Koppelingen:
Vorig artikel: OMSMAKKEN Volgend artikel: OMSMELTEN

OMSMEDEN

Woordsoort: ww.(trans.,zw.)

Modern lemma: omsmeden

(klemt. op om), bedr. zw. ww., met hebben: smeedde om, heeft omgesmeed. Uit Smeden en het bijw. Om in verschillende opvattingen. Hd. umschmieden.
+1.  Om in den zin van om het lijf (57). Van boeien of kluisters, die het lichaam of een deel er van, t.w. de polsen of enkels, omgeven, die daaromheen worden bevestigd door ze vast te smeden. Ze een ander om het lijf smeden, ze door het aaneensmeden of -wellen der ringen of banden om iemands armen of beenen bevestigen, ze er om vastsmeden. De persoon, om wien het ijzer vastgehecht wordt, staat in den 3den nv. Dichterlijke versterking van Aansmeden (in de bet. 1, b).
Den rampzaligen galeislaaf werden de boeien omgesmeed. Smeed den ellendeling zijn kluisters om.   poëem WNT
+2.  Om in den zin van verandering (58, k). Van gesmede ijzeren voorwerpen. Ze anders smeden, ze hersmeden, hetzij in een anderen vorm, om er eene andere bestemming aan te geven, hetzij opnieuw in denzelfden, t.w. omdat ze niet goed gesmeed waren.
Die ijzeren staven zullen nog omgesmeed moeten worden.   poëem WNT
Afl. Omsmeding, vooral in de bet. 2, in eigenlijke en figuurlijke toepassing (”Dat elk begrip, iedere gewoonte eene schakel is in de groote keten, en dat de schijnbaar onbeduidendste niet wijken, niet te verwrikken zijn, dan door eene volslagen omsmeding, die het verroeste herblaakt, en louterende vernieuwt”, POTGIETER, Proza, 2, 7).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1871.