Koppelingen:
Vorig artikel: OMWALEN Volgend artikel: OMWALLING

OMWALLEN

Woordsoort: ww.(trans.,zw.,refl.)

Modern lemma: omwallen

(klemt. op wal-), bedr. zw. ww., ook als wederk. gebruikt, met hebben: omwalde (zich), heeft (zich) omwald. Van Wal en het bijw. Om in den zin van omsluiting (58, b, α). Hd. umwallen.
+1.  Eigenlijk, met een persoon als onderwerp. Van eene ruimte, t.w. eene stad, vesting, gracht enz. Ze met wallen omringen, ze rondom met een wal van opgeworpen aarde omgeven, om ze te versterken of den toegang er toe af te sluiten, inzonderheid om ze voor vijandelijke aanvallen te beveiligen.
Dat Havrech dien nacht zouw doen kennis neemen van zeekre geleeghenheit, ontrent 's Markgraaven Leye, in de tuinen van Hinxthoove, en andre oorden by der stadt, die besloot waaren, en lichtelyk t'omwallen, tot leeghering van een deel voet- en paardevolx,   HOOFT, N.H. 468 [1642].
Van de landzijde behoefde de stad niet omwald, want 'er was geen vrees dat de bezetting naar dien kant zou uitbreken,   V. LIMB. BROUWER, Ces. 3, 153.
In 't eind genaken ze aan den zoom
Van eene omwalde gracht.
  BILD. 1, 43 [1786].
Het bloeiend Nod bezweek voor de overmacht en vlood;
't Omwalde Hanoch zwichtte, en niets, dat weêrstand bood!
  2, 350.
De wijze zal zijn erf omwallen;
De dwaas gaat in 't gebrek te grond.
  11, 410.
Bourgonje bouwt op u; van elke omwalde plaats
Hebt gij de sleutels, wijl de liefde des soldaats
Voor u de poort ontsluit.
  SCHIMMEL, Dram. P. 2, 96 [1850].
2.  Bij uitbreiding en figuurlijk, met eene — stoffelijke of onstoffelijke — zaak als onderwerp, t.w. datgene dat als een wal wordt voorgesteld, in eigenlijke zoowel als figuurlijke toepassing. Van personen en voorwerpen. Ze als een wal omgeven, bij wijze van wal of verschansing aan alle kanten omsluiten, en daardoor òf voor vijandige aanvallen beveiligen òf van de buitenwereld afsluiten en voor het oog verbergen. In dichterlijken stijl.
't rasstervend bladergroen,
Dat, ros en geel, in 't kleevend slyk gevallen,
Den oogen meer geen blyschap aen zal doen,
Noch fruit en moes bemantlen en omwallen.
  POOT 3, 112 [c. 1730].
De ontzachbre donderknal werd de Almacht tot een stem,
Heur throon, met schrik omwald.
  BILD. 7, 193 [1818].
Geen grafkuil die u mag omwallen,
Geen heuvel die in 't nedervallen
U thands verbergen mag voor 't Godlijk aangezicht!
  Vr. BILD. 2, 304 [1804]  (De opstanding).
Afl. Omwalling.
Samenst. Nauwomwald, sterkomwald.
Is er in het naauw omwalde,
Schraal bewoonde ryk der deugd,
Dan ook niet één Dichteresse?
  WOLFF en DEKEN, Leev. 8, 278 [1785].
De Spanjaard schijnt het meer te vlieden,
En moede om ons het hoofd te bieden,
Sluit hij zich op, met kroost en schat,
In menig sterkomwalde stad.
  MEYER, Boekan. 105 [1840].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1872.