Koppelingen:
Vorig artikel: ORANJEKLEURIG Volgend artikel: ORANJESCHIL

ORANJERIE

Woordsoort: znw.(v.)

Modern lemma: oranjerie

— eertijds ORANGERIE —, znw. vr., mv. -ën Van fr. orangerie, dat afgeleid is van oranger, oranjeboom.
In groote tuinen. Plaats waar de oranjeboomen worden gezet; inzonderheid een gebouw of scrre waar des winters de oranjeboomen en andere uitheemsche gewassen worden bewaard, dikwijls tevens dienende tot wintertuin. Eertijds ook oranjehuis en oranjestoof genoemd.
Groote fraaije Oranjerijen,   CHOMEL 2451 a [1771].
Ik plantte Lanen, vulde een Oranjery met alle uitheemsche Gewassen enz.,   Philanthrope 1, 123 [1757].
De drie dames namen haar weg … naar de oranjerie,   V. LENNEP, K. Zev. 1, 258 [1865].
Eene luchtige galerij, welke te gelijk oranjerie was en waarin allerlei heerlijke bloemen mij het gezicht verlustigden,   BOSB.-TOUSS. 3, 352 a [1849].
Samenst. Oranjeriehuis (”Als dit Orangerie- of Gewas-Huis als een groote Zaal ofte Galdery aangelegt word”, STAMMETZ-LA BORDUS, Wisk. Wdb. 330 a [1740]).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1906.