Koppelingen:
Vorig artikel: OOGSTRAAL Volgend artikel: OOGSTZON
GTB Woordenboeken: MNW, MNW

OOGSTTIJD

Woordsoort: znw.(m.)

Modern lemma: oogsttijd

znw. m., zonder mv. Uit Oogst, in de bet. 3), en Tijd.
De tijd, het tijdstip, waarop geoogst wordt.
Dien die den sickel handelt in den oogsttijt,   Statenb., Jer. 50, 16 [ed. 1688].
Wie lastede u, dat gy dat groote werk verwoest, Eer 't mijnen oest-tijd zy?   OUDAAN, Toneelp. 275.
De oogsttijd komt met al zijn zegen,   TOLLENS 5, 61 [1822].
De boeren (begrepen) dat het geene zaak ware, tegen den oogsttijd van huis te gaan,   V. LENNEP, Rom. 6, 194 [1836].
De oogsttijd eindt nu …, Kaal is de wijnberg,   DE MONT, Fl. Vlind. 172.
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1893.