Koppelingen:
Vorig artikel: REEN I Volgend artikel: REEN III
GTB Woordenboeken: MNW

REENII

Woordsoort: znw.(m.,v.)

Modern lemma: reen

REIN —, znw. m. en v. Mnl. reen, rein; mnd. rein; ohd. rein, nhd. rain; on. rein, no. rein, de. zwe. ren. Blijkbaar al een oudgerm. znw. dat verwant is met oudiersch róen, nieuwiersch roon ”weg, spoor”, bretonsch run ”heuvel” een n-formatie bij den wortel rei-/roi- (WALDE-POKORNY, Vergl. Wtb. 2, 343 [1927])). Uit het mnl. resp. ndl. stamt wellicht fr. rain ”boschzoom enz. ” (VALKHOFF, Et. sur les mots fr. d'or. néerl. 209; verg. ook rin bij GODEFROY), luikerwaalsch rinnå ”grenssteen, paal enz. ” (HAUST, Dict. liég. [1933]; verg. ook rainâ bij GRANDGAGNAGE, Dict. étym. de la langue wall. [1880])).
Een vorm met secundaire auslaut-m (reem) wordt vermeld door CORN., Bijv. [Arendonk, 1938].
In samenst. verliest reen, rein vaak zijn slot-n (zie REENGENOOT en ook SCHUERM. [1865-1870] onder Reen). Zie voor de spelling rijn in rijnbezie, rijnbloem, rijndoorn, rijnkool, rijnwilg, rijnzwaluw bij RIJN (II). Het woord heeft door vorm en bet. sommige punten van aanraking met rei (II) (zie ald.).
Behalve in enkele samenst. met ruimere geografische verbreiding komt reen, rein hoofdzakelijk in de oostelijke zndl. dialecten voor. Zie voor het gebruik als toponiem nog MOERMAN in Nom. geogr. neerl. 7, 42; verg. ook in dit verband wellicht fri. rien (DIJKSTRA, Fri. Wdb. 4, 310 b).
+ Grens, grensvoor, -weg, -berm, -paal tusschen twee akkers, perceelen en derg.
Reen, reyn. vetus. sax. fris. sicamb. j. pael. Limes, terminus, confinium,   KIL. [1588].
Reen, rein, v. en m., voor: grens, scheidlinie, paal, eindpaal, scheidpaal tusschen twee erven of landerijen (Hagel., Belg. - en Holl.-Limb.); doch in Limb. is de uitspr.: rein, en 't w. is er m.,   SCHUERM. [1865-1870].
Reen (uitspr. rein) = kleine weg met groes bewassen, tusschen twee stukken grond,   Aant. v. GEZELLE [Bree, ± 1880].
Reen, ploegvoor tusschen twee perceelen land,   JONGENEEL [1884].
Reen. Voor tusschen twee akkers,   RUTTEN [1890].
Reen … Grens, grenspaal tusschen twee eigendommen,   CLAES, Bijv. op TUERL. [1904].
Rein, grens tusschen akkers,   DORREN [1928].
— Die werelt ben ick, hier int gemeene; Alle staeten ick by my vercleene Hoe groot van machte: Keysers noch coninghen en weet ick geene, Paus noch cardinaelen binnen mynen reene, Hoe groot van geslachte,   Roode Roos 143 [1595?].
Een (boom) …, op de uiterste rene of pale van eenen eigendom geplant staande,   Loquela 4, 52 [1884].
Afl. Reenen (zie ald.).
Samenst.Reenboom, mnl. reinboom, reenboom, boom die als grenspaal dienst doet; ook: op palen liggende boom die als afsluiting dient. Verg. mhd. reinboum, nhd. rainbaum.
Reen-boom. Arbor terminalis, finalis,   KIL. [1599].
Reenboom, boom die als scheidpaal dient. … Doch in Br. verstaat men ook door: renboom, soms uitgespr.: rijboom, ruiboom, een boom of hout liggende dwars over een baan, toegang enz., op twee of drij staken rustende en dienende om huis of erf, veld of weide af te sluiten,   SCHUERM. [1865-1870].
Reengenoot (zie ald.).
Reengracht, sloot die als grensscheiding dienst doet.
Reengrip, scheigreppel tusschen landerijen (WEIL. 4, 166 [1807])).
Reenkant.
Reenkant …, uitgespr. rékant,   SCHUERM. 527 b [Hageland en elders, 1865-1870].
Reenkant. Zijde aan den reen,   RUTTEN [1890].
Reenpaal.
Reenpaal, scheidpaal,   SCHUERM. [1865-1870].
Reensteen, reinsteen, mnl. rein-, reensteen, grenssteen tusschen eigendommen. Verg. mhd. reinstein, nhd. rainstein.
Reensteen, oft redensteen. Vne pierre limitee, borne. Lapis terminalis,   PLANT. [1573].
  KIL. [1588].
P. heeft een land waar zeven reensteenen aan staan,   RUTTEN [1890].
Reensteen, paalsteen, steen die eenen eigendom bepaalt, die tusschen twee eigendommen in den reen staat,   CLAES, Bijv. op TUERL. [1904].
Reinsteen. Grenssteen, steenen paal, welke de grens van een eigendom aangeeft,   ZWIERS [1920].
Reinschtein, grenssteen aan landerijen,   DORREN [1928].
Ook in de volg. iron. uitdr.
Beven gelijk een reensteen,   RUTTEN [1890].
Reinvaar (zie ald.).
Reenvoor.
Reenvoor …, scheidlinie tusschen twee stukken land,   SCHUERM. [Hageland, 1865-1870].
Reenvoor, voor (gewoonlijk wat dieper dan die tusschen twee bedden) tusschen twee aan elkander reenende stukken grond,   CLAES, Bijv. op TUERL [1904].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1953.