Koppelingen:
Vorig artikel: PIERE Volgend artikel: PIEREMENT

PIEREMACHOCHEL

Woordsoort: znw.

Modern lemma: pieremachochel

znw., mv. -s. Eene schertsende benaming voor een log of wonderlijk persoon of voorwerp. Blijkbaar eene samenst. van Machochel (zie verder over dit woord bij MACHACHE) met Pieren (IV), in den zin van: foppen, beetnemen. Het is niet onwaarschijnlijk dat het ww. pieremachochelen ouder is dan het znw. en dat dit eerst daarvan is afgeleid.
+1.  In 't algemeen. Een raar, lomp, log vrouwspersoon; hetzelfde als machochel.
Wat komt daar een gekke pieremachochel aan.   poëem WNT
2.  Oneigenlijk Iemand in de pieremachochel hebben, hem in de gaten hebben, zich niet door hem laten pieremachochelen of foppen.
3.  Eertijds: pieremachochje spelen, voor: vleeschelijke gemeenschap hebben met eene vrouw.
Gy moet, al zou het u verveelen, Door 't werkje wat te veel te doen, Met haar vaak piermagochje speelen, Al wierje ook als een snott'rig hoen, Zo slap, en vuns,   V. HOVEN, Leed. Uuren 20.
Afl. Pieremachochelen, iemand foppen, beetnemen (”Je zult mij niet pieremagoochelen. Dat is: met al je kunstenarijen foppen”, HARREB. 3, 54 b [1870]; zie ook N. Ned. Taalmag. 4, 241); ook: bepieremachochelen, voor: iemand voor den gek houden.
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1922.