Koppelingen:
Vorig artikel: OMTUIMELING Volgend artikel: OMTUINING
GTB Woordenboeken: MNW

OMTUINEN

Woordsoort: ww.(trans.,zw.)

Modern lemma: omtuinen

(klemt. op tui-n), bedr. zw. ww., met hebben: omtuinde, heeft omtuind. Van Tuin, hd. zaun, in de oorspronkelijke beteekenis van heining, en het bijw. Om in den zin van omsluiting (58, b, α). Hd. umzaunen.
1.  Eigenlijk, met een persoon als onderwerp. Van eene opene ruimte. Ze door het zetten van eenen tuin, eene heining of schutting rondom omsluiten, ze met een tuin of heining omgeven, omheinen. Wordt er eene nadere bepaling bijgevoegd, den aard van den tuin aanwijzende, dan wordt die ingeleid door het voorz. met.
Mijn beminde heeft eenen wijngaert op eenen vetten heuvel. Ende hy heeft dien omtuynt,   Statenb., Jes. 5, 2 [ed. 1688].
Behalve dit, omtuinen zij door zulke gorzingen veelal hun geheel erf,   BERKHEY, N.H. 9, 11 [1811].
De eerste, die dien grond, als zijn bijzonder eigendom, omtuinde, of, van den overigen grond, door beperkingen, afscheidde,   V. HEMERT, Lekt. 5, 27 [1805].
Zy (de Parkhoeders) waren inzonderheid belast de parken of omtuinde bosschen te bewaken, en het wild daerin te houden,   DAVID, Hist. 3, 75 [1851].
Maar bemerk eens … die honderde huisjes, staande elk te midden eener omtuinde weide,   CONSC. 8, 107 a [ed. 1870].
'k Erkenne een' Schepper, die [dots]
En hof en lustwarand met loddrigh groen omtuint.
  SCHIM, Bybelpoëzy, 285.
Wie buiten duins of zaaie of egg',
Hy kan 't omtuinen of bedijken;
Zijn sloven zal hem niet verrijken;
De zee spoelt al zijn arbeid weg.
  BILD. 14, 424 [c. 1830].
+2.  Bij uitbreiding en figuurlijk.
Afl. Omtuining.
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1872.