Koppelingen:
Aanvulling
Vorig artikel: OOGSPLITSING Volgend artikel: OOGSTAR
Etymologie: EWN, EWA
GTB Woordenboeken: MNW, MNW, MNW

OOGST

Woordsoort: znw.(m.)

Modern lemma: oogst

— daarnevens OOST; ook OEGST, en, gelijk thans nog in Vlaanderen, in Zeeland en op Goeree, OEST (OUST) —, znw. m., mv. oogsten. Oogst is ontstaan uit ôgest, en deze Middelnederlandsche vorm uit lat. augustus, dat in het Germaansch werd overgenomen met den klemtoon op de eerste lettergreep: ohd. augusto (daarnevens komt voor ohd. agusto, waarin, evenals in goth. Agustus, de a uit au is ontstaan door gemis aan vollen klemtoon, derhalve met behoud van de oorspronkelijke Latijnsche of Romaansche accentuatie op de tweede lettergreep). Dr. FRANCK heeft opgemerkt (Tijdschr. 5, 120 vlgg.), dat in oogst de g waarschijnlijk regelmatig moest verdwijnen; de vorm oost is in het Mnl. dan ook zeer gewoon, en bleef de g, dan moet dit uit doorgaanden invloed van lat. augustus worden verklaard. Ook elders zijn vormen zonder g in gebruik geweest: verg. mhd. ouwest naast ougest, en mndd. ôst, oust, owest (LÜBBEN-WALTHER). De vorm oest heeft een afwijkenden klinker; de hedendaagsche uitspraak en de reeds oudtijds voorkomende bijvorm oust bewijzen dat hier de oe inderdaad een andere klank is, die uit een ouder au niet is af te leiden: au gaf alleen ô. Vandaar de gissing, dat oest, als bijvorm van oost, ontstaan is uit ofra. aoust, waarbij de eerste, toonlooze klinker wegviel. Later heeft men naar het voorbeeld van oogst naast oost, ook oest vervormd tot oegst.
+1.  De naam van de achtste maand des jaars; nog vóór het einde der 16de eeuw geheel in onbruik geraakt, en vervangen door Augustus, dat b.v. reeds gevonden wordt in eene oorkonde van 1556, uitgegeven in de Cout. des Pays et Comté de Flandre, Quartier de Gand, 5, 241 a. Bij DE POTTRE (DE POTTRE, Dagb.) en V. HERMELGHEM wordt augustus nog slechts eene enkele maal aangetroffen, tegen tallooze voorbeelden van oogst, terwijl bij V. VAERNEWIJCK, Ber. T. de verhouding juist omgekeerd is; zie verder onder AUGUSTUS. Thans is het gebruik van oogst, in deze beteekenis, in Zuid-Nederland, een purisme, dat in Noord-Nederland zelfs geheel onbekend is.
Den XVIIIten dach van ougste int jaer XIIIIc LXXVIII, int proces gheweest … tusschen joncvrouwe Margriete van Halewyn, … over een zide, en joncker Janne van Bouchoute, … verweerder, over andere, enz.,   Cout. des Pays et Comté de Flandre, Quartier de Gand, 3, 300.
Volhent te Ghendt by my Joos Lambrecht Lettersteker, Den laesten dagh van Oughst, int Jaer M.CCCCC.XXXIX. (Colophon),   Gentsche Sp. E iv v° [1539].
Int jaer XLVI den VIIsten in Oust es te Mechelen gheschiet een deerlijck jammer van de poyer (buskruit),   DE POTTRE, Dagb. 9 [c. 1550].
Den XXIIsten in oust (1572) es den amerael van Vrancrijck (nl. Coligny) in zynen aerm gheschoeten, daer hy eenen brief op zyn venster las,   46.
's Maendags, den Voust, zoo hielt het volk Thundach (d. i. kermis), en 's dijssendags van gelyke, en de reusen drouch men achter strate naer costume,   V. HERMELGHEM 2, 245.
Den achtiensten Ougste (1579) meend' ick 's Princen compste t' ontsluypen Met capiteyn Mijghem, mynen goeden vrient,   Polit. Ball. 54 [1579]
 (zie ook Polit. Ball. 57 [1579]).
Het was op den 10den Oogst, heel de stad was in rep en roer,   R. LOVELING, N. Nov. 71.
+2.  De achtste maand van het jaar, beschouwd als de tijd waarin de te veld staande gewassen, bepaaldelijk het graan en het vlas, worden ingezameld.
In dat jaer (en vont men) niet dan nat coeren …, want inden oust zeer veel regende,   DE POTTRE, Dagb. 100 [1580].
Het coorn (begonste) zeere te dieren, want het lange gereynt hadde, zoo dat'er vele niet tot perfectie en kwamen, waer omme dat'er vele lieden dochten dat hier omme was, maer het was goet te ziene dat het eene plage van Godt gezonden was, want het eenen schoonen droogen oust was,   V. HERMELGHEM 1, 16.
Die zijn oeghst laet verby gaan, betreurt zijn dwaesheyt,   SPIEGHEL, Hertsp. enz. 273.
Ende als de vrucht haer voordoet, terstont sendt hy de sickel daer in, om dat den ooghst daer is,   Statenb., Marc. 4, 29 [ed. 1688].
Sy hebben 's jaers twee maey-tyden oft Oogsten,   FRANCK-HOLWARDA, Wereltsp. 16 b [1649].
Wy sonden dagelijcks op de groote merckt … om van de Boeren Peper te coopen. … Doch also den Oogst noch niet en was, is tselve lancksaem toeghegaen,   O.-I. e. W.-I. Voyag. 2, 36 c [1598].
Dat desen aenstanden Ougst ghedurende ofte daer naer, den officier van elcker plaetse sal moeten visiteren de husen, schuren ende stallinghen enz.,   Vl. Placcaertb. 1, 653 [1546].
Omtrent den Oegst wierdt dit Galey-schip, dat tusschen Amsterdam en Sparendam op 't Veer voer, … van onse Vry-buiters overweldigt,   SOETEBOOM, Zaanl. Arc. 516 [1658].
't Was in den oogst, en man en vrouw
Was ver van huis aan d' akkerbouw.
  TOLLENS 4, 44 [1820].
+3.  Vervolgens is oogst ook de arbeid van het inzamelen waarmede men zich in dien tijd bezighoudt.
Vliedt ghy arbeyt, … In den dach des oosts sult ghy v arm beuinden,   NUMAN, Striit d. Gem. 28 b.
Daer zijn noch vijf jaren in dewelcke geene ploeginge, noch oogst zijn en sal,   Statenb., Gen. 45, 6 [ed. 1688].
Zij was gekleed als iemand die in den oogst werkt,   LOVELING, D.E. 116 [1891].
Zie, hoe de jeugd met blijde galmen
Den arbeid van den oogst verrigt.
  SPANDAW 1, 48 [1836].
+4.  Bij verdere overdracht: het te veld staande gewas dat binnengehaald moet worden.
Wanneer gy uwen oogst op uwen acker afge-oogst … sult hebben,   Statenb., Deut. 24, 19 [ed. 1688].
Als gy nu den oogst uwes lants sult in-oogsten,   Statenb., Lev. 23, 22 [ed. 1688].
Hy … maeyt, met Babels kling, als in een rijpen oeghst,   VONDEL 3, 88 [1630].
Aldus word d' oeghst gemaeyt,   VONDEL 3, 449 [1639].
als een sloffen boer sijn landen qualijck ploegde,
Sijn wijngaert niet bewrogt, of na den regel voegde,
Of dat hy ledig ging ontrent den rijpen oest,
Soo stont'er boete toe, die hy betalen moest.
  CATS 2, 290 b [1655].
Van luttel zaeds gestroyt dat over is geschoten,
Wast eenen rijcken oeghst.
  VONDEL 1, 728 [1620].
Die knevelaer, die schelm, die stadt en lant verwoest,
En die zijn hengsten jaeght in 's lantsmans zuuren oest.
  3, 865.
Maar, zoo 't weldadig nat uwe akkers dekt met oesten,
Beef echter! 't is gevormd tot sloopen en verwoesten.
  BILD. 6, 315 [1802].
Hij toonde haar 't vee op de stallen,
En hij toonde den oogst op het land;
”Ginds waren het vroeger al bosschen”,
Dit wees hij haar met de hand.
  R. LOVELING, Ged. 8.
+5.  De opbrengst der inzameling; hetgeen ingezameld wordt of is.
Koppel. Dichterlijk. Oogstvernieuwend (bij BILD. 11, 490 [1828])
oogstvervroegen (”Wat toch baat het oogstvervroegen!” BILD. 8, 140 [1808]).
Afl. Oogsten (zie ald.).
— Verder: Oogstloos, door VOSMAER gebezigd ter vertaling van gr. τργετος, dat echter volgens sommigen niet oogstloos, maar eindeloos beteekent (”het oogstloos meer”, Oduss. 2, 370; ”de oogstlooze zee”, 5, 140; ”de oogstlooze zoutplas”, 5, 158 en 10, 179; zie ook 6, 226; 7, 79; 8, 49).
— Als tweede lid. Heroogst, wanoogst (zie die woorden).
Samenst. In de bet. 1). Oogstdag, oogstzon (zie die woorden).
— Verder: Oogstavond (”Nu is het gansch avond, … een allerzachtste oogstavond!” TEIRL., Cil. 68)
oogstvuurgloed (”Geen borst van oogstvuurgloed aan 't koken”, BILD. 11, 366 [1824]).
— In de bet. 2—5). Oogstfeest, oogstlied, oogstmaand, oogsttijd (zie die woorden).
— Voorts, dichterlijk of gewestelijk. Oogstbelofte (”Wiegende in hun kruin Een oogstbelofte in pracht van bloesems”, TEN KATE, Schepp. 95; zie ook TEN KATE 8, 226 [1845])
oogstbier, bier dat in den oogsttijd gebrouwen wordt (”De versche Oogstbieren, welke in de maanden Juny, July en Augusty te gelyk met zwaarder Bieren worden ingeslaagen”, Gr. Placaetb. 8, 1101 a [1756])
oogstfooi, in West-Vlaanderen: fooi, d. i. feestmaal, plaats hebbende nadat het laatste graan is binnengehaald (verg. DE BO 660 a [1892])
oogstgetij, waarnaast ook oogsttij (”Zoo voert ge, ô Graangodinne, … De heldre lente ons toe, het blinkende oogstgetij”, BILD. 3, 7 [1792]; ”Genoegelijk rijpt de halm, van 't oogsttij onbewust”, BOGAERS 2, 314 [voor 1870]);oogstrijk, van een schip: met een rijken oogst beladen (”Die vyanden … Die … hunne … nimmer zatte klaeuwen … Zoo greetig slaen in myn' oegstryke Schepen”, DE DECKER 2, 334 [1653])
oogstschoof (m.), ”een graanschoof met linten en bloemen versierd, dien men onder gezang en geklang van den akker naar de hofstede voert, wanneer de oogst geheel ingezameld is”, DE BO 660 a [1892]
oogstseizoen (”Geen oogster zong in 't oogstsezoen”, BOGAERS 1, 219 [1846]; ”Bedankt uw God, … Die, in het oogstseizoen, uw velden en akkers van goudgeel koorn doet golven”, MERCELIS, K. Harp, 11)
oogstveld (”Als zich oogst- aan oogstveld schaaklen”, TEN KATE 8, 268 [1847])
oogstwafel, d. z. wafels welke in Vlaanderen gebakken worden wanneer de graanoogst binnen is (”Het eten … trok minder; nochtans (had ze) gisteren avond … oogstwafels gegeten en vanmorgen weder eene groote schel vleesch”, LOVELING, D.E. 166 [1891])
oogstzang (”Vroolijk steeg soms in juichende tonen een oogstzang op”, STIJNS, In de Ton, 94; zie ook 98).
— Als tweede lid, in de bet. 2—5). Gerstenoogst, graanoogst, grasoogst, goudoogst, hooioogst, katoenoogst, koffieoogst, tabaksoogst, tarwenoogst, vlasoogst, wijnoogst (zie die woorden).
— Voorts nog, minder gewoon. Aardappelenoogst (”Hij vroeg naar de beesten en den aardappelenoogst bij boerken Voncke”, LOVELING, D.E. 140 [1891])
appeloogst (”De Landman dank' der zonn' … Zijn geurige appeloogst”, BILD. 13, 219 [1817])
druivenoogst (bij TOLLENS 4, 156 [1820])
fruitoogst (”Tienmaal reeds had ik toen bij den fruitoogst medegeholpen”, DAUTZENBERG, Versp. en Nag. Ged. 39)
hemeloogst, dichterlijk voor: het manna (”Zy grimmelen op 't velt, zoo zwart als mieren; En zamelen dien gragen morgenbuit, En hemel-oeghst”, VONDEL 4, 470 [1645])
honigoogst (”Bij een goeden honingoogst vind men, in elke korf, etlijke koeken, waarvan de Cellen gegezaamlijk met een dekzel geslooten zijn”, Handw. 14, 29 [1797])
jammeroogst (VONDEL 5, 607 [1647])
korenoogst (”Het Leger, diep verslagen, Schudt als een korenoogst, waardoor de stormen jagen”, BILD. 2, 388 [1810])
oosteroogst, de ”buit van het Oosten” (”Met mastenvloten vlug voer ik den oosteroegst mijn' Amstel in den mondt”, DE DECKER bij WEIL. [c. 1660])
outeroogst, de oogst welken het altaar opbrengt, t.w. het Heilig Sacrament des Outaars (”Wat zucht tot gout, wat vleiery van pluimen Betovren u dien zegen te verzuimen? Dien outeroegst?” VONDEL 4, 607 [1645])
veldoogst (bij NOLET DE BR., Ged. 2, 148)
zeeoogst (”Laet u boven al den Zee-oegst niet ontplucken”, DE DECKER 2, 344 [1656]).

Aanvulling bij OOGST

Samenst. Oogstverband, (rechtst.). Zie voor een definitie de 2de aanh.
  V. DALE [1914 ].
Het oogstverband is een zakelijk recht op de te velde staande of op de reeds geoogste producten ener onderneming en op de onderneming zelve. Het dient gewoonlijk als zekerheid voor een geldschieter, die aan de onderneming een voorschot heeft gegeven als uitvloeisel van het hierna nog nader te omschrijven consignatie-contract,   V. OVEREEM, Handel 3, 172 [1953].
— Zijn er … soms aanvullingen of wijzigingen aan te brengen in ons gemeene recht …? Zoo ja, welke? (Uitbreiding van het ”droit de suite”, dan wel oogstverband, of verband op overig roerend goed, op andere wijze; zg. commercialiseering van landbouwers-papier, enz.)?   Ts. Nijverh. 1892, 1, 57.
Het oogstverband, zooals deze pandrechtregeling wordt genoemd, maakt het mogelijk, dat op producten, bestemd voor de Europeesche markt, verband wordt gelegd, vóor ze nog aan den verbandhouder (cultuurbank) zijn afgeleverd en verschilt dus hierin van 't pandrecht,   KNOP, Handelstechn. 2, 434 [1924].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1893.