Koppelingen:
Vorig artikel: ONZWICHTBAAR Volgend artikel: OOFTBOOM
Etymologie: EWN
GTB Woordenboeken: MNW

OOFT

Woordsoort: znw.(o.)

Modern lemma: ooft

znw. onz.; het mv. thans ongebruikelijk. Mnl. ooft, uit ovet (nog bij KIL.); onfra. ovit (Gl. Lips.: ovita pomorum); ags. ofet; ohd. oba, opa; mhd. obe, ob; nhd. obs, en later obst, maar de oudere vorm zonder t is bewaard in verschillende Hoogduitsche tongvallen (D. Wtb. 7, 1121). In de Slavische talen bestaan op ooft gelijkende vormen (osl. ovoštĭ); volgens MIKLOSICH (Etym. Wtb. 228) is het Slavische woord uit het Germaansch overgenomen. De beteekenis van ooft is voorheen ruimer geweest dan tegenwoordig. Niet alleen boomvruchten, maar ook allerlei ander gewas, met name peulvruchten, werden zoo genoemd; bovendien beteekende het niet zelden ééne enkele vrucht in tegenstelling met de thans gewone collectieve opvatting. De afleiding is onbekend, er zijn niets dan gissingen.
+A.  Als verzamelwoord, met zeldzaam mv., ter aanduiding van verschillende soorten. Fruit, inzonderheid boomvruchten. In de spreektaal weinig in gebruik.
+B.  De vanouds gebruikelijke toepassing van het woord ooft op ééne enkele vrucht is ook in het latere Nederlandsch niet onbekend, maar zij is niet in alle plaatsen waar men ze kan aannemen, de eenig mogelijke.
Merk. Ziet ghy dien appel? — Paris. Z' is bekoorlijk. In mijn' daegen zagh ik nojt schoonder ooft,   HOOFT, Ged. 2, 22 [1636].
Paulinus … en wilde sijn gulsige tanden in het schoon ooft niet drucken,   POIRTERS, Mask. 173 [ed. 1688].
Laat toch dit ooft niet heel; doorsnij het,   POOT, aangeh. bij WEIL.
Een weinig ter zijde tredende, verlustigde zij zich met het ooft loodrecht op te werpen en op de vlakke hand weder te vangen,   V. LENNEP, Rom. 10, 115 [1838].
Is 't niet een spijtig ding! de schoonste van de peeren, …
Ach! die is van den boom, en in het slick gedropen,
En legt nu van de sleck, en van de pier bekropen,
Die is soo ongesien, dat wie het ooft genaeckt
Stracx met'er herten walgt, en met'er kelen braeckt.
  CATS 1, 532 a [1632].
Koppel. Ooftdragend (”'T ooftdraeghende geslaght” (d. i. de ooftboomen), HOOFT, Ged. 1, 211 [1623])
ooftstovend (bij KINKER, Ged. 2, 180).
Samenst. Als eerste lid, in de bet. A). Ooftboom, ooftbouw, ooftkamer, ooftkelder, ooftmarkt, ooftverkooper, ooftvrucht, ooftzolder (zie die woorden).
— Verder, meestal dichterlijk. Ooftboomgaard (VONDEL 11, 738 [1671])
ooftdrank (DAUTZENBERG, Verspr. en Nag. Ged. 8)
ooftgenot (”O trouwelooze, durftghe alleen om 't ooftgenot, Op dootstraf u verboôn, ontwijden 't hoogh gebodt?” VONDEL 10, 420 [1664])
ooftgodin (V. LENNEP, Rom. 21, 253 [1868])
oofthof, boomgaard (”Ik zou … pruimen schudden in den oofthof”, ROTGANS, Poëzy, 284)
ooftinzameling (V.D. PALM, Sal. 1, 42 [1808])
ooftmost (”Ooft-most, dusdanig word door zommige de Appel-drank of Cider wel genoemt”, CHOMEL 2404 b [1771])
ooftplantsoen (”In dees verkwikbre dalen … treft u 't frisch gebloemt', en 't statig hoog geboomt', Met dragend ooftplantsoen, en struikgewas, en heester”, BILD. 6, 336 [1802])
ooftschat (BILD. 12, 221 [1821])
ooftseizoen (”En dáárom draagt mijn donkre levensboom Geen gouden appel, in het ooftseizoen, Maar veel verdorde blaadren, bruin en geel,” H. SWARTH, Poëzie, 181)
ooftsmet (”Dees gewyde bron, Die Adams ooftsmet wascht”, VONDEL 4, 299 [1642])
oofttijd (”De zomer, die zoo haest vergaet als d' oofttijt vruchten draeght”, VONDEL 6, 550 [1653] (zie ook VONDEL 6, 523 [1653])
ooftverbod (VONDEL 10, 409 [1664]).
— Als tweede lid. Boomooft (BILD. 5, 125 [1817])
engelenooft (”Eng'lenooft … In 't zoele Paradys gestoofd”, TRIP, Tydw. 142)
haatooft, dichterlijk voor: de gevolgen van den haat (”Och haetooft, och, hoe bitter zijn uw korlen”, VONDEL 3, 764 [1640])
levensooft (”'t Keurigst levensooft, dat zelfs de zweem der smart Gelijk een ligte damp verdrijft”, KINKER, Ged. 2, 67)
offerooft, het Heilig Sacrament des Outaars (bij VONDEL 4, 607 [1645])
paradijsooft (”Het paradijsooft drupt den gaepende in den mont”, VONDEL 10, 392 [1664])
puikooft (ANTONIDES 2, 190 [1673]).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1893.