Koppelingen:
Vorig artikel: OVERREDEN Volgend artikel: OVERREDENEN

OVERREDEND

Woordsoort: bnw., bw.

Modern lemma: overredend

bnw. en bijw. Het tegenw. deelw. van Overreden in de bet. 2).
A.  Bnw. De eigenschap bezittende van —, geschikt of in staat om te overreden.
Overredende woorden tot iemand richten,   V. DALE.
— Die waarschynelykheid verliest het minste stip niet van haare overredende kragt, wanneer enz.,   V. EFFEN, Spect. 12, 161 [1735].
Mama heeft overreedende oogen. Zy behoeft maar weinig te zeggen,   WOLFF en DEKEN, Leev. 1, 105 [1784].
Wy kunnen, weet gy, aan dit overredendste meisje niets weigeren,   WOLFF en DEKEN, Leev. 4, 168 [1784].
De overredende wijze en toon, waarop mijn Papa sprak,   LOOSJES, Bronkh. 5, 373 [1807].
B.  Bijw. Op eene wijze die geschikt is om te overreden.
Zijn woorden klonken zoet En overredend,   TEN KATE, Par. Verl. 30 [1878].
Afl. Overredendheid; verouderd (”De welsprekendheid en overredendheid der naar koopers snakkende winkeliers”, FOKKE, Verz. Spr. 161 [1810]).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1909.