Koppelingen:
Vorig artikel: RAAP I Volgend artikel: RAAPKOEK

RAAPII

Woordsoort: znw.(m.)

Modern lemma: raap

znw. m. Werkingsnaam van denzelfden wortel als rapen.
1.  De handeling van het rapen, de greep. Ongewoon.
Raep, Collectio, collectum, raptura,   KIL. [1599].
2.  Zooveel als men rapen kan. Alleen op de volgende plaats aangetroffen.
U mondeken sou daer ontfanghen Och lieveken den vollen vloedt Van millionen kuskens soet … Ick soude vveten die te stelen En Lieveken in uvven slaep Naem' ick daer van den vollen raep,   DE HARDUYN, Godd. W. 297 [1629].
3.  Afgevallen fruit, dat niet geplukt maar van den grond opgeraapt is, ”val”.
Bij 't verkoopen van fruit, is de raap veur den verkooper totdat het fruit geplukt wordt,   JOOS [1900-1904].
Paradijsappelen 5-51/2 c.; zure raap 3-31/2 c.; zoete raap 31/2-41/2 c.,   Uit een veilingsbericht [1919].
Samenst. Appelenraap, bolraap, perenraap enz.
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1947.