Koppelingen:
Vorig artikel: PLANTENLEVEN Volgend artikel: PLANTER

PLANTENRIJK

Woordsoort: znw.(o.)

Modern lemma: plantenrijk

znw. onz.; zonder mv. Uit Plant (I) en Rijk (I).
Een van de drie rijken der natuur; de gezamenlijke planten, als geheel beschouwd tegenover dieren en delfstoffen. Hd. pflanzenreich, eng. plant-kingdom.
Dat 'er veele enkelde medicynen van het planten- en dieren-ryk (vegetabilia et animalia) waren voorgeschreven (in zekere hospitalen), die van Europa moesten komen, dog enz.,   N.-I. Plakaatb. 8, 785 [1773].
Gelyk … veelen onder hen … in staat gesteld werden … nieuwe ontdekkingen in het Plantenryk te doen,   N. Printenboek v. Kind. [1798]
 ,Voll. Verkl. 1, 12.
Erts …, plantenrijk, en mensch, en dier,   HELMERS, Nag. Ged. 2, 27.
De deelen der gewassen, waardoor de geslachten, welke in het geheele plantenrijk voorkomen worden gekenmerkt,   SCHUURMANS STEKHOVEN, Kruidkundig Kunst-Wdb. III.
Niet alleen de bodem, maar wat hij voortbrengt, zijn dieren- en plantenrijk moet de geschiedschrijver leeren kennen,   FRUIN, Geschr. 9, 264 [1859].
Reusachtige beuken en linden …, die reuzen van het plantenrijk,   SEGERS, Lief en L. 151 [1903].
—  Ook in dichterlijk gebruik voor: de plantenwereld.
De nagt (spreidt) zyn duistre vleugels over 't slapend plantenryk,   WOLFF en DEKEN, Leev. 4, 255 [1784].
Samenst. Plantrijkgeur (zie Dl. IV, kol. 1876); enz.
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1927.