Koppelingen:
Vorig artikel: PELDER I Volgend artikel: PELDERDKLEED

PELDERII

Woordsoort: znw.(m.)

Modern lemma: pelder

znw. m., mv. -s. Mnl. peller, pelre, pelder.
Bijvorm van mnl. pellel; uit lat. palliolum. Evenzoo mnd. pellel, pelder; mhd. phellel, pheller, phellôr. Daarnaast Pellen (I) en Pel (III); zie verder die woorden. Oorspronkelijk in een ruimeren zin gebruikt voor: staatsiekleed, komt het woord in het nieuwere Ned. voor in de bet. van: doodkleed, baarkleed, meestal van fluweel of eene andere kostbare stof vervaardigd, en dikwijls met een kruis overtrokken. De pelder was een staatsiedekkleed, dat alleen zeer vermogenden zelf konden bekostigen; vandaar dat men tegen betaling van zekere vergoeding een pelder van de kerk huurde, tenzij men behoorde tot eene corporatie die een eigen baarkleed bezat. In Z.-Nederl.
Up mijn vat (doodkist) ghebreict dan … noch een peldre,   DE DENE, Testam. 314 b.
Adieu an alle die begraven zijn zonder pelders,   443 a.
Een fiertre cleed van tapyte. Item drie pelders,   Kerkinventaris, in Auden. Mengel. 4, 373 [1523].
An Pieter Maerten, scildere, voor een groot verheven blasoen, omme dat voor den peldere te stellene durende de huutfaert,   in REMBRY, Menin 2, 172 [1568].
Acht torsen ende vier kerssen omme up den peldere te stellene,   2, 173.
Een zwarten peldere met een root cruuce,   DE POTTER en BROECKAERT, Machelen 17 [1615].
Stoffe voor tmaecken van den pelder,   in REMBRY, Menin 2, 364 [1641].
Een swarte laecken pelder mette waepenen ende teeckenen van Bladelincx daeroppe staende,   DE POTTER en BROECKAERT, Middelburg 114 [1653].
De lijkbaar — thans met eenen kostbaren pelder overdekt — werd op de schouders getorscht,   V. LOVELING, Hoofd v. 't huis 7.
Te midden der plaats staat eene oude doodberrie. … Er op ligt een versleten vettig lijkkleed — dat der armen, den zoogenoemden pelder,   TEIRL.-STIJNS, Arm. Vl. 1, 37.
De pelder werd weggenomen, en velen reikten den hals uit om de lijkkist te zien,   STIJNS, In de Ton 192.
—  Bij uitbreiding eertijds ook voor: het recht dat men voor het gebruik van het baarkleed betaalde.
Ontfaen vanden peldere ende testamente Josine C. vii s. p.,   in Ann. Soc. d'Émul. de Bruges 20, 151 [1537].
Aanm. Eene aanwijzing dat pelder, evenals pellen, in lateren tijd ook nog bekend was als benaming voor een bepaald soort van (linnen) weefsel, geeft het gebruik van gepelderd voor: gestipt, gestreept of geteekend als pellengoed. Zie bij PELDERDKLEED.
Afl. Pelderen, met den pelder, met het baarkleed overdekken (”De baar pelderen”; ook fig.: ”Gepelderd en gewonden, elk hout nu (in den herfst) staat; gebunseld en gebonden, in lijkgewaad,” GEZELLE 6, 272; zie ook 395).
Samenst. Pelderdrager (”De pelderdragers van 't lijck,” Cost. v. Veurne 2, 38; a°. 1615); enz.
— Als tweede lid. Maagdepelder (zie Dl. IX, kol. 10).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1919.