Koppelingen:
Aanvulling
Vorig artikel: PAARBLADIG Volgend artikel: PAARDEKEN I
Dialect: WVD, WVD, WVD, WVD, WVD, WVD
Afbeeldingen: Dodoens1554, BURG
Etymologie: EWN, EWA
Gewestelijke variatie: PLAND
GTB Woordenboeken: MNW

PAARD

Woordsoort: znw.(o.)

Modern lemma: paard

znw. onz., mv. -en; verkl. paardje. Daarnaast de vorm peerd en pèrd. Mnl. peert, paert, pert, part; mnd. pert, osaks, perid; ohd. parafrid, pferfrit, hd. pferd. Het woord is ontleend uit mlat. paraverêdus, of uit romaansche vormen daarvan; dit gallische woord bestaat uit gr. παρ, bij, en gall.-mlat. verêdus, paard. Zie verder de etymologische wdbb.
+I.  Eigenlijk. Het bekende, sierlijk gebouwde zoogdier uit de familie der Eenhoevigen, dat reeds in de vroegste tijden door den mensch getemd schijnt te zijn en hem als rij- en trekdier dient; in de wetenschap Equus caballus. Voor de afzonderlijke geslachten bezigt men bijzondere namen: hengst (ruin) en merrie; een jong paard heet veulen. Verder zijn voor het dier natuurlijk nog vele andere benamingen in gebruik.
+II.  In oneigenlijke en overdrachtelijke toepassingen.
Afl. Paarden, oppaarden (zie die woorden).
— Verder: Paardachtig, 1°. op een paard gelijkende (”De paard-achtige antilopen”); 2°. van paarden houdende, gaarne met paarden omgaande (”Onze jongen is peerdachtig”, Loquela 11, 37 [1891]; zie ook CORN.-VERVL. 946)
paardelijk, bij een paard behoorende, een paard eigen (”Een Ruin of Meer …, die in schoonheid, moed, gezwindheid, en in andere paardelyke deugden, de onzen zouden overtreffen”, V. EFFEN, Spect. 11, 184 [1734])
paarderig, van merriën: tochtig; gewestelijk, b.v. in Zeeuwsch Vlaanderen (Arch. v. Ned. Taalk. 2, 178)
paarderij, het houden en zich bedienen van paarden; ongewoon en verouderd (”De paarderijen, dieze gemeenlijk Tornooyspelen noemen”, OUDAAN, Agrippa 264; ”Weierijen, … paarderijen, … gasterijen” enz., 302)
paardig, tochtig, van merriën, doch bij uitbreiding ook wel van menschen gezegd (”Peerdighe merie. Fland. j. heete. Equa pruriens”, KIL.; ”Wel, hoe spreeckt ghy doch dus paerdigh, … lieve man! Soud' ick stracx so wezen vaerdigh, Als ghy enz.”, STARTER 471; zie ook SCHUERM. [1865-1870]; DE BO [1873]); vandaar paardigheid, tochtigheid (”Een peerd wordt altemets meer als eenen keer gediend, in de zelfste peerdigheid”, Loquela 9, 30 [1889])
peerdsch, 1°. aan een paard eigen, als van een paard; verouderd (”Onmenschelyck ghebruyck! … Datmen de menschen vent, tot paartsche slaverny!” BREDERO 2, 26 [1615]; ”Hebde dan vergeten dien peirdschen arbeyd, dien gy te vooren moeste doen”, V. D. WERVE, Ionas bij DE BO [1777]); 2°. paardig, tochtig, van merriën (DE BO [1873]); ook fig. (”Wy zijn met hondsche nijd, en peerdsche lust bevangen”, DE BRUNE, Embl. 155 [1624]); 3°. paardachtig, goed met paarden kunnende omgaan; gewestelijk (”Een peerdsche kerel”, DE BO [1873]; ”Onze knecht is niet peerdsch”, JOOS [1900-1904]).
Samenst., Samenst. afl. en Koppel. Van Paard zijn talrijke nieuwe woorden gevormd, zoowel met paarden- (of paarde-, volgens een bekenden regel), als met paards- of paard- als eerste lid; andere zijn samengesteld met een verkleinvorm van het woord. Die met paards- of peerds- zijn thans meestal verouderd of gewestelijk.
Om het overzicht te vergemakkelijken en bijeenbehoorende woorden niet noodeloos te scheiden zijn de samenstellingen alphabetisch naar het tweede lid gerangschikt.
Paardenaak, vaartuig om paarden over water te vervoeren.
De bodems der veerponten en paardenaken zoo dikwijls te sintelen, als tot hunne dichtheid noodig is,   Alg. Voorschr. 1901, § 319.
Paardenaloë (zie Dl. II, kol. 225).
Paardsalsem, gewestelijk voor alsem, Absinthium (CORN.-VERVL. 1963: peerdsalsem).
Paardantilope, nijlgau; Antilope picta (BURGERSDIJK, Dieren 1, 326 [1864]).
Paardenarbeid, daarnaast eertijds en thans gewestelijk (b.v. in Antwerpen) peerdsarbeid, harde, voor menschen eigenlijk te zware arbeid.
Peerdsarbeyd. Herculei labores,   KIL. [1599]  (ook SARTORIUS, Adag. III, 1, 79).
De Kinderen, die het bedrijf hunner ouders van nabij zien, hooren hen bestendiglijk klagen … over den paardenarbeid dien zij te doen hebben,   IMMERZEEL, B. Knoopius, 9.
Zoo e stuk ijzer dragen is peerdsarbeid,   CORN.-VERVL. 948.
Paardenarts, veearts, inzonderheid bij het leger.
De paarden-artsen der 1ste klasse,   Bijv. Stbl. 1817, blz. 737.
Surnumerair-adjunct-paardenartsen,   1841, blz. 391.
De benaming van Adjunct Paarden arts word afgeschaft en in die van Paarden arts van de 3de klasse veranderd,   1851, blz. 542.
De toelating van kweekelingen bij 's Rijks veeartsenijschool …, ten einde na volbragte studiën als paardenarts bij het leger hier te lande te dienen,   1878, blz. 394.
De officieren … hebben zich in het wachtkamertje van den paardenarts opgesteld,   HORA ADEMA, in Gids 1896, 4, 194.
Paardenartsenij, geneesmiddel voor paarden (V. MOOCK).
Paardenartsenijkunde, de kennis der geneesmiddelen tegen de verschillende paardenziekten.
Werken over de paarden-artsenijkunde,   HOFDIJK, Voorgesl.² 3, 202.
Paardenartsenijschool, leerschool voor paardenartsen (V. MOOCK).
Paardenbak: om paarden uit te voederen.
Paardbalk, gewestelijk (in Groningen): zoldering boven een paardenstal (MOLEMA 319: peerbalk).
Paardenbalsem, gewestelijke naam van planten.
1°. Watermunt, Mentha aquatica (HEUKELS 154 [1907]: paarebalsem).
2°. Bijvoet, Artemisia vulgaris. In Z.-Nederl. (HEUKELS 29 [1907]; PAQUE: peerdbalsum).
Paardenband, touw waarmede het paard aan de kribbe wordt vastgebonden (b.v. in het Land van Waas; JOOS [1900-1904]: peerdenband).
Paarde(n)been, 1°. een der beenderen van een paard; 2°. paardepoot.
Paardenbeenhouwer, paardenslachter; in Z.-Nederl. (zie b.v. CORN.-VERVL. 947).
Paardebeest, paard.
Twee peerdebeesten (in de schuere),   Rond den Heerd 1880, 316 b.
Paardenbeet, gewestelijk ook peerdsbeet.
(Een geneesmiddel) veur 't geval van zoo'n peerdsbeet,   CREMER 12, 187 [1862].
Paardenbehangsel, datgene waarmede een paard behangen is; ongewoon.
Euryalus nam Rhamnetes paerdebehangsel, en den riem met goude doppen beslagen,   VONDEL 5, 329 [1646]  (evenzoo VONDEL 8, 535 [1660]: paertsbehangsel)
 ; als vertaling van lat. phalerae.
Paardebek, bek van een paard, ook als geslachtsnaam voorkomende.
Paardenbel, ronde bel aan het tuig van paarden.
Paardenben, mand met twee ooren die aan den disselboom gehangen wordt om de paarden te voederen (b.v. op Walcheren).
Paard(en)berijder: die paarden bedwingt en africht, pikeur; verouderd. Zelden in 't algemeen: paardrijder.
Peerd-be-rijder, Equiso, equorum magister et moderator,   KIL. [1588]  (ook PLANT. [1573]).
— Zy scheen te lesse geweest by den paardeberijder van Siëna, Giorgio,   HOOFT, Rampz. 35.
Nevens den tuin is de rijplaetse van coninx paerdberijder, ende des coninx paerdenstal daerby,   HOOFT, Br. 2, 413 [1599].
Paardenbeschermer, dynamische veer aan een wagen om dezen gemakkelijker in beweging te brengen en zoodoende het paard bij het aanzetten te sparen (V. DALE).
Paardenbeschrijver (BERKHEY, N.H. 4, 1, 148 [1779]).
Paardebeslag, de ijzers waarmede de paardenhoeven beslagen zijn.
Het paardebeslag moet in den regel om de 4 of 6 weken vernieuwd worden.   poëem WNT
Paardenbeslager, hoefsmid; ongewoon.
Door … traecheyt der paardebeslagers,   SPEELMAN, Journ. 354.
Paardbesteller, stalknecht. Verouderd.
Peerdtbesteller. Qui pense les chevaulx,   PLANT. [1573].
Paarde(n)beul, iemand die zijn paard slecht behandelt, doet lijden.
Dat is ginder 't moordenaarshoekje (t.w. op het kerkhof) …, W. … ligt daar, en P. … en Seven de peerdebeul,   ST. STREUVELS, in Vlaanderen 2, 460.
Paardenbezitter, eigenaar van paarden (HEKMEIJER, Veearts. Handb. 197 [1871]).
Paarde(n)biefstuk.
Paarde(n)bies, volksnaam voor de mattenbies, Scirpus lacustris (HEUKELS 229 [1907]) en voor de zeegroene rusch, Juncus glaucus, in het Westvlaamsch: peerdebies (DE BO [1873]; HEUKELS 129 [1907]).
Paardenbij, daarnaast peerdsbie, paardenvlieg. In Z.-Nederl.
De steke van dese … is bitterder en hinderlijcker, dan den strael van een wespe oft peerdts-bie,   DAVID, Spinnec. 285.
Paardenbijter, zeker insect: rombout, Anisoptera (OUDEMANS, Insecten 193 [1905]).
Paardebil, 1°. bil van een paard.
Rookvleesch van eene paardebil.   poëem WNT
2°. Bil als die van een paard, bijzonder groote en uitstekende bil van een mensch.
Hij heeft paardebillen.   poëem WNT
— Ook als scheldnaam: Dirkie Peerdebil.   poëem WNT
3°. Gewestelijk peerdsbil, als naam voor een mismaakt kalf.
De peerdsbil is van achter dik gevleesd; zijne achterkwartieren, met koehaar bewassen, zijn gelijk die van een peerd,   CORN.-VERVL. 1963.
Paarde(n)bit, ook in de zegsw. op een paardbit rijden (vergelijk: op den stang rijden).
Jammer, dat men sommigen hiermede op een paardbit moet rijden,   in J. V. LENNEP, Lev. v. D. J. v. L. 2, 91 [1816].
Paardenblei, verbastering van paardenplei; zie ald.
Paarde(n)bloed.
Paerdebloet … met melck onder een gemengt,   VONDEL 5, 116 [1646].
Paardenbloem, paardsbloem. Zie PAARDENBLOEM.
Paardenboer, gewestelijk (hier en daar in Z.-Nederl.) ook peerdsboer (CORN.-VERVL.), 1°. landbouwer die een of meer werkpaarden heeft.
De grootte der hoeven is zeer verschillend; die van de arbeiders zijn van 1/2 tot 1 HA.; van den ”koeboer” van 2 tot 3 HA.; van den ”ossenboer” van 4 tot 5 HA.; van den ”paardenboer” van 6 tot hoogstens 25 HA.,   Onderz. Landb. 1886, 88, 4 [1890].
Een ossen- en een paardenboer kwamen op zekeren dag samen van de markt,   DE MONT en DE COCK, Vl. Vert. 440 [1898].
(Hij) ging trouwen met een dochter van Vincke den grooten peerdenboer,   STIJN STREUVELS, Minneh. 2, 50 [1903].
2°. Iemand die paarden fokt, ze verhuurt en verkoopt (V. DALE).
3°. Gewestelijk (b.v. in Deventer) ook: de jager eener trekschuit (DRAAIJER).
Paarde(n)boever, gewestelijk (b.v. in het Westvlaamsch), 1°. paardenknecht bij een boer.
Den peirdeboever was genaemt Lieven,   VERVISCH, Lev. 2, 63 [1791].
De peerdeboevers ploegen het land, en rijden met den wagen,   DE BO [1873].
2°. In den verkl. peerdeboeverken (DE BO [1873]) ook als naam voor den kwikstaart; daarnaast paardenwachtertje.
Paardenboom, latierboom in een stal.
Paarde(n)boon, eertijds en thans nog gewestelijk (zie b.v. CORN.-VERVL.) ook peerdsboon, het zaad van eene bekende peulvrucht, t.w. van zekere verscheidenheden der plant Vicia faba L. (Faba vulgaris Mönch); vergelijk Dl. III, kol. 438, en zie verder OUDEMANS, Flora² 2, 56 en V. HALL, Landh. Flora 60 [1854]. Deze boonen dienen thans vooral als voedsel voor dieren, maar worden ook wel door arme menschen en kinderen gegeten. Soms ook als naam van de pronkboon, Phaseolus multiflorus (HEUKELS 180 [1907]).
De Peerde Boonkens worden in Italien veel onderhouden,   DODON. 904 b [ed. 1608].
Sy kreeg een halve ton voor den dag, daar sy … een houte bak met koude paarde-boonen, en een weinig kaarn-melk opsette,   HEINSIUS, Verm. Avant. 1, 65 [1695].
Dat voortaan … geen Hooy, Haver of Paardeboonen uyt deese Landen na buyten sal uytgevoert moogen werden,   Gr. Placaetb. 5, 338 a [1701].
Meel, Tarwe, Haver, Paarde- en Duyveboonen,   9, 111 a [1781].
De bruid … met paardeboonen te werpen,   TER GOUW, Volksverm. 557 [1871].
De gewassen, welke in de gemeente verbouwd worden, zijn hoofdzakelijk aardappelen, rogge, tarwe, knollen, haver en paardenboonen,   Onderz. Landb. 1886, 10, 2 [1890].
— Zegsw.: Smijt de paardenboonen in het slijk en ze maken u rijk,   Meded. Geld. Mij. v Landb. 1868, 44.
Ook in samenst.
Een goede paardeboon balsem,   N. Troost d. Armen¹, 35.
Paardenboot, vaartuig dat ingericht is tot het vervoer van paarden.
De Paerdeboot … had, tot zijn lading, drieentwintig Paerden,   Voyag. v. Klenk 32 [1677].
Paardenbord, plankje dat onder de pooten van een paard bevestigd wordt om te voorkomen dat het in weeken veengrond wegzakt.
Ontvreemd te Uithoorn …: zes paardenborden,   Alg. Politieb. 1855, 629.
Paarde(n)borstel: om het haar van paarden te reinigen en glad te strijken (V. DALE).
Paardebout.
De Honden breeken de sterke gewrigten van een taaien Paardenbout, met grove tanden,   BERKHEY, N.H. 3, 148 [1772].
Paardebron, ongewone vertaling van gr.-lat. Hippocrene (WINKLER PRINS, Encycl. 8, 311 a). Zie Hengstenbron (Dl. VI, kol. 576).
Paardenbrood, roggebrood dat voor de paarden gebakken wordt, doch ook door menschen wordt gegeten, CORN.-VERVL. 1962).
Paardendaas, paardenvlieg, brems (JOOS [1900-1904], CORN.-VERVL.).
Paardedag, peerdedag, dag van zwaren en lastigen arbeid.
Ik heb verleden week drie peerdedagen gehad,   DE BO [1873].
Paarde(n)dek, dekkleed der paarden.
Alle Rollen Friesen of Duffels, dienende tot Paarden Dekken, … sullen … moeten gemaakt worden in de Provintie van Holland,   Gr. Placaetb. 6, 203 a [1734].
Een oud paardedek,   V. LENNEP, K. Zev. 3, 331 [1865].
Paarde(n)deken (I), hetzelfde als paardendek.
Tot Paarde-deekens,   DIBBETZ, Milit. Wdb. 493 a [1740].
Onder een gebruikte paardedeken slapen,   V. ANDEL, Volksgeneesk. 346 [1909].
Paardendeken (II), te Antwerpen, natiebaas die het toezicht heeft over de paarden en de wagens.
Bert Vlaminckx was ”peerdendeken” van eene der voornaamste Antwerpsche naties,   SEGERS, Kolen i.d. K. 166 [1907].
Paarddeksel, paardedek; thans ongewoon.
Peerd-decksel. j. rug-kleed. Dorsuale,   KIL.
Paardendief, iemand die paarden steelt.
Peerd-dief. Abactor,   KIL. [1588].
— De Koey, Paard, of Schapen-Dieven werden voor de eerste reis met de Galg gestraft,   V. LEEUWEN, Rooms-Holl.-Regt IV, 38, § 5.
Een Schouteth … Sprack tot een Paerdendief, in sijn geweld gevangen,   HUYGENS 2, 76 [1650].
Verontschulding van een paerde dief,   Kl. Bancket-kramer 116 [1657].
Paarde(n)diefstal.
Hij wordt beschuldigd van paardendiefstal.   poëem WNT
Paardendieverij (V. DALE).
Paardendistel, volksnaam voor verschillende distels.
1°. Akkervederdistel, Cirsium arvense. In Z.-Limburg (HEUKELS 68 [1907]).
2°. Speerdistel, Cirsium lanceolatum, b.v. in het Westvlaamsch (DE BO [1873]).
3°. Kruisdistel, Eryngium campestre. In Overijsel (HEUKELS 96 [1907]).
4°. Wegdistel, Onopordon Acanthium. In Vlaanderen (HEUKELS 167 [1907]; PAQUE).
Paardendokter.
Een paardendoktor gaf een' man wat oogenzalf,   BILD. 7, 375 [1827].
Alle de beroemste paardendoctoren,   KIST, Eikenh. 2, 331 [1810].
Paardendom, de gezamenlijke paarden; ongewoon.
De eer die onze grote voorzaat Caligula het Paardendom heeft aangedaan, door de verheffing van zyn begunstigd ros tot het Roomsch Borgemeesterschap,   V. EFFEN, Spect. 11, 182 [1734].
Paardendooder, Paardendoodster, iemand die paarden doodt (V. MOOCK, V. DALE). Daarnaast gewestelijk peerdedood, in de achttiende eeuw te Deventer, bij het volk, voor den dienaar of suppoost van den onderschout; te Zutfen voor den hondenslager in de kerk.
Paarde(n)dracht, het drachtig zijn van een paard of eene zwangerschap als die van een paard.
Zij heeft eene paardendracht, tijdens hare zwangerschap is zij sterk opgezet, (ook) zij is reeds over hare telling,   V. DALE.
— Gewestelijk (b.v. in Antwerpen) ook voor: valsche zwangerschap van eene vrouw, maandracht.
Zij heeft eene peerdedracht gehad.   CORN.-VERVL.
Paardendraf, het draven van een paard; ongewoon.
Indien geen paardendraf … mij dreunt in 't oor,   V. LENNEP, O. en N. Ged. 110.
Paardendrank, geneesmiddel dat aan een paard wordt ingegeven; gewestelijk in Z.-Nederl. ook: medicijndrank die onaangenaam is om in te nemen.
Hij heeft mij daar een peerdedrank gegeven!   DE BO [1873]
 (zie ook CORN.-VERVL.) .
Paarde(n)drek (MARIN; CONSC. 3, 391 b [ed. 1868]).
Paardendressuur, het dresseeren van paarden (V. DALE).
Paarde(n)drijver. Iemand die paarden voortdrijft, b.v. naar of van de markt.
Paardendrijvers huren.   poëem WNT
— Daer een yeder Osse of Peerde-drijver (so hy wil) voor een Propheet wort geacht,   HORTENSIUS, Oproer d. Wederd. 15a.
— Inzonderheid ook: de jager van eene trekschuit of een ander vaartuig.
Schippers, Paerdedryvers ende Wagenluyden,   Gr. Placaetb. 2, 336 [1599].
Als … Voerluyden ende Peerde-dryvers met Peerden de Wael passeren,   1, 1161 [1640].
Dat niemand sich sal hebben te verstouten, om de Teugelaers of Paerde-dryvers in het op-paerden van de Schepen te belemmeren,   Geld. Placaatb. 3, 539 [1735].
Paarddrillen, het drillen of africhten van een paard; ongewoon.
Op het Paarddrillen van Jonkvrouw S. (titel v. e. gedicht),   BILD. 13, 47 [1794].
Paardedronken, gewestelijk (b.v. in het Westvlaamsch) voor: uitermate beschonken.
Hij was wel dronken, maar niet peerdedronken,   DE BO [1873].
Paardeneelt.
Een stuk paardenhoef of paardeneelt in den broekzak … gedragen,   V. ANDEL, Volksgeneesk. 379 [1909].
Paardeneigenaar.
  HEKMEIJER, Veearts. Handb. 198 [1871].
Paardenemmer, gewestelijk in Z.-Nederl. peerdseemer, emmer die gebruikt wordt om de paarden te wateren (JOOS [1900-1904]).
Paardenfabriek: die door paarden in beweging wordt gebracht, zooals b.v. eertijds diamantslijperijen (LEVIT.-POLAK, Diam. 297).
Langzamerhand verdwenen alle paardenfabrieken en maakten plaats voor de stoomslijperijen,   a. w. 364.
Paardenfeest, gewestelijk (b.v. in het Westvlaamsch) voor: paardenmarkt, wegens de genoegens die deze met zich brengt.
Er zijn drie peerdefeesten 's jaars in die stad,   DE BO [1873].
— Zoo kome ik vandage Sint Pietersdag met de Thorhoutsche peerdenfeeste vieren,   A. VYNCKE, Br. 3, 87.
In 1712 werd reeds te Hazebroek een jaarlijksche ”Peerdefeeste” gehouden,   GAILLIARD, Keure v. Hazebr. 3, 383 [1897].
Paardenfokken.
Paardenfokkende landlieden,   HEKMEIJER, Veearts. Handb. 70 [1871].
Paardenfokker, hij die paarden fokt.
Zoo worden daardoor de boeren en paardenfokkers verlokt om hunne … beste merriën …over te geven, en zich voor de fokkerij te behelpen met slechtere,   HOFDIJK, Voorgesl.² 6, 250.
Alle Nederlandsche paardenfokkers,   Versl. Landb. 1909, 6, 20.
Paardenfokkerij, 1°. het aanfokken van paarden.
De streken van ons land, waar de paardenfokkerij het sterkst gedreven wordt,   SCHLEGEL, Zoogd. 124.
Indien het besef dier noodzakelijkheid (t.w. van rasverbetering) bij den boer levendig mocht worden, zou … de paardenfokkerij … zeer voordeelige uitkomsten kunnen opleveren,   Onderz. Landb. 1886, 13, 20 [1890].
De keuringen van de Provinciale Vereeniging ter bevordering van de Paardenfokkerij in Groningen,   Versl. Landb. 1909, 1, 28.
2°. Plaats waar men paarden fokt, stoeterij.
Paardenfonds.
Ten laste van het paardenfonds bij de korpsen kavallerie van het leger, (zal) aan ieder escadrons-kommandant … een bedrag … worden uitbetaald, tot het bekostigen van het benoodigd tuigensmeer,   Bijv. Stbl. (ed. D'ENGELBR.) 1841—'45, blz. 384 a.
Paardengang, gewestelijk (b.v. in Groningen): de ruimte achter of voor de paarden in den stal.
Paarde(n)gast, paardenknecht; soms ook: ruiter. Gewestelijk in Z.-Nederl.
En peerd en peerdegast stort neêr,   RODENBACH 164.
Paardegat, 1°. achterste van een paard; 2°. gewestelijk (b.v. op de Veluwe) als benaming voor eene soort van koe, elders paardebil genoemd.
Paardegebit.
Het paardegebit onderzoeken.   poëem WNT
Paardengebriesch; weinig gebruikelijk.
't Hondengebas en het paardengebriesch,   TOLLENS 1, 74 [1808].
Paardegedacht, dwaas, ongerijmd denkbeeld. Gewestelijk hier en daar in Z.-Nederl. (DE BO [1873], JOOS [1900-1904]).
Paardgehinnik (Dl. IV, kol. 867, en CONSC. 2, 33 b [ed. 1868]: Verward gerucht van wapengerammel, van paardengehinnik en van menschenstemmen).
Paardengek, iemand die al te zeer verzot is op paarden (KUIPERS).
Paard(en)geld, 1°. belasting op het houden van paarden.
Tollen, Weeghelt, Pontghelt, Poortghelt, Peerdtghelt, Veerghelt enz.,   Placc. v. Brab. 2, 16 b [1554].
Het passagiegelt, coets- en paerdegelt is weder ingevoert,   V.D. GOES, Briefw. 2, 287 [1671].
Dat de verhuurders van koetsen …, ende huurpaarden, het Paardegeld sullen betaalen, als van ouds,   Utr. Placaatb. 2, 886 b [1723].
DeBillietten, die de respective Ontfangers van het Dienstboden, karos, Wagen, en paardegeld … jaarlyks aan de huisen zullen moeten besorgen,   Gr. Placaetb. 9, 1148 b [1756].
Er zal worden geheven eene belasting op de Paarden, welke tot vermaak, gemak, noodzakelijk gebruik, tot verhuring aan anderen, of tot vervoering van passagiers, in eigendom of in huur worden gehouden en zulks onder de benaming van Paarden-Plaizier-' en Passagie-geld,   Besl. v. 23 Dec. 1813 (Stbl. 17), a. 4.
2°. Wat men voor het rijden op of met een paard betaalt (V. DALE).
Paardsgelijke, wat met een paard gelijkgesteld kan worden; ongewoon.
Wanneer, in 't Stoomland, wagens hollen, Al loopt er paard, noch paardsgelijke, voor,   STARING 2, 159 [1832].
Paarde(n)gerek, gewestelijk (b.v. in Brabant) voor: het geheele tuig van een paard (SCHUERM. [1865-1870]).
Paardengeslacht, het geslacht der paarden, de soort van dieren die paard wordt geheeten.
Paardgespan, de gezamenlijke voor een wagen gespannen paarden; ongewoon.
Helt Faroos vorstlyk paertgespan,   SCHIM, Bybelp. 226.
Paardsgestalte, Paardsgestaltenis, de gedaante van een paard. Ongewoon.
Zoo liet Saturnus zelf, verkeert … In paertsgestaltenis, zijn mane om d'ooren heen En schoften waeien,   VONDEL 8, 236 [1660].
Paard(en)getrappel, inzonderheid: het geluid dat door het getrappel van paarden wordt veroorzaakt.
Hier werden zij gestoord door paardgetrappel en het geruisch van wielen door 't kiezelzand,   V. LENNEP, K. Zev. 5, 121 [1865].
Daar hoort men buiten paardengetrappel,   Oude Tijd 1869, 156 b.
Paarde(n)getrek, gewestelijk (b.v. in het Land van Waas) hetzelfde als paardengerek (JOOS [1900-1904]).
Paardsgetuig, gewestelijk (b.v. in Antwerpen) voor: paardentuig (CORN.-VERVL.).
Paardengevecht, 1°. strijd van paarden, 2°. ruitergevecht (KUIPERS).
Paarde(n)gift, vergift voor paarden.
Vertrout u op geen kruiden, nog minne-dranken, en neemt geen proef om met paarde-gift te werken,   VALENTYN, Ovid. 1, 250.
Paarde(n)gordel, 1°. (als term in de natuurk. aardrijkskunde) de aardgordel waarbinnen de paarden voorkomen.
2°. Buikriem, singel van een paard (WINKLER, Oud Nederl. 276: peerdegordel).
Paard(en)gras, volksnaam voor zekere plant, eene soort van dravik, Bromus unioloides (Ned. Plant. 10), ook voor: witbol, Holcus (HEUKELS 120 [1907]), en soms als benaming van andere grassoorten.
Peerden Gras … wordt somtijts meer dan vier voeten hooch,   DODON. 1002 b [ed. 1608].
Rosgras of Paardengras, Gramen Equinum, Gramen Hippagrostis,   BERKHEY, N.H. 9, 75 [1811].
Paardenhaam, haam voor paarden (V. DALE).
Paardenhaar, daarnaast eertijds (en thans nog gewestelijk; zie b.v. JOOS [1900-1904]) paardshaar (peerdshaar).
1°. Een haar van een paard.
Boven zijn hooft (van Damocles) hingh een bloot sweerdt aen een peerds-hayr,   VONDEL 1, 502 [1617]
 (zie ook CATS 1, 17 b [1618]; HOOFT, Ged. 1, 79 [1608]; POIRTERS, H. Herte 79).
Gemeenlijk zijn de paardenharen niet rond, maar plat of wel in 't algemeen meer breed dan dik,   KUYPER, Technol. 2, 553.
2°. Als stofnaam; en bij uitbreiding ook het weefsel enz. dat van zulk haar vervaardigd is.
(Eene) stoffe om touwen af te maecken …, gelijck peerts hayr,   Begin e. Voortg. 13, 56 a [ed. 1646].
Daer op heeft hy my gegeven … Eenen ring van peerdenhaer,   CATS 1, 435 b [1629].
Zyn wambaswrong, gevult met paardshair,   HOOFT, N.H. 311 [1642].
Inwendig in de kaaken zyn de Baarden (der walvisschen) ruig, en gelykzaam met paerdehair bewassen,   ZORGDRAGER, Groenl. Vissch. 105 [ed. 1727].
Zeer gebruikelijk is het paardenhaar tot vullen van matrassen,   Ned. Handelsmag. 921 a [1843].
De vink … heeft wat mos bijeengepikt, wat paardehaar, wat wol geplukt, zoo is het vinkenest gelukt,   V. DROOGENBROECK, Zonnestr. 7.
Nellis lag onbewegelijk, met opgetrokken knieën, half afglijdend van het gladde paardenhaar der rustbank,   A. DE WIT, Verb. Bronnen 8.
Vandaar het stoffelijk bnw. paardenharen, paardsharen.
Askaen …, zich naer hem toekeerende, trock den pijl met de paertshaire pees aen,   VONDEL 5, 335 [1646].
Een peirds-hayren riem,   JAKEMIJN, Triumphe 359.
Paerdshaaire braceletten,   WEYERMAN, Vrol. Tuchtheer 270.
Paardenhaire Knoopen,   Keuren v. Haerlem 2, 160 b [1751].
Een … heer met een grijzen paardenharen Saksen-Weimar,   BEETS, C.O. 25 [1839].
Uw paardenharen matras,   Schoolm. 108 [voor 1858].
De paardenharen weefsels zijn deels zoodanige, welke geheel uit haar bestaan; deels zoodanige, waarbij het haar alleen tot inslag dient,   KUYPER, Technol. 2, 553.
(Zij) stellen paardsharen stroppen voor lijsters en vinken,   SEGERS, Licht en Br. 12 [1898].
Een paardenharen zeef,   WANNÉE, Kookb. 5 a.
In samenst. Paardenhaarbereider (KUIPERS), enz.
Paardenhak, hak (zie Dl. V, kol. 1539) die door een paard in beweging wordt gebracht.
De planten … werden eenmaal aangeaard met de paardenhak,   Meded. d. Geld. Mij. v. Landb. 1846, 334.
Na het opkomen (van het zaad) wordt de grond met een paardenhak losgemaakt,   Versl. Landb. 1910, 1, 87.
Paardenhals, naast paardshals, 1°. hals van een paard.
Camele …, met eenen paertshals, koevoeten enz.,   FRANCK, Wereltb. 7 c [1595].
Indien de schilder een menschenhoofd op een paerts hals woude zetten,   VONDEL 6, 598 [1653].
De manen hangen neer langs den paardenhals.   poëem WNT
2°. Als naam van zekere huiden en stukken leder.
Graauwe en zwarte Paardehalzen,   Handw. 4, 33 [1789].
Paardenhalster, riem of touw om den kop van een paard (V. DALE).
Paardenhandel, handel in paarden.
Dat gy, onder uwe metgezellen in de paardenhandel, u wonder in uw schik toont met my zo aardig opgelicht te hebben,   V. EFFEN, Spect. 7, 27 [1733].
De bedriegerijen …, die de paardenhandel … verrigt,   HEKMEIJER, Veearts. Handb. 85 [1871].
Paardenhandelaar, iemand die handel drijft in paarden.
Paarde-handelaars …: Sie Paardekoopers,   DIBBETZ, Milit. Wdb. 493 a [1740].
Door enkele paardenhandelaren werd met vrij gunstig gevolg een serum gebruikt tegen goedaardigen droes,   Versl. Landb. 1909, 6, 2.
Paardenhark, (bij landb.) een breede hark op wielen, die door een paard getrokken wordt.
Paardenharken …, waarmede een handig man zooveel gras bijeen harkt, als tien arbeiders,   STARING, Huisb. 746 [1862].
De amerikaansche, wentelende, houten paardenhark 748.   poëem WNT
Paard(en)harnas, 1°. ijzeren bekleeding voor een strijdros.
2°. Gewestelijk (in Vlaanderen): paardetuig.
Twee peerdebeesten met al het peirdarnasch,   in Rond den Heerd 1880, 316 b.
Paardenheil, het welzijn der paarden; ongewoon (V. ZEGGELEN 4, 75 [1844]).
Paardenhemel.
Wanneer een peerd gestorven is, dan zegt men: 't is naar den peerdenhemel,   CORN.-VERVL. 947.
Paardenherder: die de paarden hoedt.
Peerdtsherder. Un gardeur ou pasteur de chevaulx,   PLANT. [1573].
Paardenhoeder.
Paardenhoef, naast paardshoef. — 1°. Hoef van een paard.
Doe werden de peertshoeven verplettert: van het rennen, het rennen sijner machtigen,   Statenb., Richt. 5, 22 [ed. 1688].
Een stofwolk ryst … op, Zoo dra de paardtshoef raakt aan 't draaven,   ROTGANS, Poëzy 198.
Gij, schoon op paardenhoef, zijt mensch en paard te gader,   BILD. 3, 110 [1829].
't Was hem, of hij uit het voorhoofd van den voorsteller een paar horens opschieten, en een paardehoef uit diens zwarten pantalon kijken zag,   V. LENNEP, K. Zev. 4, 149 [1865].
Langs 't voorplein klonk de paardenhoef,   TER HAAR, Ged. 2, 6 [1825].
— Ook in samenst. paardenhoefvormig.   poëem WNT
2°. Als naam voor zekere plant: klein hoefblad; Tussilago Farfara (HEUKELS 262 [1907]).
Neemt een handvol peirdehove,   SIMONS, Troost d. Arme bij DE BO [1712].
Er groeit daar veel peerdshoeve,   DE BO [1873].
Als bijzondere of diep wortelende onkruiden, waartegen men veel te strijden heeft, kunnen de paardenhoef …, kattestaart enz.   … gelden, Onderz. Landb. 1886, 71, 14 [1890].
3°. Als benaming voor zeker gebrek in timmerhout.
Op dergelijke wijze als onze houtkoopers en timmerlieden gewoon zijn den naam van paardenhoeven en van uilenveeren aan zekere gebreken in het hout te geven,   HARTING, in Alb. d. Nat. 1854, 1, 174 [1854].
Paardenhoofd, naast paardshoofd, thans minder gewoon dan paardekop. — 1°. Kop van een paard.
Anderhalf man ende een peerts hooft,   Ulensp., A 3 r°.
Een Paardenhoofd, dat men uitwendig voor gebrekkig houd, kan op verschillende wijzen voorkomen,   BERKHEY, N.H. 4, 1, 148 [1779].
Het geraamte van een paardenhoofd,   CONSC. 2, 70 b [ed. 1868].
Zegsw. (b.v. in N.-Holl.) Uit een peerdshoofd praten, onverstandig spreken.
2°. Eertijds als benaming voor zeker foltertuig.
Het paertshooft reckt mijn leên met koorden, en gewight,   VONDEL 4, 293 [1642].
Nu, meende men, zat ik aan een paards hoofd: nu was ik in een gat, waar uit ik my niet redden konde (bij een redetwist),   V. EFFEN, Spect. 7, 198 [1733].
3°. Als volksnaam voor eene vroegere munt.
R. Tot drie hondert labbayen is 't al gesompt, Ses myten min. … T. Dat 's vierdhalven cornelus en een paerts hoot,   bij V. VLOTEN, Kluchtsp. 1, 170.
Paardenhooi, hooi voor paarden.
Fijn hooi of paardenhooi,   BERKHEY, N.H. 9, 204 [1811].
742 Rijnlandsche roeden best gewonnen paardenhooi,   Uit een dagblad [1900].
Paardenhooier, zeker landbouwwerktuig om het gemaaide gras te hooien.
Wenscht men … handen te besparen bij het hooijen, dan dient het paard voor den paardenhooier of hooischudder te worden gespannen,   STARING, Huisb. 746 [1862].
Paardenhoorn, daarnaast gewestelijk paardshoorn, hoorn die van een paard afkomstig is, snijdsel van een paardenhoef.
Peerdshoorn branden in een huis, als 't al wel toegestopt is, is goed tegen de weegluizen,   Loquela 11, 55 [1891].
Paardenhorzel, daarnaast (in Z.-Nederl.) paardshorzel, benaming voor eene soort van horzel (Gastrophilus) en eene groote soort van wesp, hoornaar (Vespa Crabro).
Peerds-horsel. Fland. Vespa, crabro,   KIL. [1599].
De eijeren der paardenhorzels worden door de moedervlieg op de manen … vastgekleefd,   SNELLEN V. VOLLENH., Gel. Dieren 522.
De paardenhorzel … wier maskers … in de maag … van het paard leven,   SCHLEGEL, Dierk. 2, 307 [1858]
 (zie ook OUDEMANS, Insecten 576 [1905]).
De peerdhursels knagen het zachte hout af van oude boomen,   DE BO [1873]
 (zie ook JOOS [1900-1904] en CORN.-VERVL.: peerdshorzel)
 .
Paardenhouweel, hetzelfde als paardenhak.
Paardenhuid, daarnaast paardshuid, huid, vel van een paard, hetzij tot leder bewerkt of niet.
Van pardehuuden, coehuuden of calverhuuden,   in Ann. Soc. d'Émul. de Bruges 24, 460 [1550].
M. Waer krijghe ick een Paerts-huyt. R. … Ick hebbe een huyt … Van Moorken onse swarten Peerde,   Veelderh. Gen. Dicht. 32.  (33: Peerts-huyt).
De paardenhuiden worden evenals de runderhuiden tot leder verwerkt,   Ned. Handelsmag. 514 b [1843].
Paardenhurk, gewestelijk (b.v. op de Veluwe) als benaming voor den hoornaar; Vespa Crabro (OUDEMANS, Insecten 562 [1905] en 793).
Paardenhuur, geld dat men betaalt voor het huren van paarden (verg. VERDAM).
Paardenijs, 1°. ijs zoo sterk dat men er wel met paard en ar op kan.
Dat was nog eerst een wintertje; het ijs ”lag er meer dan een voet dik in”, kortom 't was ”paardenijs”,   V. BUTT.-WICHERS, Schaatsenrijden 119  (zie ook BOEKENOOGEN).
2°. Ongelijk, schotsig ijs, waarop men niet kan schaatsenrijden en dat dus alleen goed is om te arren (BOEKENOOGEN).
Paardenijzer, daarnaast paardsijzer, hoefijzer; eertijds als naam voor zekere plant, volgens DODON. 949 a [ed. 1608] (”Van Peerdts ijser”) omdat men meent dat de paarden die er op treden de hoefijzers laten vallen.
Paerts-ysers … geeft een cierlijck plantje, het heeft peultjens of zaden, die komen aen malkanderen, als Hoef-ysers van Paerden, dit zaet komt veel uyt warme landen,   Verm. Landt-lev. 1, 36 a.
Paardinsect, bij BILD. voorkomende ter aanduiding van de Spaansche vlieg.
't Bladertrekken van 't Iberisch paardinsekt,   BILD. 6, 441 [1806].
Paardejong, veulen.
Paardenjongen, staljongen (b.v. in Indië).
Paarde(n)kaas, kaas van paardemelk gemaakt.
Peerdtskeese. Fourmage de laict de chevaulx,   PLANT. [1573].
— Een geur van geiten- en paardenkaas,   BERGMANN, Nov. 921.
Paardenkak, uitwerpselen van paarden.
Paardskalf, gewestelijke naam voor een wanstaltig kalf dat van achter op een paard gelijkt, paardsbil (JOOS [1900-1904], CORN.-VERVL.: peerdskalf).
Paardenkam, 1°. roskam (V. MOOCK); 2°. als gereedschap voor schilders.
Wijdgetande of paardekam,   V. D. BURG, Handb. Schilder 3.
Paarde(n)kamp, stuk grasland bestemd om er een of meer paarden te weiden (MOLEMA; BOEKENOOGEN).
Paardenkastanje, 1°. (m.) zekere boom (Aesculus Hippocastanum), in de 16de eeuw uit Midden-Azië naar Europa overgebracht en waarvan de vruchten op die van de kastanje gelijken; wilde kastanje, kastanje-kinaboom (HEUKELS 7 [1907]; V. HALL, Landh. Flora 39 [1854]).
De vruchten van den paardenkastanje worden in het Oosten aan aamborstige en hoestende paarden als geneesmiddel toegediend.   poëem WNT
2°. (vr.) de vrucht van dezen boom.
Paardenkastanjes zijn alleen voor veevoeder geschikt.   poëem WNT
— De helft eener uitgeholde paardenkastanje,   DE COCK en TEIRL., Kindersp. 6, 188 [1906].
Paardenkenner, kenner van paarden, iemand die verstand heeft van deze dieren.
Derhalven nu zijne eijgen volcq ende beste paerdekenners hadde gesonden om een voor hem … uijt te soecken ende te koopen,   Daghreg. Bat. 9, 334 [1657].
We weten het, dat Nederland in vele fokkers uitstekende paardenkenners bezit,   Versl. Landb. 1909, 6, 74.
Paardenkennis.
De paardenkennis bevat de eigenlijke natuurlijke geschiedenis van het paard, de kennis van zijnen ligchaamsbouw …, de kennis van de behandeling des paards en van den koop en verkoop van paarden, ook in regterlijk opzigt,   LANDOLT 2, 98 [1862].
Cursussen in paardenkennis,   Versl. Landb. 1909, 6, 22.
Paardenkerel, gewestelijk (b.v. in Groningen), 1°. iemand die veel van paarden, van rijden en rossen houdt (MOLEMA: peerekerel).
2°. Paardenknecht, roskammer (MOLEMA).
Paardenkerkhof, ongewijde begraafplaats.
De ghejusticieerde heretijcken … werden noch bovendien begraven up een peerdenkeerckhof oft ghalghenvelt,   V. VAERNEWIJCK, Ber. T. 4, 37 [1568].
Paardenkeur, daarnaast paardskeur, eertijds: keur, verordening op de paarden.
Tollen, pont pennighen, breucken, hoffkeuren, peertskeuren beleyden rechten enz.,   Placc. v. Brab. 1, 270 a [1530].
Paardenkeuring, het keuren van paarden (hengsten).
Paarde(n)keutel (V. MOOCK).
Paardskever, eertijds voor: paardenvlieg.
Peerds-kever, j. peerds-vlieghe. Scarabeus pilularius,   KIL.
Paardeklauw, daarnaast paardsklauw, 1°. paardenhoef, thans ongewoon.
Peerds-klauwe. Ungula equi,   KIL.
2°. Als benaming voor zekere plant, evenals paardenhoef, klein hoefblad (Tussilago Farfara).
Peertsclauwe oft Hoefbladeren wort dit cruyt daerom genoemt, om dat de bladeren … een peertsclaw gelijck sijn,   FUCHS, N. Herb. g iij r° [1543]
 (zie ook DODON. 1026 b [ed. 1608]).
Hoefblad, Paardenklaauw, groeijende op vele plaatsen, alwaar kleigrond is,   BERKHEY, N.H. 9, 96 [1811]
 (zie verder V. HALL, Landh. Flora 131 [1854])
 .
Ook in samenst.
Paardsklaauwkruid,   GIRON.
Paardenklaver, daarnaast paardsklaver, gewestelijke naam voor de roodbloemige klaver; Trifolium pratense. In Zeeland en Vlaanderen (HEUKELS 257 [1907]).
De peerdenklaver is koude klaver en de engelsche klaver is heete klaver,   Loquela 15, 37 [1895]
 (zie ook JOOS [1900-1904]: peerdsklaver) .
Paarde(n)kleed, paardedek (MARIN).
Paardenklinker, soort van getrokken klinker, wegens de hardheid voor de bestrating van paardenstallen en voor rij- of straatwegen in gebruik.
Behalve de beste vlakke klinkert gebruikt men ook met goed gevolg de smalle klinkert, de getrokken of kromme klinkert en de paardeklinkert,   STORM BUYSING, Waterb. 1, 47.
Beste paardenklinkers, Paardenklinkers enz.,   COOPMAN, Steenb. 17.
Van de paardenklinkers gaan er 111 stuks in eene vierkante el bestrating,   Ald.
Paardenknecht, ondergeschikte die met de zorg voor de paarden belast is.
Dezen … naar ier riekenden paardenknecht,   HOFDIJK, Voorgesl.² 3, 212.
Hij had als kalverhoeder, boodschapdoener en paardenknecht gediend,   SEGERS, B. d. Kemp. 85 [1900].
(Hij) deed … het werk van een paardenknecht,   WATTEZ, Koningsk. 85.
Paardenknoop, daarnaast paardsknoop, drieof vierdubbele knoop zooals men dien aantreft in paardenzweepen (JOOS [1900-1904] en CORN.-VERVL.: peerdsknoop).
Paardsknoppen, gewestelijke naam (b.v. in Autwerpen; zie CORN.-VERVL.: peerdsknoppen) voor het knoopkruid, Centaurea jacea, en voor de margriet, Chrysanthemum Leucanthemum (HEUKELS 65 [1907]; PAQUE).
Paardenkool, gewestelijke naam (b.v. in Vlaanderen) voor eene soort van boerenkool (Brassica acephala) die gekweekt wordt voor de stalbeesten.
De peerdekoole draagt in de oksels van de bladeren geene rozetvormige uitspruitsels gelijk de spruitkool,   DE BO [1873].
Paarde(n)kooper, iemand die paarden koopt of er in handelt.
So siet een verstandigh paerde-kooper niet opter paerden cierlijck ghereydt of behanghsele, maer opter paerden stercke snelheyt,   COORNHERT 1, 313 c [1586].
Op welcke Marct een groote menichte van jonge Paerden … te coop gebracht, ende van vele Paerde-coopers … ghesocht ende begeert werden,   ORLERS, Beschr. v. Leyden 13 [1641].
Dat ook denselven Impost subject zyn alle paardekoopers, stalhouders enz.,   Utr. Placaatb. 2, 884 b [1716].
Met de natuurlyke billykheid, in plaats van met de wetten der paardekoopers, raad te pleegen,   V. EFFEN, Spect. 7, 28 [1733].
Een corpulente paardenkooper, In kleeding niet bijzonder proper,   V. ZEGGELEN 1, 80 [1841].
Paardenkoopman, paardenkooper.
Bij den paardenkoopman,   HEKMEIJER, Veearts. Handb. 193 [1871].
Een paardenkoopman te X,   SEGERS, B. d. Kemp. 102 [1900].
Paardenkoopmanschap, paardenhandel (MARIN).
Paardekoorts, koorts zooals een paard, zeer hevige koorts.
Hij heeft eene peerdekoorts,   DE BO [1873].
Paardekop, daarnaast paardskop. — 1°. Kop van een paard.
Hy maecte … den eenen Priester eenen Peerts Cop, ende den anderen een Ossenkop, ende so liet hyze henen gaen,   Hist. v. Chr. Wagenaer 141.
Paardenkoppen versierden als kapiteelen de zuilen der Assyrische paleizen,   WINKLER PR., Encycl. 11, 754 b.
Zijn pittig-gepenseelde paardekoppen,   VERSTER in Onze Kunst I, 1, 46.
Het wapen der familie Van Hengst vertoont twee paardekoppen.   poëem WNT
Zegsw. Anderhalf man en een paardekop, gezegd voor: een klein publiek; ontleend aan Ulenspiegel (zie de aanhaling bij Paardenhoofd).
Daar was anderhalf man en een paardenkop,   HARREB. 1, 436 b [1858].
2°. Gewestelijk (hier en daar in Vlaanderen) voor: donderkop, onweerswolk.
't Gaat kwâ weêre worden, 't komen peerdekoppen in de lucht!   Loquela 5, 29 [1885].
Paardekot, gewestelijk (in Vlaanderen) voor: rosmolen, kleine fabriek die door een paard in beweging wordt gebracht (DE BO [1873]).
Paarde(n)kracht, 1°. kracht van een paard.
Om dat te verzetten, mag-je wel paardenkracht hebben,   V. DALE.
— Vroeger moest hiervoor menschen- of paardenkracht aangewend worden …; de electrische beweegkracht is evenwel goedkooper,   V. CAPPELLE, Electr. 568 [1908].
2°. In de werktuigkunde, als maatstaf ter bepaling van het vermogen van stoomwerktuigen enz. De gemiddelde kracht die een paard, in een rosmolen loopende, kan uitoefenen, als krachteenheid genomen.
Gewoonlijk wordt één paardekracht gelijk gesteld aan het vermogen om 4500 kilogram, in één minuut, één meter hoog op te heffen. Een electrische paardekracht is 736 volt. ampères.   poëem WNT
— De hoogovens met een stoomtuig van 30 paardenkracht,   FALCK, Ambtsbr. 91 [1823].
De eenheid van arbeidsvermogen is … een Kilogrammeter per seconde. … Wanneer dus een stoomwerktuig iedere seconde 75 KGM. ontwikkelt, heeft het een vermogen van ééne paardekracht (1 PK.),   VERDAM, Machin. 310.
De krachtvoortbrenging, die hierbij slechts ongeveer 0.6 KG. kolen voor 1 paardekracht per uur behoeft,   V. CAPPELLE, Electr. 315 [1908].
Men (heeft) motoren van 200 paardekrachten en meer gebouwd,   Ald.
Vandaar: Paardekrachtkromme, hetzelfde als kilowattkromme, t.w. wanneer het vermogen in paardekrachten is uitgedrukt (Electrotechn. Wdl. 38)
paardekrachtuur, eenheid voor het steenkolenverbruik van stoommachines.
Paardskrevel (zie Dl. VIII, kol. 186).
Paardenkrib, daarnaast gewestelijk paardskrib (CORN.-VERVL.: peerdskrib), krib voor een paard.
Paardskruid, gewestelijke naam voor zekere plant (zie JOOS [1900-1904]: peerdskruid): zwarte nachtschade; Solanum nigrum.
Paardenkummel, gewestelijke naam voor zekere plant: toeters; Anthriscus silvestris (HEUKELS 22 [1907]).
Paardekus, hetzelfde als paardezoen.
Paarde(n)kuts, Paarde(n)kutser, in Vlaanderen voor: paardenkooper. Reeds bij KIL.: Peerd-kutser, peerdkuts. Fland. j. peerd-tuyscher; zie verdere voorbeelden Dl. VIII, kol. 622, en vergelijk DE BO [1873] en JOOS [1900-1904].
Paardekuur, kuur zooals men op een paard zou toepassen.
Een geneeswijze, die ons sterk aanpakt of die alleen op zeer sterke gestellen kan toegepast worden heet een paardekuur,   in Noord en Zuid 25, 558.
Paardenkwelder, hooi van kweldergras dat voor paardenvoeder bestemd is (in Groningen).
Acht voer best gewonnen paardenkwelder,   Advertentie [1876].
Paard(en)kwispel, stok waaraan een paardenstaart is vastgemaakt en die dient om het stof uit het haar der paarden te slaan (JOOS [1900-1904], CORN.-VERVL.).
Paardenland, 1°. land waar men veel paarden vindt.
De keuring te Hoofddorp is ongetwijfeld verreweg de belangrijkste van Noordholland: men is hier in het paardenland,   Versl. Landb. 1909, 6, 50.
2°. Paardenweide.
Paarde(n)last, paardenvracht, zooveel als een paard dragen kan (HOLTROP).
Paarde(n)leder, Paarde(n)leer, leder van paardenhuiden gemaakt.
Schoenen van paardenleer.   poëem WNT
Vandaar het stoffelijk bnw. paarde(n)leeren.
Paardenleider, paardendrijver (DE COCK en TEIRL., Kindersp. 6, 101 [1906]).
Paardslengte, bij harddraverijen: de afstand overeenkomende met de lengte van een paard.
De prijswinner was maar een halve paardslengte voor.   poëem WNT
Paardeleugen, overgroote leugen.
Peerdeleugens vertellen,   DE BO [1873].
Paardenliefde.
Dat is paarden-liefde,   HARREB. 2, 27 a [1861].
Paardenliefhebber, iemand die veel van paarden houdt.
Peerdenliefhebber. Amateur de chevaulx,   PLANT. [1573].
— Andere paardenliefhebbers verstaan onder den naam karperrug, te hooge lenden,   HEKMEIJER, Veearts. Handb. 111 [1871].
Paardenliefhebberij (DIJKSTRA, Uit Friesl. 's Volksl. 1, 294).
Paardenlijk, het doodelichaam van een paard.
Peerdenlijken en gebroken … wagens,   RODENBACH 47.
Paarde(n)lijn, 1°. eigenlijk: jaaglijn voor een paard, touw om een vaartuig voort te trekken.
Paardelijnen … gebruikt … om te jagen,   PILAAR-MOSSEL, Tuig 400 [1858].
2°. In 't bijzonder (als scheepsterm) als benaming voor een dun soort van kabeltouw, van minder dan 12 cM. omtrek.
Paerde-lijnen. Touwen, om een Schip op te korten of ergens heen te halen,   WITSEN, Scheepsb. 504 [1671].
Item, sullen … by de Magistraet … alle Jaren alle Schepen … mitsgaders haer Masten, Zeylen, Anckers, Kabels …: als oock hare Peerdelynen, behoorlijck gevisiteert … werden,   Gr. placaatb. 2, 394 [1636].
1 Ligt Paardelijntje (dik) 21/2 (duim),   V. YK, Scheepsb. 247 [1697].
De Peerdlijn van 't Groote Marszeil,   362 a.
De wel gestelde Scheepen die daar naast by zijn, (sullen) alsulcke beschadigde Scheepen … van den Vyandt afsleepen …, ten welcken eynde eenen yegelijck altydts eenige Kabel-touwen en Paardelynen voor de handt sal hebben te houden,   Gr. Placaetb. 5, 285 a [1703].
Paardelijnen, driestrengs kabelslag, van 12, 10, 8 en 6 duim, … tot eene lengte van 200 ellen,   PILAAR-MOSSEL, Tuig 67 [1858].
3°. Eertijds: Fransche paardelijn (als scheepsterm), een tros of touw tijdens een gevecht rondom het schip genomen boven de waterlijn en hier en daar opgehangen, opdat zij die overboord mochten vallen zich daaraan zouden kunnen redden (V. LENNEP, Zeem.-Wdb. [1856]).
4°. Bij voerlieden (gewestelijk ook in den vorm peerdslijn): lijn aan den toom van het paard, waar dit mede gemend wordt (JOOS [1900-1904]).
Paardenlijst, lijst waarop paarden (of hun aantal) worden aangeteekend, met eene bepaalde bedoeling.
De voornoemde Generaels vande Convoyen ende Licenten (sullen) gehouden zijn de voorsz Peerde-lijsten van Maent tot Maent aen ons over te seynden,   Gr. Placaetb. 1, 1159 [1640].
Paardenloods: om paarden te stallen; b.v. in Indië (PRICK V. WELY, Hulpwdb. 92).
Paardenlook, zekere plant: kraailook; Allium vineale (HEUKELS 14 [1907]).
Paardenloop, 1°. het loopen van paarden, inzonderheid bij een wedstrijd: harddraverij.
Te Newmarket in Engeland worden dikwijls paardeloopen gehouden,   HALMA.
Paarde loop … in 't Marsveld,   VALENTIJN, Ovid. (ed. 1700), Bladwyser.
Ik hoorde … gewagen van speelhuizen en tweegevechten, van paardenloopen en weddingen,   CONSC. 4, 118 a [ed. 1869].
2°. De weg waarlangs het paard loopt in een paardenmolen, paardepad.
(Een) grutterij met een benedenwerk …, waarvan het geheele werk in de beneden verdieping is geplaatst, en dus de paardenloop met de kroon naast het grutwerk zijn gelegen,   KROOK, Molenb. 49 [1850].
De grutterijen met een bovenwerk, waarvan … de paardenloop op de eerste verdieping is geplaatst,   Ald.
3°. In den vorm paardloop, peerdloop, eertijds als lengtemaat.
Dit meyr Genasar …, 160 peertloopen lanc, 60 peertloopen ouer dwersch breet,   FRANCK, Wereltb. 103 d[1595].
Paardenloopen, het loopen van paarden, harddraverij van paarden.
Een klepperdicht te Siëna op 't paardeloopen gedicht,   BRANDT, Lev. v. Vondel 27 [1682].
Paardenloopperk.
Paardenloopperk, of oeffenbaan,   GIRON.
Paardenlucht, reuk die van paarden uitgaat.
De eigenaardige paardenlucht,   V. ANDEL, Volksgeneesk. 346 [1909].
Paardenluis, hetzelfde als paardenluisvlieg.
De gewone paardenluis, Hippobosca equina, … is zonder de vleugels een-derden duim lang,   SCHLEGEL, Dierk. 2, 308 [1858].
Paardenluisvlieg, soort van luisvlieg die zich aan den buik van de paarden hecht.
De paardenluisvliegen, Hippobosca, hebben lange, volkomene vleugels,   SCHLEGEL, Dierk. 2, 308 [1858]
 (zie ook SNELLEN V. VOLLENH., Gel. Dieren 545) .
Paardemaag, maag van een paard; ook fig.
Hij heeft eene paardemaag, hij kan veel eten,   V. DALE.
Paardemaan (meestal in 't mv.), de lange nekharen van een paard.
Peerdtsmane. Le crin du cheval,   PLANT. [1573].
— Uit St. Petersburg werden in het jaar 1833 uitgevoerd 12,470 pud paardenmanen,   Ned. Handelsmag. 920 b [1843].
Pekzwarte hairen, die veel op paardemanen geleken,   V. LENNEP, Rom. 5, 11 [1836].
Vandaar: paardemanenhaar.
Waarbij de schering uit zijde en de inslag uit paardenmanenhaar van de fijnste soort bestaat,   Ned. Handelsmag. 921 b [1843].
Paardenmakelaar.
Zoowel bij het koopen als verkoopen wachtte men zich voor de paardenmakelaars,   HEKMEIJER, Veearts. Handb. 196 [1871].
Paardeman, gewestelijk ook peerdsman (b.v. in Groningen), 1°. man te paard, ruiter.
Voetgangers en peerdslui.   poëem WNT
— Te Aarschot kregen de kinderen vroeger in hun mandje: Peerdemennekes (van koek),   DE COCK en TEIRL., Kindersp. 7, 71 [1907]
 (zie ook CORN.-VERVL.: peerdeman).
— Zegsw.
't Is lijk een peerdeman te voete met sporen aan zijn ellebogen (in Vlaanderen).  
2°. Hij die voor het paard zorgt, inzonderheid de jager van een schip.
Tot Schipper en Opziender van het Jagt is … aangesteld geweest Jan de Groot, die daar voor, en voor het bezorgen van een Paard en Paardeman heeft genoten enz.,   Handv. v. d. Overwaard 391 [1728].
3°. Als benaming voor zeker insect, libel; gewestelijk (b.v. in Groningen; MOLEMA: peerdmantje). Verg. beneden bij Paardrijder, 3°.
Paardemand, ronde mand van omtrent een meter hoog met platten bodem; verg. paardeben.
Eene peerdemande aardappels,   DE BO [1873].
Paardenmanie, overdreven zucht voor paarden.
Paardenmanier, de wijze van een paard. Ongewoon.
Het geleerde paardje …, dat … op paardenmanier een huppeldans weet te maken,   Oude Tijd 1870, 272 b.
Paardenmarkt, markt waar paarden verhandeld worden.
Dat in … Apcoude een Pardemerct is gehouden, alle jaren opten tweeden dach der maent van Septembre,   Handv. v. Amst. 321 a [1523].
D' Amptman deser stadt (compareert) … op de Peerde-merct byden Toogh,   Cost. v. Antw. 2, 384 [1582].
Valckenburch …, by naer over geheel Christenrijck vermaert ende bekent van wegen de Heerlicke Paerde-marct, de welcke alle jaeren … aldaer ghehouden wert,   ORLERS, Beschr. v. Leyden 12 [1641].
Dat veele Ruyters … in ghewoonte komen … inde Peerde-Mercten menichte van Peerden te koopen,   Gr. Placaetb. 1, 1148 [1632].
Op vrye peerde-merckt,   GHESCHIER, Proefst. 161 [1643].
Onder de markten stonden de Paardemarkten steeds bovenaan. Zij zijn nog dagen van vermaak en vol woelig leven,   TER GOUW, Volksverm. 467 [1871].
Vandaar: palmpaardenmarkt, pinksterpaardenmarkt, Laurentiipaardenmarkt, Michielspaardenmarkt, vastenavondspaardenmarkt, naar den tijd waarop zij gehouden worden (zie b.v. Utr. Placaatb. 3, 844 [16de e.]).
Ook als naam van pleinen (in steden en dorpen) waar deze markt werd of wordt gehouden.
Hy woont aan de paardemarkt,   HALMA.
Paardenmateriaal, de beschikbare voorraad paarden.
De aanvulling van het paardenmateriaal bij het leger remonte genaamd,   Encycl. v. Ned.-Ind. 3, 154 b.
Het paardenmateriaal is over het algemeen tamelijk licht van bouw,   Versl. Landb. 1909, 51.
Paardenmedicijn, paardenmeester. Verouderd.
Peerdenmedecijn. Medecin de chevaulx,   PLANT. [1573].
Paard(en)meester, veearts.
Peerd-meester. Veterinarius, mulomedicus,   KIL. [1599].
— J. de Smet, Peerdemeester in Borgerhout,   schrijver van een boek over paarden [Antwerpen, 1686].
Dan ging hy by eenen Peirde-meester, om de Peirden te leeren behandelen en Cureren,   Amus. Kindervertellingskens (ed. V. PAEMEL) 92.
Paarde(n)melk.
De Geiten-melk is wateriger, de Ezelinne-melk nog dunder en de Paarde-melk … voed … het minst,   2028 a
 (zie ook BERKHEY, N.H. 4, 1, 312 [1779]).
Het drinken van paardenmelk,   V. ANDEL, Volksgeneesk. 208 [1909].
— Vandaar: paardenmelkdrinker, paardenmelkdrinkster    (KUIPERS).
Paardenmennen, het mennen of besturen van een paard.
Men (ziet) zelden …, dat vrouwen het paardenmennen zoo goed verstaan als de mannen,   FOKKE, B.R. 4, 77 [1806].
Paard(e)mensch, menschpaard, wezen dat half mensch, half paard is; centaur.
't Vergift van 't paerdemensch hem (Hercules) moorde,   VONDEL 11, 217 [1668].
Het derde teeken (van den dierenriem) … Dat is een peirde-menschen dier,   CROON, Alm. 79.
Paardmensch, griffloen of ander monsterbeeld,   V. LENNEP, Poët. 5, 277 [1842].
Vandaar: paardmenschheer.
't Ontzachlijk paardmenschheir,   BILD. 8, 150 [1810].
Paardenmerkijzer: om paarden te merken.
Paarde Merk-Ysers: Die moet den Controlleur (van het Geschut) in syn bewaaring hebben,   DIBBETZ, Milit. Wdb. 493 a [1740].
Paarde(n)mest.
Het soude my schandelijcker wesen de grootste Rijckdommen des Weirelts te achten, als den … Soon des Keysers, de Peerdemest gade te slaen,   GHEYSEN, Inw. en Uytw. Mensch 127.
Dat niemand buyten de Bediendens van het Vulnis, voortaan Paardemest zal mogen laden, of nemen van 's Heeren Straten, uit Kruywagens of Vulnisvaten,   Handv. v. Amst., 1ste Verv. 149 b [1755].
Gronden, die met paardenmest gevet zijn,   CONSC. 1, 185 a [ed. 1867].
De overblijvende prei (ontvangt) nog eene overbemesting met ruigen paardenmest of turfmest,   Versl. Tuinbouwproefv. 1903—'04, 83.
Paardenmiddel, 1°. geneesmiddel voor paarden.
2°. Een sterk werkend middel dat alleen krachtige naturen verdragen kunnen, en vandaar ook fig.: een hard, een uiterste redmiddel.
Dat is een paardenmiddel, maar misschien baat het.   poëem WNT
Paardemilt, vaste lichaampjes, in het allantoisvocht bij de vrucht van paarden voorkomende; hippomanes (V. ANDEL, Volksgeneesk. 175 [1909]).
Paardenminnend.
De paardenminnende krijgsman,   HOFDIJK, Voorgesl.² 6, 250.
Paard(en)moeder, moeder van paarden, moederpaard.
Peerd-moeder. vetus. Equa,   KIL.
Paarde(n)molen, 1°. molen die door een of meer paarden in beweging wordt gebracht, rosmolen.
Omme soo op Wind- als op Paerdemoolens gepelde Garst te maken,   Gr. Placaetb. 4, 724 a [1687].
Het maecken van eenige Peerdemoolens tot het stampen van Olie,   Vl. Placcaertb. 5, 814 [1757].
Aan het einde van de Langebrug … zoude een paardenmolen gesteld worden, om het vuile water in deze overwulfde grachten, uit te malen,   V. D. PAAUW, Verversch. 70.
De paardemolens worden vooral daarom verworpen, omdat de samengestelde overbrenging van beweging, die noodig is om de vereischte snelheid te verkrijgen, te veel verlies meebrengt,   VERDAM, Machin. 590.
2°. In Z.-Nederl. (ook in den vorm peerdekensmeulen en peerdjesmeulen; zie JOOS [1900-1904] en CORN.-VERVL.) voor: draaimolen, mallemolen; een draaiend gevaarte op de kermissen, met houten paarden waarop de kermisgangers ronddraaien.
't Staan te kerremesse twee peerdemeulens op de plaatse,   Loquela 12, 37 [1892].
Op den paerdjesmolen,   DE MONT, Fl. Vlind. 53.
De schetterende tonen der draaiorgeis uit barak en paardjesmolen drongen tot in de woningen,   WATTEZ, Koningsk. 24.
De peerdjesmolen draaide schijverend rond,   STIJN STREUVELS, Minneh. 1, 168 [1903].
Paardemond, paardebek; fig. ook: een groote mond.
Zij trok haar geheelen paardenmond (want Frans zeit, dat zij veel naar het oude paard van Hein den Sleper gelijkt … ) tot een allerijsselijksten lach,   LOOSJES, Bronkh. 2, 232 [1806].
Paardemossel, gewestelijk (in Z.-Nederl.) voor: vijvermossel.
Als 't water af is, ziet men somwijlen peerdemussels in het slijk, waar zij in voortkruipen,   DE BO [1873].
Paardenmug, gewestelijk (b.v. in Groningen; zie MOLEMA 319 a) voor: paardenvlieg.
Paardenaars, paardegat; gewestelijk (b.v. in Groningen): peerdsneers als volksnaam voor zekeren vogel, wachtelkoning; Crex Crex (ALBARDA, Ned. Vogels 69 [1897]).
Paardennatie, (gewestelijk te Antwerpen) vennootschap voor het laden en lossen van schepen die paarden en wagens gebruikt (CORN.-VERVL. 947).
Paardennatuur, geaardheid van een paard.
Wie overal tegen kan heeft een paardennatuur,   Noord en Zuid 25, 559.
Paardenek, nek van een paard.
De paardennek voelt zich … streelen,   V. ZEGGELEN 5, 67 [1847].
Paardenet, vliegennet voor een paard (bij JOOS [1900-1904] en CORN.-VERVL.: peerdenet).
Paardeneus, neus van een paard; fig. ook van een mensch gezegd.
Hij heeft een paardeneus.   poëem WNT
Paardennoot, daarnaast peerdsnoot, gewestelijke naam (b.v. in Brabant en Antwerpen) voor eene soort van groote okkernoot (RUTTEN [1890], CORN.-VERVL.)
Paardenoffer, offerande bestaande in een of meer paarden.
Het Germaansche paardenoffer,   V. ANDEL, Volksgeneesk. 44 [1909].
Paardontleding, anatomie van een paard (V. MOOCK).
Paardenoog, daarnaast gewestelijk peerdsoog (zie b.v. CORN.-VERVL.). — 1°. Oog van een paard; ook fig. in toepassing op menschen.
De verdeeling dezer vliezen in Paarden- en Koeijen-oogen,   BERKHEY, N.H. 5, 304 [1805].
— Zegsw. Paardenoogen op iemand hebben, hem niet mogen lijden; ook: hem niet vertrouwen    (MOLEMA 319 a).
2°. In Z.-Nederl. voor: vijffrankstuk (zie DE BO [1873]: peerdooge; TUERLINCKX en JOOS [1900-1904]: peerdenoog; CORN.-VERVL.: peerdsoog).
3°. In Z.-Nederl. (dikwijls in het mv.) voor: spiegeleieren (DE BO [1873], JOOS [1900-1904], CORN.-VERVL.)
4°. Gewestelijk (b.v. op Zuid-Beveland: paarooge) als volksnaam voor eene soort van ganzenbloem, margriet; Chrysanthemum Leucanthemum (HEUKELS 64 [1907]).
5. (Als scheepsterm) knoop in een paard of touw.
Paarde(n)pad, 1°. (in 't algemeen) dat gedeelte van een weg hetwelk voor paarden bestemd is.
Kinderen mogen nooit op 't paardenpad loopen.   poëem WNT
2°. (In een grintweg enz.) een smal gedeelte in het midden van den weg, dat met klinkers bestraat is voor de paarden.
Om het midden (van een weg) of zoogenaamde paardenpad met klinkers hard te maken,   Onderz. Landb. 1886, 34, 4 [1890].
Het maken van ± 3450 M² paardenpad,   Aanbesteding, a°. 1905.
Op het paardenpadje loopen.   poëem WNT
3°. (In een rosmolen) de weg waarlangs het molenpaard loopt.
Gewoonlijk wordt voor de zindelijkheid de geheele molen bestraat, uitgenomen het paardenpad, hetwelk … 11/2 palm beneden den beganen grond gemaakt, en aan weerszijden met eene rollaag wordt opgemetseld,   HARTE, Molenb. 9 b [1849].
Paardenpassaat, passaatwind, ongeveer 30° van den warmte-aequator verwijderd.
Paardenpee, Paardenpeen, eene soort van groote witte peen, die tot paardenvoeder dient; Daucus Carota (HEUKELS 84 [1907]).
De groote paardenpeen,   V. HALL, Landh. Flora 97 [1854].
Men spreekt in Dord ook van paardepeën en bedoelt er meê een soort van bijzonder groote penen,   Taalg. 4, 41.
Paarde(n)pijn, overgroote pijn. Ook fig.
Ik heb peerdepijn geleden. Peerdepijn in den buik gevoelen   DE BO [1873].
— Mijn nichthe, ge weet hoe een peerdenpijne het lijdt om haar getrouwd te krijgen,   STIJN STREUVELS, Minneh. 2, 102 [1903].
Peerdspikeur, gewestelijk (b.v. in het Hanspengouw) voor: veearts (RUTTEN [1890]; CLAES, Bijv. op TUERL. 181).
Paarde(n)pis. Ook als benaming voor slap bier, zie de tweede aanhaling.
Dat is brakke Azijn, zey Pleuntje, en sy proefde paerde-Pis,   Lyste v. Rarit. 2, 214.
Het is net paardepis.   poëem WNT
Paardenplei, Paardenpolei, zekere plant, gewestelijke volksnaam voor: watermunt; Mentha aquatica (HEUKELS 154 [1907]; OUDEMANS, Flora ¹2, 354 en V. HALL, Landh. Flora 166 [1854]: paardenblei).
Paarde(n)plote, Paarde(n)ploter, gewestelijk (in Vl.; zie Loquela 8, 7 [1888] en JOOS [1900-1904]) voor: paardenkooper en paardenslachter.
(Op de jaarmarkt) zijn de kooplieden; de ”paardeploten”, uit honderden kennelijk, met den mispelaren stok en den gebuilden vilten hoed,   WATTEZ,Koningsk. 17.
Paardepoeder, (gewestelijk) datgene wat van het lijf van het paard komt bij het roskammen, paardestof; in het land van Waas(JOOS [1900-1904]).
Paardepoep, uitwerpselen van een paard.
Paardenpont: waarmede ook paarden kunnen worden overgezet.
Paardenpoort: naam van een der poorten van Jerusalem.
Van boven de Peerdepoorte,   Statenb., Neh. 3, 28 [ed. 1688].
Alle de velden tot aen de beecke Kidron, tot aen den hoeck van de Peertspoorte tegen 't Oosten,   Statenb., Jer. 31, 40 [ed. 1688].
Paarde(n)poot, 1°. poot van een paard.
Een trap met een paardepoot.   poëem WNT
Uit de paardenpooten komen, zich uit de voeten maken,   V. DALE.
Daar de booze met paardevoeten wordt voorgesteld, noemt men den duivel ook: den paardepoot.
Ik verbeeldde mij, dat ik … een paardepoot uit uw broekpijp zag steken,   V. LENNEP, K. Zev. 4,290 [1865].
Tot hun … schrik ontdekten zij …, dat die vreemdeling een paardepoot had,   DIJKSTRA, Uit Friesl. 's Volksl. 2, 129.
— Pas op, dat de paardepoot je niet komt halen.   poëem WNT
Vandaar: paardepootig.
Als zij voor mijn huis op schildwacht stond, zou de duivel zelve er niet inrijden, hoe paardenpootig hij ook zijn moge,   GIJSBERTI HODENPIJL, W. v. Bergen 2, 386.
2°. Als stofnaam, in Z.-Nederl, dikwijls voor: hoorn.
Paardenpooten branden (b.v. tegen wandluizen).   poëem WNT
3°. Oneigenlijk voor: horrelvoet.
Hij heeft een paardepoot.   poëem WNT
4°. (Bij smeden enz.) een kleine verstaalde of stalen staak waarop metaal wordt bewerkt en die in vorm op den poot van een paard gelijkt; hoeftas (zie V. HOUCKE, Loodg. 545 [1902] en V. HOUCKE, Loodg. 746, afb. 625 [1902]).
5°. (Bij timmerl.) zeker gebrek in hout, groote kromlijnig omgebogen springkwast.
Paardenpooten zijn gebreken, die, door uiterlijke beschadiging van den boom, aan bast of spint zijn ontstaan,   KIPPING, Mastenn. 6.
Een enkele zoogenoemde Paardepoot, d. i. een zeer groote noest met een krom beloop, zooals er vooral in eikenhout voorkomen, (kan) een balk of plank plaatselijk zoo onsterk maken, dat zij ongeschikt zijn om lasten van eenig belang te torschen,   V. D. KLOES, Handl. v. d. Timm. 29  (zie ook V. KEIRSBILCK, Timm. 318 [1898]).
6°. (Gewestelijk, b.v. in het Land v. Waas) als volknaam voor zekere plant, dotterbloem; Caltha palustris (JOOS [1900-1904]: peerdepoot).
Paardenpost, post die met paarden bediend wordt.
Brieven met de paardenpost verzenden, in streken waar geen spoorwegen zijn.   poëem WNT
Paardenpostdienst.
Paardenposterij, 1°. hetzelfde als paardenpost.
De postmeesters der paarden-posterij,   Reglem., a. 122, bij Besl. v. 24 Nov. 1829  (Stbl. 73).
De postillons der paardenposterij,   Wet v. 30 April 1854, a. 2  (Stbl. 74).
't Afschaffen der paardenposterij (in 1854),   V. LENNEP, K. Zev. 5, 81 [1865].
2°. Kantoor van de paardenpost.
De welgelegene herberg, waarbij een fraaije stal en paardenposterij,   CRAMER, Pelgrim d. Nederl. 4, 127.  (te Nieuwersluis, a°. 1828).
Paardenpostmeester, postmeester der paardenposterij; verouderd.
Het betalen van schadeloosstelling door de diligence-ondernemers aan de paarden-postmeesters,   Hand. d. St.-Gener. 1850— '51, Tw. K., 1139 a  (zie ook 1216 b).
Paardenproces, rechtsgeding over paarden (HEKMEIJER, Veearts. Handb. 196 [1871]).
Paardenpronk, tooi van paarden.
Paerdepronk. Horse-trappings,   SEWEL  (ook HOLTROP).
Paardenprosser, (gewestelijk; zie JOOS [1900-1904] en CORN.-VERVL.) paardenviller; ook: paardenbeul.
Paardenpruim, (in Vlaanderen) soort van groote pruim.
De mazenaars, de peerdepruimen en zijn maar late rijpe,   Loquela 13, 76 [1893].
Paardepurgatie, sterke purgatie, gegeven aan iemand bij wien de gewone middelen niet helpen (JCORN.-VERVL.).
Paardenradijswortel, zekere plant; Radix armoraciae (VISSER, Volksn. 59 a).
Paardenras, het ras der paarden, de aard en stam der diersoort die men paard noemt.
Het Zeeuwsche paardenras.   poëem WNT
— De verschillende kruisingen met allerlei paardenrassen,   SCHLEGEL, Zoogd. 124.
De veredeling van het paardenras,   TER GOUW, Volksverm. 581 [1871].
De middelen tot verbetering van het bestaande paardenras of der bestaande paardenrassen,   Versl. Landb. 1909, 6, 1.
Paardenrenning, harddraverij van paarden; verouderd.
Paerde-renningh te Parijs,   Holl. Merc. 1662, 183 [1663].
Paarderib, 1°. rib van een paard; 2°. in den vorm peerderibbe (gewestelijk, b.v. in Vlaanderen) hout dat zacht, gegolfd, golvend van draad is, zooals dat uit een wan of aanwas van een boom (V. KEIRSBILCK, Timm. 323 [1898]).
De stoeldraaiers komen veel peerderebbe tegen, als 't is dat ze schee'n verwerken die uit het eersgat, of uit de broek van eenen boom komen,   Loquela 9, 7 [1889].
Paardrijden, eertijds ook paarderijden (uit te paarde rijden), op een paard rijden.
Een zadelmaker (heeft) eerst alleen te doelen op 't maken van een' goeden zadel, maer verder uitzicht om een eedler beroep hier door ten nutte te strekken, namelijk het paerderijden,   J. DE HAES, Ged. 571.
Het paardryden is gezond en aangenaam,   WOLFF en DEKEN, Leev. 1, 159 [1784].
Daar ik toch wat van het paardrijden versta,   LOOSJES, Bronkh. 6, 225 [1807].
Ik zwem, ik wandel, 'k scherm, 'k rij paard enz.,   DE GÉNESTET 2, 243 [1847-1848].
Als kinderspel inzonderheid in den verkleinvorm paardjerijden; verg. boven (kol. 58).
Hij … plaatste het kindje op zijne knie en, het doende paardjerijden, zong hij enz.,   CONSC. 4, 94 b [ed. 1869].
He paardrijden der jongetjes (eer ze nog mans genoeg zijn, om 't op een stokpaardje te doen) op vaders rug,   TER GOUW, Volksverm. 300 [1871].
Vader … liet ons paardjerijden op zijne breede knien,   DE CORT, Lied. 51 [1868].
Paardrijder, daarnaast paardrijdster; eertijds en thans nog gewestelijk peerderijder (b.v. CORN.-VERVL.). — 1°. Iemand die te paard rijdt, ruiter.
Peerd-rijder. Eques,   KIL. [1599].
— Voer-luy … Paertryers enz.,   BREDERO 3, 312 [161.].
2°. Inzonderheid: iemand die kunstig te paard rijdt, kunstrijder.
Paardenrijders, koordendansers en voltigeerders, de kermissen frequenterende,   Bijv. Stbl. 1815, blz. 908.
De troep van den vermaerden peérdenryder Franconi,   Almanak v. h. J. 1837 (Loven, P. J. Peeters), 45.
Koorddanseressen en paardrijdsters.   poëem WNT
Vandaar ook in samenst.
Paardrijderskunsten (op de kermis),   V. ZEGGELEN 4, 118 [1845].
3°. Gewestelijk (b.v. in Antwerpen) als naam van zeker insect, libel (CORN.-VERVL. 947); verg. in denzelfden zin peerdeken (kol. 60) en peerdmantje (kol. 76).
Paarde(n)rol, (bij landb.) zware rol om over het land te trekken, die in duimen draait in een houten raam.
De peerderolle wordt over den akker voortgetrokken door een peerd,   DE BO [1873].
Paardenrookvleesch, gerookt vleesch van een paard (SCHART.-ANT., Sprotje 2, 78 [1909]).
Paardenroos, gewestelijke naam (b.v. op ZuidBeveland; in Limb. paardsroos) voor de pioenroos; Paeonia (HEUKELS 172 [1907]).
Paardenroskammer, minachtende naam voor: paardenkooper (HEKMEIJER, Veearts. Handb. 193 [1871]).
Paarde(n)ruif: waaruit het paard op stal eet.
Paardruiter, eertijds (en thans b.v. nog in Z.-Afrika) ook peerderuiter, hetzelfde als: ruiter.
Peerd-ruyter. Eques,   KIL. [1588].
— Daer waren vier Spaensche benden peerderuters,   V. VAERNEWIJCK, Ber. T. 3, 58 [1567].
Brederode komt met 8 duysent peerde-ruyters ende met twintigh duysent voetknechten uyt de Duytsche landen,   Hist. v. Corn. Adr. 1, 286
 (zie ook VERDAM 6, 274).
Dese menschen die op dit houten peert (stokpaard) sitten, ende met de kinders den dunck inden cop hebben al oft sy oprechte peert-ruyters syn,   V. WOLSSCHATEN, Doodt verm. 16.
Paardensalade, Paardensla, gewestelijke volksnaam voor de paardenbloem (HEUKELS 250 [1907]; V. DALE).
Paardenschachelaar, Paardensjaggelaar, minachtende naam voor: paardenkooper (HEKMEIJER, Veearts. Handb. 193 [1871]).
Paardeschedel.
Zij … ziet aan den weg een paardeschedel, waarin spreeuwen nestelen,   BOEKENOOGEN, in Handel. Mij. Ned. Letterk. 1901, 43.
Paardescheet, ook oneigenlijk: hardklinkende wind (CORN.-VERVL.: peerdescheet).
Paardenschilder: die voornamelijk paarden schildert.
Paardenschip, schip dat ingericht is voor het vervoer van paarden.
Herodoot zegt … dat Darius lange Paerdeschepen had,   VALENTIJN, O.-I. I, 1, 6 a [1724].
In 't ruim van het paerdeschip had men … een bequame stal voor vierentwintig paerden … gemaakt,   Voyag. v. Klenk 5 [1677].
Paardeschoen, paardenhoef; alleen nog gewestelijk (b.v. in Z.-Afrika) bekend.
Most Horen yser zijn tot een' goe'n Paerden-schoen?   HUYGENS 2, 14 [1656].
Paardenschoffel, (bij landb.) werktuig om het land om te werken.
De groote engelsche paardenschoffels,   STARING, Huisb. 735 [1862].
Paardeschop, trap van een paard (MARIN).
Paardenschouw, 1°. paardenschouwing; 2°. plaats waar de paardenverkoopers hunne paarden te koop aanbieden (V. MOOCK).
Paardenschouwing, het schouwen of keuren der paarden (V. DALE).
Paardenschurft, zekere ziekte.
Paardenschurftmijt, zeker insect dat leeft op schurftige paarden; Psoroptes equi (STARING, Huisb. 432 [1862]).
Paardensieraad, tooi van een paard.
Peerdcieraet. Phalerae: equorum ornamenta,   KIL. [1588].
Met paardencieraad getooid,   GIRON.
Paardenslachter, Paardenslager: die paarden slacht en het vleesch verkoopt.
Paardenslachterij, 1°. het slachten van paarden; 2°. de plaats waar dit geschiedt, slagerij waar men paardenvleesch verkoopt.
Paardeslecht, gewestelijk (in Vlaanderen), zeer slecht, zeer ziek.
'k Ben oprecht peerdeslecht vandage,   Loquela 12, 85 [1892].
Paard(e)slede, slede die door een paard over het ijs of de sneeuw getrokken wordt; daarnaast gewestelijk (in N.-Holland) paardesleeds (zie BOEKENOOGEN).
Een halve stuyver voor de handtslede, ende een stuyver voor de paertslede mettet paert,   Hantv. v. d. Alblasserw. 195 [1653].
Mits … onze Paarde-slee Dreigde zomtyts om te storten,   N. H. Speelw. 102  (zie ook 99).
Paardensmid, hoefsmid.
Den Hoef- en Paardensmeeden … te gelasten …, dat, als zy Paarden hebben gelaten, zy het Bloed immediaat … zullen moeten in de Gooten wegveegen,   Keuren v. Haerlem 1, 183 a [1736].
Alle de beroemdste paardendoctoren en paardensmits noemt hij zijne beste vrienden,   KIST, Eikenh. 2, 331 [1810].
(Het Fransche woord maréchal) dient … om zoowel eenen paardensmid als de hoogste krijgswaardigheid aan te duiden,   CONSC. 2, 11 a [ed. 1868].
Paardsmidse, hoefsmederij.
Gy, die ezel waart met in de paardsmiss' raad te vragen,   BILD. 7, 375 [1827].
Paardensnede, daarnaast gewestelijk peerdssnee, snede brood voor een paard (CORN.-VERVL.).
Paardensoort, soort van paarden.
Volgens sommigen eischen de economische belangen de instandhouding van dit paardensoort,   Versl. Landb. 1909, 6, 55.
Paarde(n)speen, tepel eener merrie.
Broedsel, aan de paardenspenen van Tartaren opgevoed,   BILD. 1, 294 [1825].
Paardenspel, tent (op de kermis enz.) waarin gedresseerde paarden vertoond worden en kunstrijders toeren doen, circus.
Die laatstleden kermis … in 't paardenspel geweest was,   BEETS, C.O. 170 [1840].
Zoo heeft sedert Mazitons tijd het paardenspel den eersten rang onder de spellen ingenomen,   TER GOUW, Volksverm. 444 [1871].
Den directeur … van een paardespel,   V. EEDEN, Stud. 1, 83 [1889].
Het voltigeeren in een paardenspel,   5, 106.
Paardjespelen, kinderspel waarbij het paardrijden of mennen wordt nagedaan.
Krijgertje, paardjespelen, schuilhoekje,   TER GOUW, Volksverm. 300 [1871].
Paardenspoor, Paardenspoorweg, spoor waarlangs wagens door een paard worden voortgetrokken, tramweg.
Zoo naderde men het Badhuis (te Scheveningen) te midden van eene lange rij omnibussen, waggons van den paardenspoor en andere voertuigen,   TEN BRINK, Rom. 4, 23.
— Elf maatschappijen voor paardenspoorwegen,   WINKLER PR., Encycl. 11, 755 b.
Paardensport, sport die met paarden beoefend wordt.
Eene Vereeniging ter Bevordering der Paardensport.   poëem WNT
Vandaar: paardensportliefhebber.
Twee bekende paardensportliefhebbers,   N. Rott. Cour. v. 18 Sept. 1912, Ochtendbl. A.
Paardespreuk, gewestelijk (in Vlaanderen): een gezegde dat uitmunt door dwaasheid en ongerijmdheid.
Gij hebt daar eene peerdespreuk gegeven,   DE BO [1873].
Paardesprong, 1°. sprong door een paard gedaan; 2°. (in het schaakspel) als benaming voor den loop van het schaakstuk dat paard heet. Hiermee, in de bet. 2°. de samenst. Paardesprongraadsel. Zie bij RAADSEL.
Paarde(n)staart (zie dat woord).
Paarde(n)stal, daarnaast oudtijds en thans nog in Z.-Nederl. peerd(s)stal, stal voor een of meer paarden.
Peerdtsstal. Estable à chevaulx,   PLANT. [1573].
— De strate …, waer lancks alle des Conincks dienaers oft Slaven woonen met sijne servitie, Peert-stal ende Coken,   O.-I. e. W.-I. Voyag. 2, 42 d [1598].
Salomo hadde oock veertigh duysent peertstallen tot sijne wagenen, ende twaelf duysent ruyteren,   Statenb., 1 Kon. 4, 26 [ed. 1688].
Opsiener van Compies paerdestall,   V. RIEBEECK, Dagverh. 3, 746 [1662].
Hier door gereden vond ik ter regter zyde een paerdestal, waer in wy onze paerden deden blyven,   DE BRUYN, Reizen 2, 110 a [1714].
De hokken voor het pluimgediert, Den valkenhof, den paardenstal,   V. LENNEP, Poët. 3, 138 [1831].
Hij was de schuurpoort al binnen en op weg naar zijn peerdstal,   STIJN STREUVELS, Minneh. 1, 77 [1903].
— Ook in samenst.: stadspaardenstal.
Ten dienste der Sleepers, die Koopmansgoederen naar en van de Waage sleepen, was, al van ouds, een Stads Paardenstal gebouwd aan den Dam,   WAGEN., Amst. 2, 47 a.
Ook als toonbeeld van onzindelijkheid.
Het gelijkt wel een paardenstal, gezegd van een vuil vertrek,   HARREB. 2, 163 a [1861].
Een (morsige) omgeving om hof en erf …, die in een paardenstal … niet geduld zou worden,   KUYPER, Program 801.
In verdere zegsw.
Hy roept als een dief in een peerdestal (d. i. hij zwijgt stil),   MEIJER, Spr. 59.
Dat 's een kwaad (lastig, leelijk) geval in den paardenstal!   poëem WNT
Paarde(n)stalling, paardenstal.
De deuren Der paardestallingen,   V. LENNEP, Poët. 1, 29 [1828].
Paardenstamboek, register waarin de afstamming der raspaarden wordt aangeteekend.
Het Nederlandsch paardenstamboek.   poëem WNT
— Dat deze verslagen gratis verstrekt werden aan de leden van de paardenstamboeken in de onderscheidene provinciën,   Versl. Landb. 1909, 6, 1.
Paardenstapel, de gezamenlijke paarden die in een land aanwezig zijn.
Over het algemeen kan de toestand van den Nederlandschen paardenstapel in 1908 … gunstig genoemd worden,   Versl. Landb. 1909, 6, 2.
Voor het grootste deel bestaat de paardenstapel uit gekruiste paarden, in de eerste plaats van de twee genoemde rassen (t.w. het Friesche en het Oldenburger),   6, 25.
Paardstede, plaats waar een paard gestald wordt; verouderd.
Peertsteden in welcker yedere een peert stont,   Statenb., 1 Kon. 4, kantt. 47 [ed. 1688].
Peertstallen, … waer van elcken stal hadde tien peertsteden,   Ald.
Paardensteen, steenachtig lichaam dat zich in sommige inwendige deelen van het paard vormt; lat. hippolithus.
Paardenstekel, gewestelijke volksnaam (b.v. in het Land van Waas) voor de speerdistel; Cirsium lanceolatum (HEUKELS 68 [1907]; JOOS [1900-1904]).
Paardenstoet, stoet, optocht van paarden of ruiters.
Paardenstoeterij, plaats waar paarden aangefokt worden (Ned. Mil. Tijdschr. 27, 2; a°. 1896).
Paarde(n)stof, datgene wat bij het roskammen van het paard komt.
Paarde(e)stront, drek van paarden.
Peerdstront. Stercus equinum,   KIL. [1599].
— Slyk, en paardestront,   V. FOCQUENBROCH 1, 167.
Paardenstroo, stroo dat bestemd of geschikt is tot leger van paarden (MARIN).
Paardenstuit, (bij leerlooiers) leder gemaakt van de huid van het achterste van een paard (CORN.-VERVL.: peerdestiet).
Paardenleder is flauw. De meeste fabrikanten … leggen zich met succes toe op de fabricage van paardenstuiten,   Uit een dagblad [1902].
Paardetand, daarnaast gewestelijk (b.v. in Brabant) peerdstand (RUTTEN [1890]). — 1°. Tand van een paard, in 't algemeen.
Peerdetanden en vrouwliehanden meugen nooit stilstaan,   CORN.-VERVL. 947.
2°. Als benaming voor de tanden die een paard na het uitvallen der veulen- of melktanden krijgt en blijft behouden.
Met het doel om daardoor het doorbreken en te voorschijn komen der later daarop volgende paardentanden te bespoedigen,   ELLERBROCK, Bedrieg. 5.
Zoodat alle veulen-snijtanden door de blijvende paardentanden verwisseld zijn,   6  (zie ook HEKMEIJER, Veearts. Handb. 172 [1871]).
3°. Als benaming voor zekere soort van maïs die tot veevoeder dient; zoo geheeten naar den vorm der korrels.
Paardetanden voederen.   poëem WNT
— Hierbij aansluitend ook de benaming paardetand-maïs.
De zaaizaden door de vereeniging aangekocht waren: Riga-lijnzaad. Witte Amerikaansche paardentand-maïs,   Onderz. Landb. 1886, 74, 12 [1890].
Eindelijk waren een paar akkers ten behoeve van den veestapel beteeld met lucerne en paardentandmais,   Versl. Landb. 1909, 1, 229.
Paardenteelt, het telen van paarden.
De paardenteelt wordt … gedreven … in stoeterijen of privaat,   HEKMEIJER, Veearts. Handb. 70 [1871].
Paardentemmer, iemand die wilde paarden tam maakt; soms ook: africhter van paarden.
Peerdttemmer. Qui dompte et chevauche premier les chevaulx,   PLANT. [1573].
— De bekende paardentemmer Rarey is tot inspecteur der paarden bij het leger der Ver. Staten aangesteld,   Uit een dagblad.
De kloeke Trooiers de peerdentemmers,   RODENBACH 46.
Paardententoonstelling.
De 4de nationale paardententoonstelling te Parijs had weder plaats,   Versl. Landb. 1909, 6, 87.
Paardentooisel, datgene waarmede een paard tot sieraad wordt opgetuigd (HOLTROP).
Paardetoom, toom waaraan een paard wordt geleid.
Hy had een paerde-toom onderwegens gevonden,   N. Snakeryen (ed. 1732), 368.
Paardetoort, daarnaast peerdstoort, paardevijg; verouderd. Mnl. perdetort.
Peerds-toort. j. peerdstront,   KIL.
Paardentop, gewestelijk (in Vlaanderen) voor: margriet; Chrysanthemum Leucanthemum (HEUKELS 65 [1907], PAQUE: peerdentoppen).
Paarde(n)touw: om een paard aan vast te binden enz.; ook: jaaglijn voor een paard. — In den vorm peerdjetouw (in Groningen), het touw of lint dat de knapen bij het paardjespelen gebruiken.
Paardentram, tramweg, spoor waarlangs wagens voor het vervoer van personen enz. door een paard worden voortbewogen; ook voor de wagens waarin dit geschiedt.
Paardentram Hoorn — Enkhuizen,   WEEVERINGH 1885.
De paardentram is thans in de groote steden door eene electrische tram vervangen.   poëem WNT
Paardentramweg.
Het aanleggen en exploiteeren van een paardentramweg van Hoorn naar Enkhuizen,   WEEVERINGH 1885.
Paardentred, stap van een paard (DIJKSTRA, Uit Friesl. 's Volksl. 2, 438).
Paardentrekkracht: die door paarden verkregen wordt.
Bij het gebruik van paardentrekkracht,   N. Rott. Cour. v. 27 Aug. 1912, Ochtendbl. B.
Paarde(n)trekmolen: die door een paard in beweging wordt gebracht, paardemolen.
Het dorschen geschiedt … met de machine of den paardentrekmolen,   Onderz. Landb. 1886, 40, 16 [1890].
Paardentucht, tucht gelijk men aan een paard oplegt. Ongewoon.
Het is er ook zoo ver af, dat het kind den weg, waarop het aldus door toom en paardentucht gedreven is, tot aan zijnen ouderdom zal blijven bewandelen, dat het enz.,   V.D. PALM, Sal. 7, 316 [1816].
Paarde(n)tuig, al wat dient om het paard op te tuigen.
De koperen nagelen aan het paardetuig,   CONSC. 2, 268 a [ed. 1868].
Schitterend uitgedoste veldheeren, wier wapenen en paardentuigen glinsterden van goud en edelgesteenten,   V. LIMB. BROUWER Jr., Akbar 83 [1871].
Wel-verzorgd paarde-tuig,   V. EEDEN, Stud. 4, 392 [1901].
Paardentuischer, paardenkooper; thans, voor zoover het woord nog in gebruik is, meestal in ongunstigen zin (zie b.v. CORN.-VERVL.).
Waer mach de paerde tuysser blyven …, deuse Paerden dienen we wel ierst quijt te wesen,   COSTER 49 [1612]
 (zie ook COSTER 63 [1612]).
De Peerde-tuysschers hebben hare sonderlinghe stemmen, streelinghen, en andere manieren, daerse de wreede Paerden mede temmen,   ERASMUS, Coll. Fam. 39 b.
Indien het u gelukt was een paardentuisscher … by de neus te hebben,   V. EFFEN, Spect. 7, 28 [1733].
Eenige Paardentuischers,   BERKHEY, N.H. 8, 461 [1810].
Die op eene openbare markt een paard wil koopen, moet de streken der paardentuischers kennen, of zich eenen slechten koop getroosten,   V.D. PALM, Sal. 4, 129 [1810].
Paardentuischerij, Paardentuisching (V. DALE), handel in paarden.
Sy … juyst quamen te praten Van paarden tuysschery,   BREDERO 1, 333 [c. 1615].
Paardetuit(e), ook in het mv., voor: paardenhaam. Verouderd.
Laet hem sien hoe mijn paerdentuyten met fijne diamanten beset is,   ERASMIUS, Op. Posth. 1, 225  (lat. jugum).
Paardenvaan, vendel of compagnie paarden; verouderd.
Marquet, Van Waldeks paerde-vaen toen synde nog Cornet,   DROSTE, Overbl. 72.
Paardeval, val van een paard.
Ik ben van mynen gevaerlyken peirdeval ongehindert … opgestaen,   VERVISCH, Lev. 2, 77 [1791].
Paardenvanger (STARING 2, 110 [1832]).
Paardeveest.
Een lompe Boer, by Paardeveesten Meest op gevoed,   VIVERIUS, Wint. Av. (ed. 1650) 105.
Paardevel, daarnaast eertijds paardsvel, paardenhuid.
Trect heur dan de paerts-huyt aen, … Laetse dan alsoo ligghen int Paerts-vel,   Veelderh. Gen. Dicht. 32.
Paarde(n)ven, weiland waarop men een of meer paarden laat grazen (zie BOEKENOOGEN 725).
Paardenvenkel, volksnaam voor zekere plant, watervenkel; Oenanthe aquatica (HEUKELS 165 [1907]). — Vandaar paardenvenkelzaad (VISSER, Volksn. 59 a).
Paardenverhuurder: die paarden houdt om ze aan anderen te verhuren.
Piqueurs, paardenverhuerders, ende dewelcke eenige paarden voor ymand stallen,   Utr. Placaatb. 2, 881 b [1702].
Paarde(n)vet.
Verstuikingen wrijft men in met … paardenvet,   V. ANDEL, Volksgeneesk. 416 [1909].
Paard(e)veulen, hetzelfde als: veulen.
Peerd-veule. Pullus equinus,   KIL.
Paardevijg, de gewone benaming voor de bolvormige uitwerpselen der paarden.
Hou Paardevygen voor zen neus,   VIVERIUS, Wint. Av. (ed. 1650) 105.
Om met … paerde-vygen, rotappelen enz. begooid te werden,   DOEDYNS, Merc. 2, 139 [1698].
So ik 't (het geld) niet haast uit en gaf, veranderde 't in peerdevygen,   BEKKER, Betov. W. 4, 73 [1693].
Zij (zagen) eene paardevijg op den weg liggen,   DE MONT en DE COCK, Vl. Vert. 449 [1898]
 (zie ook Schoolm. 238 [voor 1858]) .
Eertijds ook als bastaardvloek (verg. Dl. IV, kol. 249 volg.).
Gans paerde Vijghen noyt sulcken confuyse!   Mr. Kackadoris enz. 21.
Paardenviller, de persoon die doode paarden van de huid ontdoet.
Dat niemand binnen dese Stad … sal vermogen eenige Paarden, Koeyen, Ossen, Stieren, of andere viervoetige Beesten, die haer natuerlijke dood komen te sterven, te villen, als Hendrick Baltusz., Paarde-viller, alhier ter stede,   Handv. v. Amst. 1052 a [1674].
Hij … heeft van kunst zoomin verstand Als Klaas de paardevilder,   J. V. RIJSWIJCK 2, 332.
Paardenvioletten, gewestelijke naam voor het hondsviooltje; Viola canina. In Z.-Nederl. (HEUKELS 276 [1907]; PAQUE).
Paardvisch, vischsoort wier gedaante gedeeltelijk aan een paard herinnert.
De Paardvisschen (Agriopus),   SCHLEGEL, Dierk. 2, 129 [1858].
Paarde(n)vleesch, 1°. het vleesch van paarden.
Het dor gebeent soo lang met ratten … En paerde vleysch gespijst,   VONDEL 3, 74 [1630]  (bij 't ontzet van Leiden).
Raeu paerdevleesch,   DE BRUYN, Reizen 2, 6 b [1714].
Deze Heidenen eten paardenvleesch,   CONSC. 2, 16 a [ed. 1868].
Gezoden paardenvleesch,   2, 41 b.
Stukken paardenvleesch,   HOFDIJK, Voorgesl.² 1, 165.
Vlaming, na den ouden eesch, nooit en ete ik — peerdevleesch,   GEZELLE 6, 229.
Zegsw. Paardevleesch gegeten hebben, druk, woelig, wild zijn (HARREB. 2, 162 b [1861]).
't Is of je vanmiddag paardevleesch gegeten hebt.   poëem WNT
Vandaar ook in samenst. Paardevleescheter, Paardevleescheetster (WINKLER PR., Encycl. 8, 312).
2°. Als benaming voor zekere harde en fijne Amerikaansche houtsoorten, het hout van den Rizophora Mangle en van den bulletrie (eng. bulletree) in Guyana, zoo geheeten wegens de gelijkenis met rauw vleesch.
Paardevleesch wordt veel als sierhout verwerkt. Klooversstokken van paardevleesch (bij diamantslijpers).   poëem WNT
Ook in de samenst. paardevleeschhout.
Hout … van den lokusboom, het zoogenaemd paardenvleeschhout,   BERKHEY, N.H. 4, 2, 253 [1805].
Het paardenvleeschhout of bolletrie (wordt gebruikt) voor bloknagels,   MOSSEL, Schip 63 [1859].
Paardenvlieg, daarnaast eertijds paardsvlieg, zekere groote vlieg, daas; Tabanus (OUDEMANS, Insecten 562 [1905]). De naam wordt soms ook gegeven aan de paardenhorzel.
Bremse, peertvliege. Vn tahon,   PLANT. [1573].
Peerds-vlieghe, schal-bijter. Scarabeus, cantharus: vulgo pilularius,   KIL. [1599].
— Ick woude datter u eens een Paerde-vliech in beet,   De Vermakelijckheyt selfs, oft Alle-mans Gadingh, B 3 r°.
De krekel en de paertsvliegh quelt het rijck,   VONDEL 7, 470 [1657]
Het tamme Paard word raazend op het inbooren van den angel der Paardevlieg,   BERKHEY, N.H. 3, 145 [1772].
Den naam van Paardenvliegen, hun gegeven omdat sommige soorten de paarden vervolgen ten einde hun bloed te zuigen,   SNELLEN V. VOLL., Gel. Dieren 501.
Vandaar in samenst. Paardenvliegendek, dekkleed voor een paard.
Paardevloek, gewestelijk (in Z.-Nederl.): groote vloek.
Paardenvoeder, Paardenvoer, voeder voor paarden.
Paarde-voeder van … Ruyters en Dragonders,   DIBBETZ, Milit. Wdb. 497 a [1740].
Het Leger begind aan Paarde-voer gebrek te lyden,   MARIN.
Paardenvoertuig, voertuig dat bestemd is door een paard getrokken te worden.
In het geheel dus slechts 1 auto op 46 paardenvoertuigen,   Versl. Landb. 1909, 6, 92.
Paarde(n)voet, daarnaast gewestelijk (in Z.-Nederl.) peerdsvoet. — 1°. Voet van een paard.
Der hoeren eers, des dobbelaers handt, Peerds voet, noch oock wulfs tant, Betrauter gheene van vieren niet,   DE DENE, Testam. 262 b.
Hoe wensch ick, als een Rhijnswaen, Mars t' ontmoeten, En met de borst in stroom, Aldus door sang sijn' toom Te temmen, langs het stof van paerdevoeten!   VONDEL 3, 149 [1632].
Och, och, 'et is de droes, Is dat geen paerdevoet?   LANGENDIJK 2, 76.
(Menschen) met paardevoeten, en wat weet ik nog al,   DE MONT en DE COCK, Vl. Vert. 133 [1898].
Vandaar bij BILD. paardevoeter in scherts voor: iemand met paardevoeten.
Hoor eens (zong de Paardenvoeter aan zijn' grooten voedsterknaap),   BILD. 8, 160 [1810]
 (verg. BILD. 8, 480 [1810]) .
In de zegsw. uit de paardevoeten, uit de voeten, in veiligheid.
Ick gae hier achter an, Wat uyt de paerden voeten: daer ick de battalie van veer, sien kan,   BREDERO 2, 93 [1615].
Ellendighe gewestens die alle overrompeling onderworpen, ende nemmer ujt de paerdevoeten zijn,   HOOFT, Br. 2, 42 [1630].
Het moest uyt de paerdevoeten,   HOOFT, Ged. 2, 298 [1616].
Kom laet ons gaen leggen onse hoofden uyt de peerde voeten,   V. PAFFENRODE, Ged. 70.
Ongewoon is de samenst. paardevoetplas voor: hengstebron, Hippocrene.
Ik woon op Parnas, Maar wat in de laagte, En slobber met graagte Den paardenvoetplasch (Een zoogenaamd Poëet),   BILD. 13, 248 [1818].
2°. Horrelvoet.
Iemand met een paardevoet.   poëem WNT
Peerdsvoeten hebben,   DE BO [1873].
— Vandaar ook: hij die een horrelvoet heeft.
3°. Gewestelijk (b.v. in Vlaanderen), in den vorm peerdevoetje en peerdsvoetje, als volksnaam voor zekeren vogel, eene soort van kwikstaartje; ook koevoet en paardenwachter geheeten.
De peerdsvoetjes zitten vele langs de versche akkerschellen, achter 't gewormte,   Loquela 12, 30 [1892]
 (zie ook DE BO [1873]) .
4°. Als volksnaam voor verschillende planten.
a) Hondsdraf, Glechoma hederaceum (HEUKELS 112 [1907]: paardevoetje).
b) Handekenskruid, Orchis latifolia. In Twente (HEUKELS 168 [1907]).
c) Klein hoefblad, Tussilago Farfara. In Friesl. (HEUKELS 262 [1907]).
d) Gele plomp, Nuphar luteum, en waterlelie, Nymphaea alba. In Z.-Nederl. (HEUKELS 164 [1907], HEUKELS 165 [1907]; PAQUE).
e) Zeker gewas op Amboina.
Het kruid Pancaga, of anders het Peerdevoetje genaamd, diend met zyn bladeren ten deele tot raauwe spyze, en ten deele ook tot geneezing van zeere voeten,   VALENTIJN, O.-I. III, 1, 255 b [1726].
5°. Als benaming voor eene soort van schelpen, zoo genoemd naar de figuur op de voorzijde; Chama Hippopus (HOUTTUYN, Nat. Hist. I, 15, 294 [1771]).
Het Lampje, of 't Peerdevoetje,   VALENTIJN, O.-I. IV, 1, 532 a [1726].
— In denzelfden zin ook: paardevoetsdoublet.   poëem WNT
Paard(en)volk, lieden te paard, inzonderheid krijgslieden; ruiterij, cavalerie.
Zijn peertvolck ende voetvolck (lach) al ontrent Bruxsel, in de dorpen,   DE POTTRE, Dagb. 32 [1568].
Ons peertvolck dat verliep,   79.
Daer was veel voetvolcx ende ooc veel peerdevolcx,   V. VAERNEWIJCK, Ber. T. 3, 58 [1567].
Ick hoorde paerdevolck, dat langs de Doelebrugh quam trapplen na ons toe,   VONDEL 3, 403 [1637].
(Hij) scryft …, dat tot Parys weder 100 patenten waeren uytgegeven tot voetvolck, ende dat oock sooveel paerdevolck was geworven, dat enz.,   V.D. GOES, Briefw. 2, 299 [1671].
Dan vinden Zij den terugtocht door ons paardevolk … afgesloten,   KINKER, D. en O. 335.
In de verte zien wij … soldaten dooreenkrielen. Er is ook paardenvolk bij,   CONSC. 2, 329 a [ed. 1868].
(Is) hij onder het paardenvolk of onder het voetvolk?   3, 18 a.
't Peerdevolk … bestorremt den heuvel,   RODENBACH 81.
Paardevraag, gewestelijk (in Vlaanderen) voor: eene vraag die te dwaas of te onredelijk is om beantwoord te worden.
Dat is eene peerdevrage,   DE BO [1873].
Paardenvracht, 1°. zooveel als een paard trekken of dragen kan (HOLTROP); 2°. eene zeer zware vracht.
Den half naakten Jood, die zwoegt onder het torschen van ondraagbare lasten, of wiens spieren trillen onder het kruijen eener paardenvracht,   V.D. PALM, Gedenkschr. 48 [1816].
Paardenwachter (gewestelijk), 1°. iemand die paarden hoedt; ongewoon.
2°. (In Zeeland en Vlaanderen) als volksnaam voor het kwikstaartje, inzonderheid: de witte kwikstaart (Motacilla alba); zie De Natuur 1897, 199. Verg. Arch. v. Ned. Taalk. 2, 178 (paardenwachtertje), DE BO [1873] (peerdewachterken), JOOS [1900-1904] (peerdenwachter). Zoo genoemd omdat het vogeltje de nabijheid van paarden en vee zoekt.
3°. (In het Land van Waas) als benaming voor zeker insect: waterjuffer, libel (JOOS [1900-1904]).
Paarde(n)wagen, 1°. wagen die door een of meer paarden getrokken wordt.
God zegent u, gij boeren, die peerdenwagens kooren zult, dit jaar, ten vlegel voeren!   GEZELLE 6, 190.
Hier moeten wij onze kinderkens beschutten tegen peerdenwagens, dat ze niet overreden worden,   BELPAIRE, Herfstrozen 59 [1897].
2°. Wagen waarmede op een spoorweg de paarden worden vervoerd (PIJTAK 447 [1848]).
Paardenwater, paardenwed.
Door Peerdewater verstaat men nog te Brugge de Helling in een water of in eene vaart, waarlangs paarden, koeien enz.   … te water geleid worden, GAILLIARD, Keure v. Hazebr. 4, 472 a [1899].
Paardenwed, plaats waar paarden te water kunnen gaan.
Paerdewet, a Horse-pond,   SEWEL.
— De voerman … rijdt met de kar in het paardenwet, in de vijver, en laat de bak vol water loopen,   BERKHEY, N.H. 9, 177 [1811].
Werpt hem de voordeur uit en smijt hem in het paardenwed,   V. LENNEP, Poët. 11, 89 [1851].
Paardeweek, daarnaast eertijds peerdsweek, (in Z.-Nederl.): eene week van zwaren arbeid, ook: eene week van werkdagen zonder feestdagen daartusschen.
Ploegh-weke. j. peerds-weke. Hebdomada laboriosa: septima naprofesta, absque feriis,   KIL. [1599]
 (zie ook DE BO [1873]: peerdeweek) .
Paarde(n)weide, 1°. weiland waarop men een of meer paarden laat grazen.
2°. Gewestelijk (in Groningen), in den vorm peerdsweide, voor: het recht of de vergunning een paard gedurende den zomer op iemands land te laten weiden (MOLEMA 319 b).
Paardenwepe, gewestelijke naam (b.v. in Drente) voor meidoorn, Crataegus (HEUKELS 79 [1907]).
Paarde(n)werk, 1°. werk dat met behulp van paarden verricht wordt.
In het bearbeiden van hun land worden zij (de arbeiders), wat paardenwerk betreft, door de grootere landbouwers geholpen,   Onderz. Landb. 1886, 9, 13 [1890].
Als het koorn in is, ton (dan) zal 't peerdewerk gaan beginnen,   Loquela 10, 86 [1890].
Bij een landbouwer … kregen … de arbeiders voor al het werk aan de bieten, behalve het paardenwerk op hun eigen land, de koppen met de blaren,   Versl. Landb. 1910, 1, 87.
Poten, paardenwerk inbegrepen,   3, 16.
2°. Zwaar, lastig werk.
Lijwaad van den bleek trekken, als 't geildig geregend heeft, dat is peerdewerk,   Loquela 11, 77 [1891].
Moeilijk werk, wat veel kracht vordert heet paardewerk,   Noord en Zuid 25, 559.
Paardenwesp, gewestelijk (in Z.-Nederl.) voor: paardenhorzel (RUTTEN [1890], JOOS [1900-1904]: peerdenweps).
Paardwijf, gewestelijk (b.v. in Groningen) voor: eene vrouw die er wezen mag, die alles kan doorstaan (MOLEMA 368 a).
Paarde(n)wijs, gewestelijk (in Vlaanderen) wijs, ervaren in paardenzaken.
Ik heb daar tusschen Werveke en Meenene een tegengekomen die niet peerdewijs en was, want enz.,   Loquela 9, 61 [1889].
Paardenwik, tuinboon, Vicia faba (HEUKELS 274 [1907]); reeds bij KIL.: peerds-wicke. Ervum.
Paardewippe, gewestelijke benaming (in Vlaanderen) voor zeker vogeltje: kwikstaartje, paardenwachter.
De peerdewippe is moeielijk om vangen,   Loquela 11, 30 [1891].
Paardenwisscher, paardenknecht. Verouderd.
Een Peerde-wischer of stalknecht,   V. HARINXMA, Wonderl. Gesicht. 125.
Paardenwisseling, het verwisselen van (post-) paarden.
Wij (hielden) aen een posthuis stil. Gedurende de paerdenwisseling gaf men ons den tijd iets te gebruiken,   NOLET DE BR., Reisje 174.
Bij elke paerdenwisseling werd die ongelukkige Engelsche vetklomp wakker,   179.
Paardenworm, 1°. zekere worm in de ingewanden van een paard, Strongylus armatus.
2°. In den vorm paardsworm, verouderde benaming voor: paardenvlieg; van worm, insect.
Peerdsworm. Scarabeus,   KIL.
Paarde(n)worst, vel of darm met gehakt paardevleesch gevuld (JOOS [1900-1904]: peerdeworst).
Paardenwortel, hetzelfde als paardenpeen (HEUKELS 84 [1907]).
De peerdewortels zijn bleek …; zij worden gekweekt voor de stalbeesten,   DE BO [1873].
Paardewortels … op de nuchtere maag,   V. ANDEL, Volksgeneesk. 161 [1909].
— Gewestelijk (in Groningen) ook voor pinksternakel, Pastinaca sativa (HEUKELS 176 [1907]: peerdewortel).
— Gewestelijk (in Groningen) ook voor pinksternakel, Pastinaca sativa (HEUKELS 176 [1907]: peerdewortel).
Paardenzaagmolen, houtzaagmolen die door paardekracht in beweging wordt gebracht (HARTE, Molenb. 33 [1849]).
Paardezadel, daarnaast paardszadel (MARIN). — 1°. zadel van een paard; 2°. als benaming voor eene soort van schelpen; Anomia ephippium (HERKLOTS, Weekd. 170).
Paardenzalf, hoornzalf, zeker geneesmiddel voor paarden (V. MOOCK).
Paardezenuw, zenuw van een paard. Vandaar: paardezenuwpees, boogpees daarvan gemaakt; ongewoon.
Hy … treckt … De paerdezenuwpees en pijl te strenger aen,   VONDEL 8, 546 [1660].
Paardenziekte, ongesteldheid waaraan paarden lijden.
Hy noemt zich een doktoor …, En dat hy … De peerdenziekten hoegenaemd … In weinig dagen kan genezen,   CONINCKX, Fab. 159 [1808].
Paardezoen, liefkoozing als van een paard, en vandaar bij uitbreiding ook voor: een vuistslag of oorveeg.
Als de Hengst de Merrie … gedekt heeft, … byt dezelve de Merrie zagtlyk aan de nek: van waar onze schertzende geesten van een plompaart, die eene hupsche Deerne, als 't ware, met de tanden kuscht, gewoon zyn te zeggen, dat hy Paardezoenen geeft,   BERKHEY, N.H. 4, 1, 48 [1779].
— Past maar, dat gij u wagt voor de paardesoenen, en dat sij met regt niet klagen kan dat 'er buil of plek gestooten is,   VALENTIJN, Ovid. 1, 184.
Myn Wyf kreeg daar een paardezoen,   V. ELSLAND, Dr. Brechtje 37.
Ze heeft 'n neus als mijn klomp en een mondje om een paardenzoen op te geven,   V. MAURIK, Burgerl. 204.
Paardenzoethout, gewestelijke naam (b.v. op Goeree) voor: bitterzoet; Solanum Dulcamara (HEUKELS 239 [1907]).
Paardenzuring, daarnaast gewestelijk (in Zeeland en Z.-Nederl.) peerdenzurkel, peerdensulker (DE BO [1873], JOOS [1900-1904], CORN.-VERVL.), volksnaam voor eene soort van wilde zuring, die in de weiden groeit; Rumex aquaticus (HEUKELS 218 [1907]).
Paardenzwavel, als geneesmiddel: Sulfur caballinum (VISSER, Volksn. 59 a).
Paarde(n)zweep.
De paardezweep … met langen steel, welke door paardenleiders gebruikt wordt,   DE COCK en TEIRL., Kindersp. 6, 101 [1906].
Paardezweet.
1°. Eigenlijk.
Peerdezweet en vrouwetranen zijn gauw gereed.   poëem WNT
2°. Paardestof; datgene wat bij het roskammen van het lijf van een paard gekamd wordt (CORN.-VERVL. 948).
Het opgedroogde paardezweet schijnt alleen hier te lande als diureticum … voor te komen,   V. ANDEL, Volksgeneesk. 284 [1909]
 (verg. V. ANDEL, Volksgeneesk. 101 [1909])
.
— Met paard zijn ook vele aardrijkskundige namen samengesteld; b. v.: Paardenberg (in Z. Afrika), Paardenburg (onder Ouderamstel), de Paardelanden (te Zuidwolde), enz.; verg. ook boven: Paardekamp, Paardeven.
Omtrent Jaap Hannes, buiten den Diemerdijk, lag, van ouds, een stuk Lands, de Paardenhoek genaamd,   WAGEN., Amst. 1, 546 b.
— Als tweede lid, in den zin van rijdier, lastdier of trekdier, in eigenlijke en fig. toepassingen. Apostelpaard (LAURILLARD, Bijbel en Volkst. 19 en zie ook Dl. II, kol. 514)
artilleriepaard, bastpaard (zie BAST, II), bijpaard, boerenpaard, brouwerspaard, dienstpaard, draagpaard, dwergpaard, fokpaard, graspaard, grutterspaard, handpaard, hengstpaard, (zie ook Gr. Placaetb. 1, 1146 [1586]), hobbelpaard, houpaard, huurpaard, jachtpaard, jagerspaard, jongenspaard, kameelpaard, karnpaard, karrepaard, kets(e)paard, koepaard, koekepaard, koetspaard, kraanpaard, kunstpaard, labeurpaard, landpaard, landbouwpaard, lastpaard, leidselpaard, lijnpaard, limoenpaard, luxepaard, maandpaard, manegepaard, mensch(en)paard, merriepaard, moederpaard, moerpaard, molenpaard, moorpaard, natiepaard, nijlpaard, overpaard, paaschpaard, pakpaard, paradepaard, ploegpaard, postpaard, pronkpaard, raspaard, remontepaard, renpaard, reservepaard, rijtuigpaard, rivierpaard, ruiterspaard, schoolpaard, sjeespaard, slachtpaard, slagpaard, sleeperspaard, sompaard, springpaard, stalpaard, stamboekpaard, stokpaard, strijdpaard, telpaard, tooverpaard, touterpaard, trampaard, treinpaard, trekpaard, troepenpaard, tuigpaard, vaderpaard, ventjagerspaard, voltigeerpaard, voorpaard, vospaard, vrachtpaard, wagenpaard, weeldepaard, wegpaard, werkpaard, wielpaard, wisselpaard, wonderpaard, zadelpaard, zeepaard, zonnepaard, enz. (zie die woorden of het eerste lid).
— Verder: Bataillepaard, strijdros (WEYERMAN, Vrol. Tuchtheer 300)
bendepeerd, gewestelijk (in Vlaanderen) jong paard dat nog niet geleerd is, Loquela 6, 89 [1886]
biezenpeerd, gewestelijk (in Antwerpen) als naam voor zeker insect: waterjuffer, libel (CORN.-VERVL.)
blauwpeerdje, gewestelijk (in Groningen) dit zelfde dier (MOLEMA 319 a)
bruidspaard: voor de trouwkoets of -slede (TER GOUW, Volksverm. 556 [1871])
cavaleriepaard (”Cavallerys Paarden: Die mogen niet voor den 15 May in de weyde gaan”, DIBBETZ, Milit. Wdb. 115 a [1740]; ”Van een goed kavalleriepaard vereischt men een goed aangezet en bewegelijk hoofd” enz., LANDOLT 2, 98 [1862])
circuspaard, gedresseerd paard uit een paardenspel
diligencepaard: bestemd om eene diligence voort te trekken
drafpaard, harddraver (bij HOFDIJK, Voorgesl.² 6, 249)
driewielpeerd, rijwiel met drie wielen (DE BO [1873])
gebruikspaard, in tegenstelling met luxepaard (”De kruising, … tusschen Friesch en Oldenburgsch ras, werd zeer in de hand gewerkt door het feit, dat voor de afstammelingen als gebruikspaarden goede prijzen werden bedongen”, Versl. Landb. 1909, 6, 25)
halfbloedpaard: dat van een volbloed dier en een gewoon afstamt (”De Normandische halfbloedpaarden waren … voor onze fokkerij van het meeste belang”, Versl. Landb. 1909, 6, 88)
handelspaard: dat verhandeld wordt (”Doordat het bestuur een groot aantal buitenlandsche handelaren uitnoodigt en behoorlijk ontvangt …, wordt eene groote reclame voor onze handelspaarden gemaakt”, Versl. Landb. 1909, 6, 21)
hommelpeerd, gewestelijk (in Vlaanderen) als benaming van eene vlinderpop die men dikwijls aan de ranken van den hommel (hop) vindt (DE BO [1873])
huutpaard, een paard dat men door ”huut” te roepen tot loopen moet aanzetten (”Dan komt Jan de akkerman Met zijn huutpaard achteran”, Kniedeuntje)
huzarenpaard
Jezukenspeerd (deezekenspeerd), gewestelijk (in Antwerpen) als naam voor zeker insect: waterjuffer, libel (CORN.-VERVL.)
kapstokkenpaard, gewestelijk (in N.-Holl.) in scherts voor: een mager paard, eigenl. zoo mager dat men de uitstekende ribben als kapstokken zou kunnen gebruiken (BOEKENOOGEN 399)
kortstaartpaard: met ingekorten staart (Nav. 7, 105 a), koudbloedpaard (”Nog steeds bestaan in ons land 6 stamboeken voor warmbloedpaarden … en 4 … voor koudbloedpaarden”, Versl. Landb. 1909, 6, 16)
officierspaard: dat door een officier wordt bereden of in eigendom bezeten
omnibuspaard: dat een omnibus trekt
oorlogspaard, strijdros (PLANT. [1573])
stooterspaard, een paard dat een stooter kost (”Hij heeft moed als een stooterspaardje”, HARREB. 2, 90 a [1861])
trekschuitspaard (WEYERMAN, Vrol. Tuchtheer 294)
tweedienstenpaard, gewestelijk (in Z.-Nederl.) paard dat voor twee doeleinden dient, en zoowel ploeg- als rijpaard is (Loquela 10, 7 [1890])
tweewielpaard, rijwiel (DE BO [1873])
velpaard, gewestelijk (in Vlaanderen) paard dat alleen goed is om gevild te worden, waarvan alleen het vel (huid) nog waarde heeft (”Hij heeft daar nu een peerd gekocht, 't is een oprecht velpeerd”, Loquela 9, 21 [1889])
volbloedpaard (”Het Engelsche volbloedpaard”, WINKLER PR., Encycl. 11, 752 b)
warmbloedpaard (”(Frankrijk en Engeland) vragen alleen warmbloedpaarden van 31/2 jaar … voor luxetuigpaarden”, Versl. Landb. 1909, 6, 22)
waterpaardje, gewestelijk (in Vlaanderen) als benaming van zeker insect: waterjuffer, libel (”Ik volgde met de blikken de waterpaardjes of langbeenen, als zij met passen over het water schoven”, WATTEZ, Kinderl. 14), enz.
— Gewestelijk (in Vlaanderen) soms ook als uitgang van minachtende persoonsnamen, b. v.: Moordpeerd, iemand die uit woeligheid en onbesuisdheid alles bederft en vernielt (”Een moordpeerd van eenen jongen”, DE BO [1873])
mooschpeerd, iemand die veel mooscht, d. i. knoeit en futselt (Loquela 4, 67 [1884]).
— In de bet. II, 4), als benaming voor verschillende werktuigen. Buigpaard, duigenpaard, geeselpaard, graanpaard, ijspaard, mutsaardpaard, schroodpaard, slagpaard, snijpaard, tabakpaard, zaagpaard, enz. (zie die woorden of het eerste lid).
— Verder: Galgepeerd, (in Z.-Nederl.) een houten gestel waarin de houthakker de gekapte takken plaatst tot er genoeg bijeen is om een bos te maken (Loquela 4, 65 [1884])
houtpeerd, hetzelfde (DE BO [1873])
mortelpeerd, (in W.-Vlaanderen) het houten steunsel, waarop de opperman zijnen mortelbak stelt, om hem te vullen en dan gemakkelijk op den schouder te nemen (V. KEIRSBILCK, Timm. 318 [1898])
staakpeerd, (in W.-Vlaanderen) eene van boven verijzerde overeindstaande plank, waarover de velleblooters het vel heen en weer trekken om het lenig te maken (Loquela 4, 52 [1884]).
— In de bet. 4, d), als benaming van zekere touwen op schepen. Handpaard, nokpaard, rapaard, springpaard (zie die woorden).

Aanvulling bij PAARD

Samenst. Paardenren, wedren, hardloopwedstrijd met paarden. Meestal in het mv.
Paardenren, harddraverij,   CALISCH 1106 [1864].
Paardenrennen, harddraverij(en),   V. DALE [1976].
— De god der cavalloni of der white horses, zoals ook de Grieken de golven wel gezien zullen hebben, werd door paarden- en wagenrennen verheerlijkt,   HERZOG-HAUSER in Godsd. d. Mensh. 5, 218 [1952].
Hierop volgde het hoogtepunt, de paardenrennen (met als voornaamste nummer de rennen met vierspannen), dan de vijfkamp (pentathlon) d.w.z. vijf afzonderlijke wedstrijden,   HERZOG-HAUSER in Godsd. d. Mensh. 5, 262 [1952].
Paardenrennen, het houden van wedstrijden, wedrennen met paarden; harddraverij.
Naast Rhea Kybele vindt men in Hellas, en wel voornamelijk in de havensteden, even vroeg de cultus van de thrakische godin Bendis; karakteristiek voor die cultus is het paardenrennen met fakkels,   HERZOG-HAUSER in Godsd. d. Mensh. 5, 326 [1952].
Paardentractie.
  Mijnbouwk. Nomencl. 137 a [1949].
Paardetractie, het laten trekken v. e. voertuig door een of meer paarden,   V. DALE [1976].
— Naarmate deze (t.w. de marsch) grooter is kan meer worden gedaan om aan de troepen vermoeienissen te besparen, bijvoorbeeld door … aan troepen te voet den kortsten weg en aan voertuigen met paardentractie verharde wegen te geven,   Voorschr. Veldd. I (1934), 49.
De paardentractie was duur, vergeleken met de watermolens waarmede de meeste buitenlandse bedrijven waren uitgerust, terwijl weer andere bedrijven reeds stoomkracht hadden ingevoerd,   DE BRUIN, Buscruytm. 72 [1952].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1912.