Koppelingen:
Vorig artikel: OOR II Volgend artikel: OORAAP
Etymologie: EWN

OOR-III

Woordsoort:

Modern lemma: oor-, oer-

— ook thans, naar de oude spelling, nog wel OIR- geschreven —, oud voorvoegsel, waarmede znw. werden afgeleid, en waarnaast de onbeklemtoonde vorm (in ww.) er- staat (zie ER-). Mnl. oor-, met gerekten klinker uit en naast or-, soms -ore, dat beantwoordt aan got. us, us-, uz-, (en met assimilatie van s tot r vóór r) ur, on. ør, met ”R-umlaut” uit en naast ur-, or-, als voorzetsel met gerekten klinker úr, ór enz. (zie NOREEN, Altnord. Gr.² § 68, 3), 69 en 113, 1), ohd. mhd. ur-, nhd. ur- in urlaub en urteil, in al de andere afleidingen ūr-, met gerekten klinker na de middeleeuwen ontstaan (zie b.v. WILMANNS, D. Gr. § 247), osaks. ur-, or-. Alleen in het Gotisch Oudnoordsch en in het oudste Ohd. komt het woord nog als zelfstandig voorzetsel voor; ook vindt men dien volleren vorm vóór ww. nog enkele malen in Oudopperduitsche bronnen (zie BRAUNE, Ahd. Gr.² § 75). Volgens OSTHOFF (Morphol. Untersuch. 4, 262 vlgg.) zou germ. uz ontstaan zijn uit ut vóór d of dh, in samenstellingen als b.v. got. us-dreiban (voor *uz-dreiban). In dit geval zou oor- dus in zekeren zin hetzelfde zijn als uit (ohd. uz, got. ut, skr. ud), waarmee het oorspronkelijk ook in beteekenis overeenkomt. Zie ook KERN in Taal en Lb. 2, 299.
De spelling oir- is een overblijfsel uit de Middeleeuwen, toen in sommige gewesten, o.a. in Holland, gerekte o door oi, vooral vóór r, werd voorgesteld.
+I.  Gebruik van OOR-.
+II.  Beteekenissen van OOR-.
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1894.