Koppelingen:
Vorig artikel: OVERTREFFIG Volgend artikel: OVERTREK II

OVERTREKI

Woordsoort: znw.(o.,m.)

Modern lemma: overtrek

(klemt. op Over), znw. onz. (in Z.-Nederl. ook m.), mv. -ken. Van Overtrekken, I).
+1.  In 't algemeen. Datgene wat men over iets heen trekt, hetzij om het te bekleeden, hetzij om wat er onder is voor beschadiging te bewaren.
Overtrekken voor helmen, hoeden, mutsen.   poëem WNT
— Het overtrek van een bed,   MARIN.
— De roock-verkooper heeft syn Trommels toe te stellen En dient sich tot dit werck van een papieren huydt: Hy soeckt geen overtreck van taeye kalver-vellen,   WESTERBAEN, Ock. 33 [1653].
Zij (maakte), voor roest en smet beducht, ('t heilig schild van Lancelot) … een zijden overtrek,   J°. DE VRIES, Zonnebl. 179.
Een overtrek voor een kluwen bindtouw,   TEUNISSE en V. D. VELDEN, Vr. Handw. 1, 264.
2.  In 't bijzonder. Als kleedingstuk. Kiel, linnen overjas; voor mannen en kinderen.
Linnekeel of overtrek, linnen-overrok,   MARIN
 (zie ook SCHUERM. [1865-1870], JOOS [1900-1904], CORN.-VERVL.).
— Hoe langh doch hebt ghy dus dit onreyn kleet gehadt? … Treckt af, treckt af dit vuyl, en onreyn overtreck, Laet blincken d'ouden glans,   Nederd. Helic. 33.
3.  Gewestelijk, b.v. hier en daar in Vlaanderen voor: het betrekken van de lucht.
't Zal van den avond nog ne keer zoo lange klaar zijn, als er geen overtrek en komt in de lucht,   Loquela 6, 69 [1886].
Samenst. In de bet. 1 en 2). Kinderovertrek (MARIN 743 b)
kulasovertrek (zie Dl. VIII, kol. 536)
meubelovertrek (zie Dl. IX, kol. 643), enz.
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1910.