Koppelingen:
Vorig artikel: POKSTOF Volgend artikel: POL II
Etymologie: EWN, EWA
GTB Woordenboeken: MNW, MNW

POLI

Woordsoort: znw.(m.)

Modern lemma: pol

POLLE —, znw. m. Mnd. pol, polle, nd. polle (Brem.-Ns. Wtb.); middel-eng. polle, eng. poll; onr. pollr, nnr. poll, deensch pulle, zw. (dial.) pull (zie FALK en TORP op Puld). Stellig in vele opzichten te vergelijken met Bol (I), wellicht ook wat de vorming betreft: bol komt nl. in het Ogerm. voor als sterk vr. en als sterk en zwak m. woord, en iets dergelijks is voor pol wel aannemelijk. Voor de beteekenis zal men van het primitieve begrip ”weeke klodder” of ”dik, rond voorwerp” moeten uitgaan.
1.  Klein, rond koekje of broodje, dat van een overschot van deeg voor de kinderen wordt gemaakt (SCHUERM. [1865-1870]; ook Aant. v. GEZELLE), te Brussel bepaaldelijk: gebak van peperkoekdeeg (SCHUERM. [1865-1870]), te Antwerpen: een kleine pannekoek (CORN.-VERVL.).
2.  Te Assendelft: gebakken aarden knikker, stuiter (BOEKENOOGEN).
Dat niemant hem vervordere op de kerck ofte om de kerck … te goyen, schieten …, balslaen, met kooten, pollen ofte diergelijcke dingen te speelen,   Hs. keur [1659], Archief v. Assendelft, aangeh. bij BOEKENOOGEN 775.
3.  Hoofd, kruin, top; ook thans nog in Vl. België bekend, blijkens een aanteekening van GEZELLE.
Polle, polleken. Le sommet de la teste. Vertex capitis,   PLANT. [1573].
Polle, pol. Ang. j. bol. Caput,   KIL.
Polle, polleken. Sax. Fris. j. bol, top. Vertex capitis: caput, capitellum,   Ald.
4.  Zotskop op den staf van een nar, dan ook: nar met een zotskolf. Zie KIL. op Polle en Polleken en verg. POL (II), waaronder men deze beteekenis ook zou kunnen rangschikken.
Een zots-kolve of polleken,   DE BRUNE, Embl. 299 [1624].
5.  In N.-Holland: zeker onderdeel van de vrouwenkap, t.w. een rond kapje van dun bordpapier onder de ondermuts; zie voor de nadere omschrijving BOEKENOOGEN op Pol, eerste artikel, en verg. voor een soortgelijk onderdeel van den hoofdtooi in Haskerland Friesch Wdb. op Polle. De hier genoemde beteekenis sluit aan bij die onder 3).
Eene zoo genaamde pol wordt onder de ondermuts, en boven dezelve de kap geplaatst, deze wordt vervolgens rondom het boogje van de pol met kleine spelden vast gehecht,   JOHNSON en KIST, Karakterschetsen 121.
+6.  In het oosten van Nederland: heuveltop, (begroeid) zandheuveltje, hoogte (zie GALLÉE; V. SCHOTHORST 185; Onze Volkst. 1, 250; Driem. Bladen 6, 86 b). Voor Overijsel is opgegeven: ”kleine verhevenheid in eene anders gelijke grasvlakte”.
Polle, pol. Sax. j. top. Cacumen: fastigium,   KIL.
— De voorsz Regenten sullen … sorgh dragen, dat de Boomen … niet dieper noch hooger geset worden alsse gestaen hebben, en dat de Planters rondom deselve maken een Pol, die afdalende van de Stam, ruym drie voet in 't rond beslaet,   Gr. Placaetb. 4, 1200 b [1696].
7.  Bij overdracht: heem, erf, daar de hofsteden en buitenplaatsen gewoonlijk op een hooger gelegen deel werden gebouwd. Vandaar dat De Pol(l) herhaaldelijk als eigennaam van buitenplaatsen voorkomt, of als tweede lid van een samengestelden eigennaam (zie Nav. 5, 304 a).
Dat sy negen yaeren met haer zal. man op den Pol van den Boedelhof gewoont … hebben,   in Bijdr. en Meded. Gelre 17, 80 [1621].
Den bouman op den Boedelhof, buiten den Pol woonende,   Ald.
Dat sy hebben sien staen … een hooch, vierkant steenen huis … opten poll van den Boelhof,   17, 81.
8.  Door een andere overdracht: hooge wal als grensscheiding.
Om … niet alleen de gelegde Pollen voor zoo veel nodig te slegten, maar ook enz.,   bij PLEYTE e.a., Meerv. LXII [1748].
Dat het Groot en Klein Uddeler Meer … daarin worde gecompraehendeert en door het opsmijten van pollen en setten van paalen gemarqŭeert,   Ald.
Om … voor zo verre … de eygentlyke Limiten derselve (t.w. van zekere landen) niet meer zigtbaar zyn, alsnog … door het opwerpen van Pollen (deze) volkomen kenbaar te maken,   Gr. Placaetb. 9, 803 b [1782].
9.  In het zooveel lager liggende westen en noordwesten van Nederland: plekje grond dat iets hooger ligt dan zijn omgeving en gewoonlijk door slooten of ander water is omringd. Verg. met deze beteekenis POLDER (I), in zijn oudste opvatting. Behalve in N.-Holland tevens in Friesl. bekend; men bezigt het daar ook voor onbedijkte aanwassen in zee (zie BEEKMAN, Dijk- en Waterschapsr. 1309).
De Pol aen 't voorsz. voetpadt (t.w. naar Haarlem) ghelegen, werdt meest by Scheep-makers bewoont,   Hantv. v. Kennemerl. 752.
Hij zoekt de pol bij zijn land droog te leggen,   BOEKENOOGEN.
10.  Klein, in het water drijvend of vast eilandje, met riet of gras begroeid, en vervolgens: waterig, moerassig land (verg. te Warffum De Pollen, naam van de kleine haven aldaar, die genoemd is naar een moerassig stuk land dat daar vroeger in de buurt was), ”land en water, water en land, waarbij nu eens het eene, dan weer het andere element overweegt” (V. D. MEULEN, in Tijdschr. 38, 127).
De stroom verbreedt zich hier tot een helder, maar zeer ondiep meer, dat met talryke kleine eilandjes, zoogenaamde ”pollen” bezet is,   WINKLER, Oud Nederl. 354.
Te Harlingen is Zondagmorgen de vierde baggermachine binnengekomen, ook weder bestemd tot wegruiming der pollen (t.w. in de haven),   in N. Zutph. Cour. v. 28 Febr. 1872.
11.  Algemeen Nederlandsch is de beteekenis van: samengegroeide en -groeiende bundel van planten, met de wortels en een aardkluit er aan. Ook: zode in de kooi van een leeuwerik (N. Ned. Taalmag. 4, 246).
Ik bemerkte wyders uit de rykheid van zyne ongemeene voorvallen, dat'er naaulyks een polletje gras, een boom, of dam gevonden wierdt, daar niet iets wonderlyks gebeurd was (er is sprake van een jager),   Denker 1, 294 [1764].
De hooge Veenen bestaan uit de bovenkorst …, zeer spongieus en van weinig substantie, ook niets als by eilandige poltjes, moerheyde en moerheydige zaadknopjes voortbrengende,   VEGILIN V. CLAERB., Veengraveryen 3.
(De aardbeziën) schijnen het meest op te leveren, als zij op pollen gekweekt worden, dat is als de ranken telkens worden afgesneden,   V. HALL, Landh. Flora 69 [1854].
Het dikke ondereind van een rijsbos, ook Pol geheeten enz.,   ZWIERS 1, 149 a [1917].
Hier en daar vlekte al een volle pol dotterbloemen langs een sloot,   HERMAN DE MAN, Rijsh. 256 [1924].
Breng me 'en paar pollen violen (bossen van violenplanten met wortels en aarde),   BOEKENOOGEN.
Een pol vergeet-mij-nietjes.   poëem WNT
12.  Vandaar voor een zekere (soms voor een groote) hoeveelheid van iets, vooral van een vezelige of dradige massa (V. SCHOTHORST 185); ook in Friesl. bekend.
13.  Soms, o.a. in de Neder-Betuwe (Onze Volkst. 2, 101): stronk, struik, heester (zie ook BOMHOFF).
14.  Een enkele maal gebezigd met betrekking tot boomen: kleine groep.
In afwachting van de ferry- boat … zetten wij ons onder het polletje boomen neder, hetwelk de overvarenden beschaduwt,   KNEPPELH. 8, 247 [1857].
15.  Een andere beteekenis die zich ontwikkeld heeft uit die van ”dikke, ronde massa” is die van: poezelig, klein, mollig handje; in Vl. België zeer bekend. Verg. POEL (II), 5) en zie tevens SCHUERM. [1865-1870] en DE BO [1873].
Krijgt vader 'ne' pol?   CORN.-VERVL.
— Hy gaf het kind een polleken en leyde het tot hun,   KEUREMENNE 4, 36.
Elk voorwerp dat hem trof, was 't voorwerp zyner wenschen. Hy stak zyn pollekens al uit Naer alles wat zyn zinnen streelde,   WILLEMS, Nalat. 21.
Warm uwe pollekens maar, mijn manneken, en eet uwe boterham al gauw op,   CONSC. 2, 208 a [ed. 1868].
(Het kind) Vouwt wijs de kleine pollekens te gader En bidt,   V. BEERS 1, 236 [1852].
Leg eens zijn polleken (van een pasgeboren kind) op mijne vingers,   STIJNS, In de Ton 252.
Hij hief het kindeken in de hoogte, dat nu kraaide en lachte en in zijn poezelige pollekes sloeg,   TIMMERMANS, Pieter Bruegel³ 152.
16.  Vervolgens voor hand in het algemeen; ook deze opvatting uitsluitend in Vl. België.
Ha, daar is moeder Ghijsels ook … We zullen elkander maar 'nen pol geven … Zoo is de kennismaking begonnen,   STIJNS, In de Ton 130.
De heeren sloegen in elkaars pollen, knipoogden, loechen valsch,   De West- Vlaming v. 11 April 1930, 2 c  (zie ook een voorb. DE MONT en DE COCK, Vl. Wonderspr. 33).
17.  In de volgende aanhaling voor hondenpoot. Zeer ongewoon.
Aanstonds ging men 't hondje helpen … Dapper ging men hem aan 't troosten: Tijbaert streeld' hem op zijn krolkens, Isengrijn klopt' op zijn polkens en zei zoetjes enz.,   TIMMERMANS, Boudewijn² 36.
18.  Want, vuisthandschoen (JOOS 821 b [1900-1904]).
19.  Geldzak, tabakszak; in de Veenkoloniën (TER LAAN). Deze en de vorige beteekenis zijn uit de oorspronkelijke op dezelfde manier te verklaren als soortgelijke opvattingen bij POEL (II).
+20.  Benaming in de Zaanstreek bij molenmakers en timmerlieden voor verschillende soorten van rechtop geplaatste, uitstekende stukken hout, die dienen om iets vast te klemmen en in verband te houden (BOEKENOOGEN). Verg. voor deze ontwikkeling der beteekenis bij PLOK (I), 10) en PLUG. Men zou voor vorm en beteekenis ook PAL (I) kunnen vergelijken, indien dit woord althans niet, zooals men gewoonlijk meent, aan fr. pal is ontleend.
Afl. Polsgewijze, als pollen. Verg. de bet. 11).
Op sommige plaatsen van dit perceel stonden de russchen zoo dicht, dat uitsteken niet wel mogelijk was; daar waar ze meer polsgewijze optraden, zijn ze vrijwel verdwenen,   Versl. Landb. 1919, 1, 155.
Samenst. Als eerste lid. Pollenhand(je) (zie Dl. V, 1861). Verder:
Polaks (mnl. polaex), bijl met een breederen, stompen kant, om mee te slaan. Verg. Polhamer hierbeneden, eng. poll-adz in N. E. D. onder Poll sb.¹, en mlat. polaxis (DUCANGE 5, 330 b).
Blochuis, bolwerk, borstweer …, armborst, bardaxe, pollaxe, hellebarde, spietse, harnas (uit een opsomming van woorden die op den oorlog betrekking hebben),   CASTRICOMIUS, in Willerami Cant. Canticorum Paraphr. 77  (ed. MERULA).
Polboer, boer die een pol (in de bet. 9) zoekt droog te leggen (BOEKENOOGEN).
Den polboer op 't veer; dito Polboer op Noorder veer,   Polderl. Kromm. [1665], f° 255, aangeh. bij BOEKENOOGEN 776.
Polboonen, waarschijnlijk een soort van boonen die zeer laag bij den grond groeien; stamboonen (in een markbericht uit Elst in de Betuwe, a°. 1903). Verg. Polerwten, hierbeneden.
Poldroger, een van boven bolvormig houten of steenen voorwerp, waarop de pol (in de bet. 5) gedroogd wordt als de kap gewasschen is. Ook zetten sommigen bij het naar bed gaan de geheele kap op den poldroger (BOEKENOOGEN).
Polerwten.
In de Overbetuwe onderscheidt men als polerwten eene soort van erwten, die zeer laag bij den grond blijven,   V. HALL, Landh. Flora 62 [1854].
Polhamer, hamer met een breederen, stompen kant. Verg. Polaks hierboven.
Pol-haemer. Fland. j. heyr-haemer. Malleus militaris capitulatus, capitulo siue capitello munitus,   KIL.
Polstuk, regel aan een houtzaagmolen, waarin de pollen (in de bet. 20, c, β) zijn bevestigd.
Terwijl de derde regel (van de slede), polstuk genaamd, met eenige tusschenruimte, door middel van zoogenaamde pollen, boven een sleestuk is gewerkt,   KROOK, Molenb. 126 [1851].
Aan de eene zijde der slee, (wordt) het zoogenaamd polstuk … gelegd, en op de hoofden vastgebout. Door middel van ypen of beuken … pollen, worden op afstanden van ongeveer 0,75 el, met doorschietende pennen, het sleê- en polstuk aan elkander verbonden,   160.
Polzijde, soort van Chineesche zijde, wellicht genoemd naar de verdikkingen die hier en daar in de weefdraden voorkomen?
Den Chijneesen coopman H. (was) den 4 Januarij passato van Taijouan weder naer Chijna vertrocken omme aldaer sooveel witt, rouwe, geele ende polzijde … te procureeren, als enz.,   Daghreg. Bat. 4, 35 [1637].
Als tweede lid.
Aardbeipol (11).
De tomaten, die als opvolging van de spinazie dienden, (konden) zich beter ontwikkelen … dan die, welke pas na de opruiming der aardbeipollen konden worden uitgeplant,   Versl. Tuinbouwproefv. 1903—'04, 46.
Arbeiderspol (16), werkmanshand.
Zijn zware arbeiderspollen gleden bevend over de toetsen (van het orgel),   H. V. WALDEN in Vl. Gids 9 (1913), 312.
Biespol (biezepol) (11), in Overijsel en in de Neder-Betuwe (N. Ned. Taalmag. 4, 246; Onze Volkst. 2, 101).
Geilpol, kleine plek van bijzonder weligen groei in een gewas.
Hy ziet datzelfde aftreksel op die plekken waar mesthoopen of zoogenoemde pluizen gestaan hebben, geilpollen in de veldgewassen vormen die zich jaren achtereen onderscheiden door den weligen wasdom van alles wat daarop te groeyen staat,   Meded. d. Geld. Maatsch. v. Landb. v. 1849, blz. 5.
Graspol (11), in Overijsel voor graszode (N. Ned. Taalmag. 4, 246).
Hondspol, 1°. Naam in de Graafschap voor Witte doovenetel (Lamium album L.) (HEUKELS 132 [1907]).
2°. Naam te Velzen voor paardenbloem (Taraxacum officinale Web.), ook Hondepol, Honnebloempol (a. w. 250).
Hongerpol (7), boerderij waar men haast niet van leven kan, waar men bijna moet hongeren (TER LAAN 771 b).
Kettingspol(le) (zie Dl. VII, 2575).
Ovenpol (1), kleine, platte, ronde, dunne koek (JOOS [1900-1904]).
Strontpol (zie Dl. XVI, 107).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1934.