Koppelingen:
Vorig artikel: PIT IV Volgend artikel: PIT VI
Etymologie: EWA, EWN, EWN

PITV

Woordsoort: znw.(v.,o.)

Modern lemma: pit

znw. vr. en onz., mv. -ten. Daarnaast eertijds (en thans nog gewestelijk) pitte. Mnl. pit; mnd. pit, pitte; eng. pit. De afleiding van het woord is onzeker. Waarschijnlijk is het een bijvorm met tt uit indogerm. tn, naast vormen met d uit t als ned. pee (uit pede) en peddik (zie PEDDIK en PEE (III) en (IV), en verg. Zschr. f. d. Mundarten 18, 178 volg.); ags. piđa, eng. pith.
Het woord wordt in de meeste beteekenissen zoowel vr. als onz. gebruikt; doch het gewone spraakgebruik is, dat het onz. genomen wordt in de bet. I, B en C) en in de figuurlijke toepassingen van I, D), en in de andere opvattingen vr.
+I.  Het binnenste, de kern van iets. In de volgende toepassingen.
+II.  Bij overdracht of vergelijking.
Afl. Pitten (zie ald., 3de art.), pittig (zie dat woord).
Samenst. en Samenst. afl. B. v. in de volgende verbindingen.
— In de bet. I, A). Pittenbak, (in de groenteteelt) een door paardenmest verwarmde bak, die uitsluitend gebruikt wordt voor het aankweeken van jonge komkommerplanten uit zaden (pitten).
De zaden (werden) in den pittenbak ter kieming gelegd,   Versl. Tuinbouwproefv. 1903—'04, 28.
Pitmop, klein, plat, vierkant koekje, waarin fijngesneden amandelen zijn gebakken.
De lange, magere bakker met z'n bleeke gezicht …, die … bezig was pitmoppen af te wegen voor 'n burgerjuffrouw,   ZOETMULDER, Nieuwe Wegen 1, 5.
Pittenrijk, vele pitten bevattende, vol pitten (van vruchten gezegd).
Wat is die sinaasappel pittenrijk.   poëem WNT
Pittenuithaler, werktuig om kersen of andere vruchten van den steen te ontdoen.
Pitvrucht, naam van die soort van vleezige vruchten, waarbij de pitten in een klokhuis besloten zitten, en waartoe de appels, peren en kweeën gerekend worden.
Appelvrucht. Pitvrucht. Eene vrucht, die niet slechts uit de stampers gevormd is, maar mede uit een gedeelte van den met den vruchtbodem vergroeiden kelk,   V. HALL, Landh. Flora 288 [1854].
De vleezige vruchten … worden gewoonlijk onderscheiden in 1. Bessen (Baccae), 2. Steenvruchten (Drupae) 3. Pitvruchten (Poma), 4. Komkommervruchten (Pepones), en 5. Oranje- of Citroenvruchten (Hesperidia),   OUDEMANS, Leerb. 1, 156.
De Pitvrucht (Pomium). Eigen aan vele Pomaceae (Pirus, Cydonia, Sorbus). Het endocarpium (onder den naam van klokhuis bekend) is hier vliezig, korrelig of hoornachtig, maar nimmer steenhard,   1, 175.
Het aantal hokjes eener pitvrucht bedraagt 2—5,   Ald.
Tot de pitvruchten, wier zaden … ten getale van twee of meer, tusschen de tien kraakbeenige … plaatjes van een zoogenoemd klokhuis verscholen zitten, behooren niet anders dan de appelen, peren en kweeën,   OUDEMANS, Beg. d. Plantenk. 102.
Verschillende fijne pitvruchten en pruimen (moesten) voor lagen prijs worden verkocht,   Versl. Landb. 4, XLIV.
Als tweede lid. Aalbeziepit(je), aardbeipit(je), abrikozepit(je), amandelpit(je), appelpit(je), bessenpit(je), citroenpit(je), druivepit(je), kapokpit(je), katoenpit(je), kersepit(je), kweepit(je), morellepit(je), notepit(je), olijfpit(je), palmpit(je), perepit(je), perzikpit(je), pruimepit(je), sinaasappelpit(je), vruchtepit(je), enz. (zie de meeste van die woorden of bij het eerste lid).
Verder: Krakepit, steenpit (zie die woorden).
Als naam van eene plant: Zonnepitten, zonnebloem; Helianthus annuus L. (HEUKELS 116 [1907]).
— In de bet. I, B, 1), doch soms ook opgevat in de bet. II, A, 2). Pitbies, op de Oost-Veluwe volksnaam voor pitrusch; Juncus effusus L. (HEUKELS 129 a [1907]).
Pitriet, het binnenste van den rotanstengel, van welken men de bast (het zoogenaamde vlechtriet) heeft verwijderd.
Pitriet … gebruikt (men) voor de vervaardiging van meubelen en in de mandenmakerij,   Encyclop. v. N.-I.² 3, 414 b.
Serrestoelen van pitriet.   poëem WNT
Pitrotting, pitriet (zie Dl. XIII, kol. 1475).
Pitrusch, benaming van eene soort van bies, waarvan men het pit eertijds in plaats van katoen als lampepit gebruikte; Juncus effusus L. (HEUKELS 129 [1907] a; V. HALL, Landh. Flora 230 [1854]).
Als tweede lid. Russchepit, vlierpit enz. (zie die woorden).
— In de bet. I, B, 4). Als tweede lid. Hoornpit (zie Dl. VI, kol. 1096).
— In de bet. I, C en D). Pitspreuk, kernachtig gezegde; verouderd.
Pit-spreuk, a Pithy sentence,   SEWEL.
D'Edelste Verlustingh der Leeren lees-geerige gemoederen. … Met … deftige Pitspreucken, vervrolijckende Woord-wisselingen, en aerdige voorvallen,   Titel v. e. werk d. S. DE VRIES [1680].
Pitvol, vol pit of geest, pittig.
Die Poëet is, voor al de weereld, prijsselik, die deze dry frayicheen aan malkander koppelt: een rijke zin, poetische çieraden, en een pitvolle slotreden,   DE BRUNE, Wetst. 1, 90 [1644].
Pitvolle Gelikenissen,   DE BRUNE, Jok en E. 1 [1644].
Pitziel, dat wat het pit, de kern, van iets uitmaakt.
De pit-ziel van het Vyer is eene van de voncken Die ziel en herssenen naer 't eewigh Vyer doen loncken, Daers' uyt geregent zijn,   HUYGENS 1, 157 [1624].
— In de bet. II, A) (verg. ook boven: pitbies, pitrusch).
Pitkurk, schijfje kurk waar het waspitje van een olielichtje op drijft.
Vele lampions … vond men niet behoorlijk gevuld; in anderen zouden de pitkurkjes het onderst boven gekeerd geweest zijn,   POTGIETER 1, 273 [1837].
Pitopdraaier: om de pit van eene lamp hooger of lager te kunnen draaien.
De fabriekmatige vervaardiging van kleine getande staven, bijv. de pitopdraaiers … der lampen,   KUYPER, Technol. 1, 618.
Pitvisch, als benaming voor eene familie van visschen, Callionymus, en van eene aan onze kusten voorkomende soort: Callionymus lyra, met een lang, rank lichaam.
(Callionymus) Dracunculus. Pitvisch. Schelvisduivel met de Straalen van de voorste Rugvin korter dan het Lyf. Deeze schynt het Draakje van Rondeletius en de Pitvisch der Nederlanderen te zyn,   HOUTTUYN, Nat. Hist. I, 7, 150 [1764].
Pitvisschen. Lier van Harwich; Callionymus Lyra …, springt, door de lange vinnen ondersteund, hoog uit het water,   STARING, Huisb. 346 [1862].
De Pitvisschen (Callionymi) … naderen in vele opzigten de Grondels en Slijmvisschen,   SCHLEGEL, Visschen 69.
De pitvisch (C. lyra) bewoont het Kanaal en de kusten der Noordzee. Hij wordt … ook Pilatus-vischje en Schelvischduivel genoemd,   71.
Postillon of pitvisch,   BURGERSDIJK, Dieren 3, 123 [1873].
Als tweede lid. Gaspit(je), kaars(e)pit(je), lampepit(je), nachtpit(je), oliepit(je), verstelpit(je), waspit(je), enz. (zie die woorden of het eerste lid).
Verder: Eenpitsgaslamp (tweepitsgaslamp, driepitsgaslamp enz.), een gaslicht met een (twee, drie enz.) lichtarmen.
Een eenpitslamp. Twee kristallen gaskronen, beide drielichts. Een hoeveel-pitsgasornament hebt ge? Ik heb een vierpits.   poëem WNT
— In de bet. II, B). Kankerpit, in soldatentaal voor: iemand die altijd ontevreden is.
Klagen en mopperen is kankeren en hij die dit voortdurend doet een kankerpit,   Haagsche Post v. 23 Juni 1923, blz. 885.
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1925.