Koppelingen:
Vorig artikel: OORBAAR II Volgend artikel: OORBAARLIJKHEID
GTB Woordenboeken: MNW, MNW

OORBAARLIJK

Woordsoort: bnw., bw.

Modern lemma: oorbaarlijk

OR-, OIRBAARLIJK, -BOORLIJK, BERLIJK —, bnw. en bijw. Mnl. or-, oor-, oirbaerlijc, -borlijc, -berlijc enz. Van Oorbaar (I) met -lijk. De oorspronkelijke beteekenis van het grondwoord voelt men nog zeer duidelijk op de volgende plaats bij RUUSBROEC (1, 84): ”In desen tide … loept die sonne inden Libaert, ende es die onghesontste tijt van al den jare, al is hi orberlic”. Thans verouderd.
+I.  Bnw. — Nuttig, voordeelig, dienstig, geschikt.
Nadien oock de ghetrouheydt van een bode nyet alleen en is gelegen in nyet stelen … maar oock … in't oorbaarlijck handelen,   COORNHERT 1, 298 c [1586].
Hy met oorbaarlyke maatiging, en heeft niemands straffe geëischt,   HOOFT, Tac. 359 [c. 1635].
Een van de oorbaarlijkste ordenen in Vrankrijk is, dat alle, van hooger handt komende, geboden ende wetten bewaarheidt moeten worden,   HOOFT, Henr. de Gr. 121 [1626].
Van dit zoo treflyk en oorbaarlyk een werk, komt het voorneemste lof toe den yver en 't beleidt des Heeren van Lokkeghem, amptman van Brussel,   HOOFT, N.H. 27 [1642].
Zoo UE. 't aderlaeten nu gansch buiten zorghe houdt, gelieve meester Steven herwaerts te zeynden, tegens den oorbaerlijken tijdt,   HOOFT, Br. 3, 165 [1636].
II.  Bijw. (van wijze). — Zóó, dat men nut, baat bij iets heeft.
Ist dat ghi begeert deuotelijcken, orbaerlijcken … totten weerdigen heyligen Sacramente te gane,   V. D. PUTTE, Spieg. d. Chr. M. 123 b.
Geschickte staetlijckheen mijn Hof oorbaerlijck cieren,   HOOFT, Ged. 1, 143 [1615].
Afl. Oorbaarlijkheid.
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1894.