij de halte op die bus te wachten, en ineens zonder aanleiding lazert die schoorsteen om in zijn volle lengte van tweeëntwintig meter!   Parool 27 Juni 1964.
Omlijnen.
1°. Met een lijn omgeven.
  V. DALE [1950 ].
— De wind steekt op, stuift het stof van de baan. Bij het Badhuis, vroolijk omlijnd, is een zwarte woelige drukte,   FALKLAND 1, 159 [1896].
'n Buiten model neus, grillig omlijnd door hysterische, smartelijke trekken in 't vettige gelaat,   FRANKEN, Studentenhaver 41 [1902].
Dan nog wat wit, de rimpels mochten anders eens niet goed uitkomen, wat rood waar dit van node was, de ogen flink omlijnd,   MICHELS en HOFMAN, Grimeerk. 13 [1949].
2°. (Fig.) M. betr. t. abstracta: nauwkeurig de grenzen bepalen van; afbakenen.
  V. DALE [1950 ].
— Ook nu kampte ze haar stormende smart neer tot een wee verdriet, waar iedere omlijnde gedachte in verzakte,   GOEDH.-BECKER, M. Vroom 128 [1916].
Het is in enkele woorden haast ondoenlijk, om het ideeëncomplex, dat Havelaars geschriften beheerscht, te omlijnen,   COSTER, N. Europ. Geest 59 [1920].
Als Smits in ”Kerk en Stad” de sociologische functie van de kerk omlijnt, wordt dit begrip in weer andere zin gebruikt,   THUNG in Soc. Leven 484 [1956].
Vandaar: omlijning. 1°. Het omlijnen (1°); het omlijnd (1°) zijn.
  V. DALE [1950].
— Op het … oppervlak (der vaas) trok de schilder de omlijning zijner vlakken, vulde die daarna in met ornament of vrije teekening enz.,   COENEN in Onze Kunst 1, 2, 128 [1902].
Het is duidelijk dat, in recht gevoeld werk, evenals de kompozitie van de glasschildering in haar allereerst beginsel door de groote indeeling der vakken wordt bepaald, deze sprekende loodkontoeren de verdere indeeling der plans en de omlijning en hoofdzakelijke teekening der figuren blijven beheerschen,   J. VETH, Kunstbesch. 43 [1904].
Aangenomen, dat hier de strenge omlijning in regie achterwege bleef …, mag de geheele opvoering, gelijk de Rotterdammers deze voor het voetlicht brachten, als zeer verdienstelijke prestatie genoemd worden,   Stem 1, 666 [1921].
2°. Het omlijnen (2°), het omlijnd (2°) zijn.
Er is allereerst de omlijning en saamgedrongenheid van elk samenstel, in tegenstelling tot de vormloosheid van het Middeleeuwsche,   SIMONS, Drama en Tooneel 2, 7 [1921].
Ommetselen, met metselwerk omgeven.
De wagentjes rijden over een ring van rails. Een deel van de ring is open, een ander deel ommetseld,   V. ROYEN en DE VOOYS, Mechan. Technol. 2, 1, 123 b [1926].
Het volgende gedeelte bestaat uit een gewapend-betonplaat, die via wanden (resp. kolommen) en sloven op de palen rust. Het bestaat uit 4 vakken van rond 40 m. Om aesthetische redenen is dit gedeelte ommetseld,   Deltawerken 2, 32 [1957].
Vandaar: ommetseling.
De geheele voorpoort draagt aan de zijden, waar het zoetjes kabbelende water van de slotgracht aan de muren knabbelde, sporen van latere herstellingen in den vorm van een ommetseling met kleine gele steen,   Oudh. Jaarb. 1938, 78 b.
Voor woningen van meer tijdelijke aard wordt in plaats van een ommetseling met baksteen een bekleding van asbestcementplaten toegepast,   Bouwk. Encyclop. 1, 540 b [1954].
Omramen, met of als met een raamwerk omgeven; in een kader zetten.
  V. DALE [1976].
— Men krijgt hier, bij de borstwering, reeds een voorgevoelen van den samenvattenden geest der Renaissance, die de paneelen sterk omramen zal, ten overstaan der nog veeleer gotische opvatting der kas,   V.D. MUEREN, Orgel i.d. Ned. 84 [1931].
Wij hebben de op afstand bediende schakelaars in Fig. 804 door een vierkantje omraamd,   Spoorwegtechn. 3, 564 [1937].
Vandaar: omraming, het omramen; hetgeen omraamt.
  V. DALE [1976].
— In plaats van de gouden laat-Empire lijst kreeg het doek een omraming van Coromandel-ebbenhout,   Bull. Oudh. Bond 1920, 74.
Een betonplaat met hoekijzeren omraming versterkt en dubbel gewapend,   Bouwk. Encyclop. 2, 449 b [1955].
Omrekenen, berekenen hoeveel het een in het ander bedraagt.
  V. DALE [1950 ].
— In vreemde valuta luidende activa, passiva, winsten en verliezen … worden omgerekend in Nederlandsch geld,   Besl. v. 18 Juli 1925 (Stbl. 335), a. 15.
Om dus van HK in kaarsen om te rekenen is de HK met 0.87 en omgekeerd, wanneer de kaars in HK omgerekend moet worden is de kaars met 1.15 te vermenigvuldigen (het betreft eenheden van lichtsterkte),   Spoorwegtechn. 3, 5 [1937].
Guldens in franken omrekenen,   V. DALE [1976].
Vandaar: omrekening.
  V. DALE [1950 ].
— Het totale bedrag der schuld bedroeg £ 7453:19:5 = ƒ 44723:16:6. (De omrekening is van mij),   Econ.-Hist. Jaarb. 11, 80 [1925].
Voor zoover de … schulden niet in Nederlandsch courant luiden, zal de grootte der te storten bedragen worden bepaald door omrekening in Nederlandsch courant naar een telkens door De Nederlandsche Bank vast te stellen koers,   Besl. v. 5 Juli 1933 (Stbl. 344), a. 5.
Hierbij: omrekeningsfactor.
  V. DALE [1976].
— Er is een omrekeningsfactor, het mechanisch warmte-equivalent, om de hoeveelheid warmte, uitgedrukt in kilocalorieën om te rekenen in een hoeveelheid arbeid, uitgedrukt in kilogrammeters,   Syllabus R.V.U. 1958, 34 a.
Hierbij ook: omrekeningskoers, koers waartegen de nominale waarde van in vreemde munt luidende effecten of in het buitenland geldende prijzen in de eigen munt wordt berekend.
  V. DALE [1950 ].
— Is het bedrag aangegeven in een vreemde munt, dan wordt voor de omrekening niet gebruik gemaakt van de vaste omrekeningswaarden, zooals die bij de post gebruikelijk zijn, maar wordt als omrekeningskoers genomen de zichtkoers op den dag der aangifte,   KNOP, Handelstechn. 1, 404 [1921].
Omschakelen (zie ald.).
Omtommelen, (sinds lang veroud.). 1°. (Onz.) Omvallen.
Dat des weirelts bouw omtommelde tot niet Soo con den woesten val wel sijn gebeente treffen, Maer even sou sijn hert hem uyt den puynhoop heffen,   MEULEWELS, Timon Misanthr. 16 [1636].
2°. (Bedr.) Doen omvallen, omvergooien.
O Min, ô Min, ô Min! hoe zet gy my ter hand! Hoe tommelt gy my om! hoe slingert gy mijn dagen!   TENGNAGEL, Sp. Heidin 48 [1643].
Sy (hebben) my't hart schier uit het lijf geschommelt Want alles moest 'er uyt: so wierd ik omgetommelt,   V. RUSTING, Klaagged. v. Ovid. 66 [1701].
Omturnen, omvormen (zie die woorden).
Omwille van (zie voor de verb. om wille van Dl. XXVI, 575). 1°. Ter wille van, met het oog op.
  V. DALE [1950].
— De IJslandvaarders kenden noch moeite, noch last; wisten van gemakkelijkheid noch rust; hergingen telken jare denzelfden calvarieberg; trotseerden jaren en jaren naéén de zee, de winden, het ijs en de stormen omwille van het stukske brood,   FILLIAERT, IJslandv. 30 [1937].
2°. Wegens, ter oorzake van.
De nationaal-socialistische antipapist ds. A. van Hoogenhuyze wekt voortdurend de suggestie, alsof in Oostenrijk de protestanten omwille des geloofs vervolgd zouden worden,   Maasbode 6 Juli 1937.
Omderwille van, ter wille van, met het oog op.
Een werk was er niet alleen omderwille van het werk, maar ook en vooral om er beter van te worden,   DEN DOOLAARD, Verj. W. 211 [1947].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1869.