Koppelingen:
Vorig artikel: OORATE Volgend artikel: OORBAAR II
GTB Woordenboeken: MNW

OORBAARI

Woordsoort: znw.(o.,m.,v.)

Modern lemma: oorbaar

— voorheen ook OIRBAAR, ORBAAR, OORBOOR, OORBOIR, OORBER —, znw. onz., in de 16e en 17e eeuw echter meestal m., zeer zelden vr. (zie één voorbeeld beneden); zonder mv. Mnl. or-, oor-, oirbare, -bore, -baer, -bair, -boer enz., zelden orebare (Rijmb. 20960 var. C; O. Recht. v. Dordr. 1, 353), gewoonlijk m., soms onz. (b.v. Teest. 1227, Wrake 1, 952 en 1153; Melib. 2044; Bloeml. 2, 189), zelden vr. (Sp. II², 51, 5; Rek. d. Graf. 1, 208; R. v. Utr. 2, 128), beantwoordende aan mhd. urbar, -bor, opbrengst, renten, en vandaar ook: een stuk gronds dat renten oplevert, mnd. orbar, -bor, -ber, vr. en onz.. met dezelfde beteekenissen als het Mhd. woord; doch daarenboven ook, evenals in het Ndl., nut, voordeel. Van een znw., dat nog in geen enkel Oudgermaansch dialect is gevonden, maar zeker moet bestaan hebben als afleiding van een ww. dat got. luidt baíran, ohd. beran, dragen, met oor- in de bet. 1). De oorspronkelijke beteekenis moet dus geweest zijn: datgene wat uit iets gedragen, voortgebracht wordt, dus: opbrengst, eene opvatting die gemakkelijk in de algemeenere van: nut, voordeel, overgaat (zie OORBAARLIJK). Naast deze nominale afleiding bestaat in sommige Germaansche dialecten ook eene verbale, t.w. got. usbaíran, ohd. ar-, ir-, erberan, mhd. erbern, te voorschijn-, voortbrengen, baren. Wat den bijvorm oorboor betreft, daar de tweede lettergreep slechts den bijtoon heeft, zou -boor eerst in het Nederlandsch uit -baar kunnen voortgekomen zijn onder den invloed der r (verg. FRANCK, Mnl. Gr. § 47 en 49, anm. 1). Daar echter ook in het Middelhoog- en Middelnederduitsch urbor naast urbar bestaat, is het waarschijnlijker dat de twee vormen oorbaar en oorboor in een ouder tijdperk door klankwisseling ziju ontstaan. De vorm orber is ontstaan door het toonloos worden der tweede lettergreep.
+1.  Nut, voordeel, baat, belang, al naar het verband; het is moeilijk deze verschillende beteekenissen uit elkander te houden. Thans alleen nog in historischen stijl; in de algemeene taal verouderd.
Dattet geen oorboir was, noch voor het kint, noch voor de ghemeene saeck, dat het leefde, aengesien dattet van den dach sijnder gheboorten af niet wel ghestelt bevonden worde,   V. Z. V. NIEUVELT, Plut. 21 c.
De Boer braeckt sijn Vlas … niet uyt straffinge ofte wrake, dan om den oorboor daer af te genieten,   VISSCHER, Sinnep. 110 a [c. 1600].
Hy is wijs die het tegenwoordige tot sijn nut en oorbaer weet te gebruycken,   175 a.
Het lant het welck geenen anderen nut noch oorbaer en hadde, dan dat het den draken diende om daer te liggen,   Statenb., Jes. 35, kantt. 17 [ed. 1688].
Nocht vaaderlyke achtbaarheit, nocht eyghen oorber, nocht recht, nocht eedt, hadden die lust naa tierannigh gebiedt kunnen lesschen,   HOOFT, N.H. 733 [1642].
Het scheen zeeker niet veyligh voor Engelandt, Vrankryx verheffing door 't aanhechten van Neêrlandt te gehengen; ook geen oorber voor Vrankryk dien wasdoom aan de Engelschen toe te staan,   811.
Der burgren oorbaer 't eenigh doelwit is,   VONDEL 3, 141 [1631].
Mijn hart gevoelt de Liefde en Oirbaer 't zamen stryen,   VONDEL 3, 583 [1639].
D' ongebaerde jongeling, buiten meesters bedwangh, is … vyant van onderwijs; een traegh kenner van zijn oirbaer,   VONDEL 6, 603 [1653]  (HORAT., Ars Poët. 164: Utilium tardus provisor).
Wie den oirbaer met het genoegelijcke mengelt, den lezer vermaeckende, en te gelijck onderwijzende, die heeft het rechte wit getroffen,   6, 607 (utile dulci).
Let wat den oirboir eyst, en schrijft uw punten uyt,
En maeckt een staets-gewijs een dienstig huys-besluyt.
  CATS 1, 352 b [1625].
Voorts trock een yeder daer den oorber of de lust
Sijn sinnen heenen trock, den arbeid of de rust.
  HUYGENS, Cluysw. 5.
+2.  In eene meer verbale opvatting, steeds met betrekking tot voortbrengselen van landbouw of handwerk: gebruik, (met een Zuidnederlandsch woord) gerief. In de, thans nog in Vlaanderen bekende, uitdrukking:
Samenst. Landsoorbaar (”Een derdes gerechtigheid en kan by Hand-vesten niet verkort werden, dan om kennelicke Lands-oorboir”, DE GROOT, Inl. 1, 2, § 19 [1631])
noodoorbaar (bij V. LEEUWEN, Cost. v. Rijnl. 495, boven aangeh.).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1894.