Koppelingen:
Vorig artikel: PERTRACTEEREN Volgend artikel: PERTSEN
GTB Woordenboeken: MNW

PERTSE

Woordsoort: znw.(v.)

Modern lemma: pertse

znw. vr., mv. -n. Mnl. perche, pertse, peertse, paertse. Van fr. perche, dat hetzelfde woord is als lat. pertica, stok. Evenzoo eng. perch, sp. percha, it. pertica, enz. Thans is het woord, inzonderheid in den vorm perse, pers, in Vlaanderen nog in gebruik. Zie verder PERS (III).
+1.  In 't algemeen. Staak, stok, roede; in verschillende toepassingen.
+2.  In 't bijzonder. Als term bij de lakenweverij. Oorspronkelijk: het raam of toestel waarover het laken getrokken werd bij het keuren, en bij uitbreiding ook: de plaats waar dit keuren geschiedt. Zie verder bij PERS (III), 2). Thans verouderd.
Het laken, nu ”raeu” laken geheeten, is dan klaar om ”upgereed” te worden. Na een onderzoek ter paertse volgt in de eerste plaats het herstellen van de in ieder weefsel voorkomende onvolkomenheden,   POSTHUMUS, Lak. 1, 60.
— Twee Opschrijvers, wiens last was alle dagen te verschijnen opte Paertse (de welcke van ouden tijden boven op het Stadthuys geweest … is …) ende aldaer alle de rauwe Lakenen op te schrijven van wie ende voor wie die gewracht waren, ende de selve te printen, met een seker Segel daer toe by de Waerdeyns geordonneert wesende,   ORLERS, Beschr. v. Leyden 252 [1641].
Afl. Pertsen (zie ald.).
Samenst. Pertseboon, Vlaamsche volksnaam voor: prinsesseboon, Phaseolus vulgaris L. (DE BO, Kruid-Wdb.)
Pertselekker, minachtende naam voor een schutter, die bij het gaaischieten niet een paar schreden van de pertse gaat staan, maar vlakbij staande met zijn pijl langs den staak opwaarts schiet (zie DE BO [1873]); enz.
— Als tweede lid. Boonpertse, boonenstaak (”Die sperretjes zullen dienen tot boonpertsen”, DE BO [1873])
diltepertse: waarmede een hooizolder boven een stal wordt gemaakt (”De diltepertsen maken den grond uit van eenen dilte en dragen het hooi en het stroo”, DE BO [1873])
gaaipertse: staak voor het vogelschieten (”De gaaipertse oprichten”, DE BO [1873])
haagpertse: dunne stok waarmede men eene haag inbindt (”De haagpertsen worden horizontaal met wissen aan de tjantjers vastgebonden”, DE BO [1873])
hommelpertse, hoppestaak (DE BO [1873])
netpertse, hooge staak waaraan de natte vischnetten worden opgeheschen (DE BO [1873].)
pulspertse, polsstok (DE BO [1873].)
schuimpertse, (bij zoutzieders) hout om het schuim van de ziedpan af te schuiven (DE BO [1873].)
slagpertse: stok om te slaan (”Men pleegt bij beslotene hoven op eene plank te lezen: hier liggen slagpertsen, wolfijzers en schietgeweren”, DE BO [1873])
stellingpertse, steigerpaal (V. KEIRSBILCK, Mets. 301)
stoppertse, bandroede, stok dien men bezigt om de opening van een haag enz. dicht te maken (”De stoppertsen zijn meest sperren”, DE BO [1873])
tuinpertse, vermaakpertse: staak om eene weide te vermaken of met een tuin af te sluiten (”De vermaakpertsen zijn minder dan de hommelpertsen, doch veel meerder dan boon- en haagpertsen”, DE BO [1873])
vlaakpertsen: om vlaken of schutsels van stroo of biezen vast te zetten (DE BO [1873]); enz.
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1921.