Koppelingen:
Vorig artikel: PEIL I Volgend artikel: PEIL III
Etymologie: EWA, EWN

PEILII

Woordsoort: znw.(o.,m.,v.)

Modern lemma: peil

znw. onz. (eertijds ook m. en vr.), mv. -en. Mnl. peil, m., naast peile, vr. Bijvorm van Pegel; door KIL. als een Hollandsche vorm vermeld. Thans is peil in een aantal bet. van het woord de algemeen gebruikelijke vorm, terwijl pegel in de meeste opvattingen slechts in bepaalde streken gehoord wordt.
+1.  Merkteeken, om eene bepaalde maat aan te geven, oorspronkelijk bestaande uit een pegel of pin en daarnaar genoemd.
2.  Eindpaal van een loopperk enz.; lat. meta. Verg. bij PEGEL (I), 7).
Hy siet den lesten peyl, hy siet het eynde naken,   CATS 2, 29 b [1635].
3.  Werktuig om iets te peilen, peilstok. Ongewoon. Ook fig.
Indien men met de peyl mocht meten 's hertsen gront, Men vant het meestendeel verscheyden van den mondt,   ANNA VISSCHER, Ged. 1, 188.
+4.  Wat tot maat of richtsnoer dient bij het bepalen van iets.
+5.  De al of niet voorgeschreven maat waarnaar het bier gebrouwen wordt, de graad van sterkte van het bier.
Dat bier is niet op zijn peil gebrouwen. Cette bière n'est pas brassée selon la mesure marquée, on l'a fait consommer trop ou trop peu,   HALMA.
— Aan het naauwkeurig en voordeelig uitreekenen van de Peil, is meer gelegen als men in den eersten opslag denkt,   Handw. 16, 43 [1799].
+6.  De stand van zaken bij het peilen van iets.
+7.  De bepaalde of normale stand van iets.
+8.  Oneigenlijk. De voor iets gestelde maat of grens; perk.
Tgroot stort van zelven in. End' heeft des hemels wet Aen 't steighren des gelux, dit tot een' peil gezet,   HOOFT, Ged. 1, 332 [1632].
Gelijck … een groot deel der engelen in den hemel niet genoeghden met het lot hun toegeleit, en boven het peil, hun van d'Almogentheit gestelt, bestonden te steigeren,   VONDEL 10, 365 [1664].
Gy (God) stelt de watervloeden, Gy het bruischend zeenat peil,   BILD. 11, 416 [1825].
+9.  In Z.-Nederl. Voorgeschreven werk, taak.
Peyl. Fland. j. taecke. Pensum,   KIL.
— Och! hadd' ick soo veel traenen by, Als ick ghevoelen hebb' in my (t.w. van berouw) …, Mijn daeghelijcx peyl, en bedrijf, En waere niet, dan Siel en Lijf, Met traenen versch dicks te beghieten,   DE HARDUYN, Godd. Lofs. 162 [1620].
Vaarwel daarmede, o Dichten jong en licht: ons roept de tijd tot hooger peil en zwaarder bezigheid,   RODENBACH 212.
Afl. Peilloos, bepeilen (zie die woord n).
Koppel. In de bet. 1 en 7). Overpeil (zie ald.).
— Verder: Peilmalen, zoo lang malen totdat de waterstand in den boezem op peil is en daarmede ophouden totdat deze wederom laag genoeg gedaald is (”Het verhogen van het Pyl, en Pylmalen van den Boezem, en verhogen der Kadens van den Overwaard”, Handv. v. d. Overw. 295 (a°. 1624); ”Octroy …, aengaende den Peylnagel ende het Peylmalen inden Overwaert. In date den 14 September 1663” (opschrift), Gr. Placaetb. 2, 3041 [1664]; ”Pogingen tot opheffing van peilmalen”, GEVERS V. ENDEG., Rijnl. 1, 459)
peiloverbrengen (”Bij het maken der wijken (van een veenderij) moet vooral worden gelet op de zuivere overbrenging van den bepaalden zomer-waterstand in de belendende … kanalen en rivieren, ten einde hierdoor het ware peil des waterspiegels op zekere punten in de te graven wijk te kennen. … Dit water- of peil-overbrengen wordt in de veenkoloniën zonder eenige wiskundige theorie op zeer eenvoudige wijze verrigt”, STEMFOORT, Veengr. 18); enz.
Samenst. Peil komt ook in vele samenstellingen voor, b.v. in de volgende.
— In de bet. 1, 6 of 7). Peilbemaling, het op peil malen van het water in een waterboezem.
Tijdelijke ontheffingen of wijzigingen van de peilbemaling,   GEVERS V. ENDEG., Rijnl. 1, 146.
Indien … het Noordhollandsche zeekanaal zoodanige verlaging van den boezem (mocht) … ten gevolge hebben, dat elke peilbemaling onnoodig werd,   147.
Peilbout, bout, in welks kop door middel van een horizontale inkeping zeker peil is aangegeven, bij watermolens, sluizen, enz. (BEEKMAN, Dijk- en Waterschapsr. 1294).
Peilbrief, verordening betreffende den waterstand. Verouderd.
Soo wye soode sloughe tot anderen steden dan die peylbrieven oorconden die verbuert een boete van 27 sc.,   in Versl. O. Vad. Recht 3, 235.
De Opper-Dykgraaf (van Putten) heeft de bekeuring over alles, wat niet volgens de Peilbrieven van ieder Polder gemaakt is,   Teg. Staat d. Ver. Ned. 7, 158.
Peilshoogte, hoogte van het waterpeil.
De peilshoogte, waarop het water aan de watermolens … mag worden geschut, wordt bepaald door enz.,   Bijv. Stbl. 1867, blz. 120.
Regeling der peilshoogte van elken watermolen,   Ald.
Peilkaart: waarop de waterstanden worden aangegeven.
Peilkaart van de Hoogtestand des waters op Rijnlands boezem, 1810—1868,   Catal. Prentverz. Leiden, n°. 6967.
Peillijst, lijst of register van rivierstanden.
Kort uittreksel uit de Peil-lyst, gehouden van het hooge water in de rivier de Lek te Ameide,   Handv. v. d. Alblasserw. 87  (ed. 1765).
Peilmeester, beambte die waterstanden heeft waar te nemen en te vergelijken met zeker peil of merk.
In de Overwaard worden peilmolenaars, die … tevens peilmeesters zijn, aldus genoemd,   BEEKMAN, Dijk- en Waterschapsr. 1296.
— Instructie voor den Peyl- en Schutmeester aan den rooden Haan,   Utr. Placaatb. 2, 177 a [1714].
De voorsz. Peyl- en Schutmeester sal … nooyt vermogen de heulen … (te sluiten), als alleen, wanneer … het water boven de peyl is geraakt,   Ald.
Dat dese Peyl- en Schutmeester daaglyks … de peyl sal hebben te visiteeren, mede ten minsten alle weeken eens van de waterlosing … inspectie te neemen, enz.,   Ald.
Peilmerk (zie dat woord).
Peilmolen (zie dat woord).
Peilmolenaar, de molenaar die een peilmolen bedient.
De gemelte Sein en Peilmolenaers sullen gehouden sijn 't allen tijde by haer Molens gereet te houden goet licht en een bequame Lanteren, om by donker en des nachts, het water ter hoogte van het voorsz peil opgemalen sijnde, … de voorsz Lanteren met licht uit de Toren van haar Watermolens uit te steken,   Keuren v. 't Heemraedsch. v. Schielant 81 b [1671].
Ick sweer: dat ick Peylmolenaer sal syn van de Heeren van den Overwaerdt, ende belove oversulx … oprecht ende rechtveerdig Peyl te malen, ende dat niemand anders dan ick alleen den Peylmolen … malen sal,   Handv. v. d. Overw. 332  (zie ook Gr. Placaetb. 2, 3045 [1663]).
Peilnagel (zie dat woord).
Peilplaat, plaat waarop zeker peil wordt aangegeven.
Wy … ordinaris Land-meters … verclaren … ons-luyden gesamentlick gevonden te hebben tot Sparendam aen de Kolx-sluys, al waer wy aen de Oost-wang ofte Vleugel van de selve Sluys … hebben doen in-laten ende met loot vast souderen een kopere peyl-plaet, hebbende op ider eynde een doock, lang sijnde negen duymen, breet twee duymen enz. …, geteeckent aldus, S. 1659. P. omme … te sijn het pertinente teycken ofte peyl van de hoogte, waer boven den Slaper-dijck voorsz. ter hoogte van twee voeten en tien duymen mag werden gemaeckt en onderhouden,   Handv. v. Amst. 418 a [1660].
Dat de boven-kant van ider der voorsz. vier peylplaten eygentlick het voorsz. merck-teycken ofte peyl is denoterende,   418 b.
Peilplank, houten peilschaal.
Men (maakt) aan de voor- en achterfronten duidelijke peilplanken, zoo men deze niet van hardsteen heeft bepaald, waarop de zomer- en boezempeilen op zijne juiste hoogte zijn geplaatst, met eene verdeeling volgens ellemaat, ten einde te kunnen zien hoe hoog het water is (bij een watermolen),   KROOK, Molenb. 119 [1851].
Peilput, gemetselde put om een peilschaal aangebracht, ten einde bij het aflezen geen hinder te hebben van de beweging van het water.
De peilputten, toeleidingskanalen en buizen tot behoorlijke diepte schoon te houden,   Alg. Voorschr. 1901, § 315.
Een drijver in een zoogenaamden peilput,   BEEKMAN, Dijk- en Waterschapsr. 1297.
Peilschaal (zie dat woord).
Peilschouw, het schouwen der peilen.
De Peyl-schouwe wert mede gevoert op de tweede St. Jans Schouw volgens Resolutie van den 9. Mey 1656,   Hantv. v. d. Alblasserw. 89.
Peilsluis, sluis waarbij een peil is aangebracht.
Ordonnantie op de peilsluise leggende in den Haerlemmer-dijk,   Handv. v. Amst. 714 b [1603].
Peilspijker, peilnagel, spijker waarmede zeker peil aangewezen wordt (BEEKMAN, Dijk- en Waterschapsr. 1296).
Peilstaat, staat of lijst waarop de waterstanden worden aangegeven.
Die peilstaten worden wekelijks ingezonden aan Dijkgraaf en Hoogreemraden,   GEVERS V. ENDEG., Rijnl. 1, 166.
Peilsteen (zie dat woord).
Peiltafel, tabel betreffende het peil van gedistilleerd.
Peiltafel, voor het Gedisteleerd, of herleiding tot proef van 10 graden,   Bijv. Stbl. 1824, blz. 2087.
Peilteeken, merk waardoor zekere waterstand wordt aangegeven.
Aen de buyten-vleugel van de suyd-oost sijde van de Dam-sluys, recht onder het peyl-teecken van d'Aller-heyligenvloet aldaer staende,   Handv. v. Amst. 418 b [1660]
 (zie ook WAGEN., Amst. 2, 61 b) .
Peilverlaging, het verlagen van het peil van den waterstand.
In het begin waren vele landbouwers tegen de peilverlaging; nu is er geen, die den ouden toestand terugwenscht,   Versl. Landb. 1917, 1, 99.
Als voornaamste middel ter verbetering van de afwatering beveelt deze berichtgever … aan peilverlaging van de Vliet,   1, 176.
Peilwaarnemer, hij die den waterstand opneemt.
De boezemstanden (worden) dagelijks door vaste peilwaarnemers in peilstaten opgeteekend, aan de sluizen te Katwijk, te Spaarndam enz.,   GEVERS V. ENDEG., Rijnl. 1, 166.
Peilwaterstand, hoogtestand van het water die overeenkomt met het vastgestelde peil.
De hoogteligging der aan de A grenzende gronden is … beneden den peil-waterstand op de rivier,   Onderz. Landb. 1886, 18, 12 [1890].
— Als tweede lid. Alarmpeil (Dl. II, kol. 95), boezempeil (Dl. III, kol. 241)
bollenpeil (”De schaal is in verband gebragt met het zoogenaamde bollenpeil, op het strand, nabij de haven, zijnde een zwaren steenen paal”, MOLL, in N. Verh. d. E. Kl. v. h. Kon.-Ned. Inst. 7, 7)
dijkpeil (vanwaar dijkpeilsteen, steen die het peil van den dijk aangeeft: ”De stand van dit peil vindt men opgegeven en bepaald op 9 voet 5 duim Amst. maat … beneden de groef van de dijkpeilsteenen, die in den muur van de Kolkswaterkeering … en elders zijn ingemetseld”, C. DE JONG, Handwdb. 371 a [1869])
kanaalpeil (Dl. VIII, kol. 1209), koerspeil (”De vraag, die zich op het verlaagde koerspeil deed gelden”, N. Rott. Cour. v. 24 Maart 1918, Ochtendbl. B, blz. 1 e; ”Herstel van het koerspeil”, blz. 2 a; ”Het laagste koerspeil sinds den aanvang van den oorlog” Ald.)
maalpeil (Dl. IX, kol 142 en 143; zie ook BEEKMAN, Dijken Waterschapsr. 202 en 1115)
molenpeil (Dl. IX, kol. 1028), nachtpeil (”Ook is het dienstig, telkens nadat het sprei gelegd is, een zoogenaamd nachtpeil daarin opterigten, om daarmede waartenemen, hoeveel de veenstof in zeker tijdsverloop is bezakt”, STEMFOORT, Veengr. 69)
noodpeil (Dl. IX, kol. 2080)
polderpeil (BEEKMAN, Dijk- en Waterschapsr. 1336)
rijpeil, het waterpeil waarbij het dijkleger zich met wagens, kruiwagens en gereedschappen naar den dijk moet begeven (”Dijkgraaf en hoogheemraden van Schieland waren reeds lang vergaderd …, want bij 3 meter boven R. P. was rijpeil en bij den stand van 3.30 meter noodpeil ingetreden. Het geheele dijkleger was met gereedschappen opgekomen”, N. Rott. Cour. v. 14 Jan. 1916, Ochtendbl. B, blz. 2e)
Rijnpeil (”In een deel van Utrecht rekent men dikwijls voor de boezemwaterstanden naar Rijnpeil (R. P.), d. i. de gemiddelde zomerstand van den Vaartschen Rijn en het Stadswater van Utrecht (+ 0.60 A. P.)”, BEEKMAN, Dijk- en Waterschapsr. 1293)
Rottepeil (a. w. 1294)
Schiepeil (”In de Schie alhier stond het water gisteravond 53 centimeter boven Schiepeil”, N. Rott. Cour. v. 14 Jan. 1916, Ochtendbl. B, blz. 2 e)
schutpeil (BEEKMAN, Ned. a. P. 119 [1884] en Dijk- en Waterschapsr. 1447)
stadspeil (Handv. v. Amst. 726 b [1701] en Handv. v. Amst. 988 a [1701]; WAGEN., Amst. 2, 61; PASTEUR-NOOT 2, 296)
stempelpeil (”Dat … wanneer de boezem gedaald is tot 57 c.M. — A. P., het aloude stempelpeil, de sluizen te Katwijk en te Halfweg gestempeld worden, dat is digt gehouden of vastgezet, zoodat er geen boezemwater meer door kan wegloopen”, GEVERS V. ENDEG., Rijnl. 1, 167; zie ook STEUERWALD, Polders 11)
straatpeil (”Het spoor langs de Houthaven wordt … (op straatpeil) … over den mond van het Westerkanaal gebracht”, Versl. Spoorw. om Amst. (a°. 1905), 50; ”In verband met de verhooging van Schielands hoogen zeedijk … zijn de officieele straatpeilen gewijzigd en voor nieuwbouw of belangrijke verbouwingen langs den geheelen dijk gebracht op 4.50 boven R.P.” (te Rotterdam), Handelsbl. v. 24 Maart 1918, Ochtendbl., blz. 11 f)
waterpeil (zie ald.)
winterpeil (Utr. Placaatb. 2, 177 b [1714] ”Winters-peyl”; BEEKMAN, Dijk- en Waterschapsr. 1336; STEUERWALD, Polders 10)
zomerpeil (BEEKMAN en STEUERWALD, t. a. pl.); enz.
— In de bet. 5). Voorpeil (”Bij voorbeeld; men Brouwt 8 guldens en 4 guldens Bier, dan komt de voorpeil toe ten minsten 3/5 deelen van de Hop, en de Nazoo maar 2/5 deelen. Maar is men voorneemens 16 guldens en 6 guldens Bier te vaten, dan bezorgt men de Voorzoode met ten minsten 2/3 deelen van de Hop, hebbende de Nazoo dan aan 1/3 genoeg”, Handw. 16, 35 [1799]; ”Men (moet) … overleggen en overreekenen … hoe ruim of hoe bekrompen men de Voorpeil aflaaden en kooken mag of moet, om dezelve bij haare bedoelde waarde te houden”, Ald.; ”Ik (leg) mijne Brouwten zoo aan, dat wij in de voornacht de Voorpeil, en in de nanacht de Nazoo koelen”, 16, 39).
— In de bet. 9). Peilkaart, (in W.-Vlaand.) bewijsstuk dat men zijne taak heeft afgedaan (zie Dl. VII, kol. 716).
Peiltijd, (in W.-Vlaand.) vrije tijd nadat men eene voorgeschreven taak heeft afgewerkt.
De kinders spelen in hunnen peiltijd,   DE BO [1873].
Ook: het uur van den dag waarop de werklieden gewoonlijk hunnen arbeid staken.
In den winter is het 's avonds vroeger peiltijd dan in den zomer,   DE BO [1873].
De klok luidt, het is peiltijd,   DE BO [1873].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1918.