Door gebruik te maken van de GTB gaat u akkoord met de Eindgebruikersovereenkomst.

Koppelingen:
Vorig artikel: OUBLIE Volgend artikel: OUD
Etymologie: EWN
GTB Woordenboeken: MNW

OUBOLLIG

Woordsoort: bnw., bw.

Modern lemma: oubollig

bnw. en bijw.; -er, -st. Een van de 16de tot de 18de eeuw zeer gebruikelijk, doch thans verouderd woord, dat in tal van gedaanten voorkomt: abollig, abbollig, obol(li)g, hobbollig, holbollig, enz. en zelfs hobbelig en hollebollig. Hoogstwaarschijnlijk eene afleiding van mnl. abolge, verbolgenheid, toorn (zie VERDAM 1, 5); verg. bij KIL.; ”Ou-bolghe, abolghe. vetus. Iracundia, furor. ou-bolghigh, abolghigh. vet. Iracundus, morosus.” Van de bet. toornig, die het woord dan oorspronkelijk moet hebben gehad, zijn echter geen voorbeelden aangetroffen. Uit ”toornig” kan zich ontwikkeld hebben de bet. ”door toorn buiten zich zelf, zinneloos, dwaas” en daaruit laten zich de voorkomende opvattingen van het woord wel verklaren. Of ook de woorden Overbolgen en Onverbolgen, die in de 17de eeuw aangetroffen worden in den zin van ”verbolgen”, verbasterde vormen zijn die samenhangen met abolge en oubollig, valt niet meer uit te maken. De vorm hol(le)bollig is stellig ontstaan onder invloed van de woorden hol en bol. Zie verder ook bij HOLLEBOLLIG, Aanm.
+A.  Bnw.
+B.  Bijw. (van wijze). In verschillende opvattingen; inzonderheid: Vreemd, raar, op een wonderlijke wijze.
Bylo Neef, zo oubollig zullent noch wy maken, Om elk door bedrog, na Rijkdom te doen trachten,   Vlaerd. Redenr.-bergh, 65.
Iet dat wanschapen is …, Dat ons het ooge tergt, en soo de sinnen steelt Al wat oubolligh staet, of vreese kan verwecken,   CATS 1, 386 b [1625].
Se het een paer paerden te koop, … Se het noodigh ghelt van doen, en an de paerden komtse hobolligh,   COSTER 33 [1612].
Jck soude niet gaeren hebben, dat ghy 't u belghde, indien uw broeder u wat oubolligh bejegende,   HOOFT, Br. 3, 466 [1618].
Want wy hebben 't al wat holbollig (wat bont) gemaakt in uw huis,   V. D. HOEVEN, Koffyh. 48.
Ik moet … u zo nu en dan eens schryven. Het komt en wel eens wat hollebollig uit, maar enz.,   WOLFF en DEKEN, Blank. 1, 42 [1787].
Afl. Oubolligheid, b.v. in de volgende bet.: 1°. dwaasheid (”Oubolligheit, die noit aeloutsten zagen”, VONDEL 4, 554 [1645]; ”De Stadsche overtolligheid, Hovaerdigheid, holbolligheid, Wellustigheid, vermetelheid”, OUDAAN, Poëzy 2, 120); 2°. klucht, grap (”Houd ou waysselayck, of yemant quoôm te kouten Van dees oubollighayt”, HUYGENS 1, 589 [1653]; ”'t Is maer uyt drolligheyt, en hobbolligheyt geschiet”, W. D. HOOFT, St. Piet, 13); vandaar ook als benaming voor de kluchtige tusschenspelen van een tooneelstuk (”Wetende dat ick het ghemeene volck te gevalle, in de houwbollicheyden, te met, eenighe straat-sproockjes en woorden heb moeten ghebruycken”, BREDERO 1, 306 [c. 1615]).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1906.